| opera | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
opera (van het Italiaans opera, lett. = werk, product), benaming voor een geheel gezongen dramatische handeling met begeleiding van een instrumentaal ensemble.
| 1. Ontstaan |
In deze zin dateert deze kunstvorm uit het einde van de 16de eeuw, toen in de kring van de Camerata dei Bardi te Florence pogingen werden gedaan om de antieke tragedie, die men zich geheel gezongen dacht, te doen herleven. Men maakte daarbij gebruik van de nieuwe monodische stijl, die het mogelijk maakte aan de natuurlijke dictie en de verstaanbaarheid van de tekst de grootst mogelijke aandacht te besteden; daartoe moest worden afgezien van de polyfonie, zodat in de notatie volstaan kon worden met de solozangpartij en daaronder een basso continuo, waarin met intervalcijfers de vereiste akkoordische opvulling kon worden aangegeven. De dramatische stof werd aanvankelijk ontleend aan de herdersliteratuur (favola pastorale), die door de dichters Torquato Tasso en Battista Guarini werd gecultiveerd; zo kwam de benaming favola in musica in zwang, later gevolgd door titels als dramma per musica en (in 1637) door opera scenica, waarna in 1656 in Engeland voor het eerst het woord opera zonder adjectief ter aanduiding van een muzikaal dramatisch kunstwerk in gebruik kwam.
Terwijl in Florence Jacopo Peri en Giulio Caccini Euridice (1600) van Rinuccini componeerden (1602), zocht men het in Rome meer in de allegorie met moraliserende strekking: La rappresentazione di anima e di corpo (1600), waarschijnlijk van Emilio de Cavalieri, het begin van een ontwikkeling die in Il San Alessio (1632) van Stefano Landi tot een voorlopig hoogtepunt zou komen. Intussen vonden de Florentijnse idealen hun verwezenlijking in de opera's van Claudio Monteverdi, waarin solozang werd afgewisseld door homofone koorzang en door instrumentale stukken, waarvoor een omvangrijk instrumentarium met vele akkoordinstrumenten (klavecimbel, orgel, luit, theorbe) ter beschikking stond. In de vocale schrijfwijze werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen een verhalende trant in recitativische stijl en een bespiegelende trant met een ariosokarakter.
Toen in 1637 te Venetië voor het eerst een commercieel geëxploiteerd operatheater werd gesticht, moest zoveel mogelijk van koren en groot orkest worden afgezien, waardoor men zich vnl. ging toeleggen op een spannende intrige en op een gedifferentieerde muzikale karakteruitbeelding, terwijl men ook voor een kostbare enscenering met veel ‘kunst- en vliegwerk’ geld over had. Nadat in Monteverdi's laatste opera L’incoronazione di Poppea (1642) de Venetiaanse opera tot volle bloei was gekomen, hebben zijn leerlingen Francesco Cavalli en Marc'Antonio Cesti ten koste van het dramatische geheel het accent steeds meer op de muziek gelegd en daarbij een starre splitsing tussen recitatief en aria teweeggebracht, waarbij voor de oude ariosovormen geen plaats meer was.
Deze laatste vormen bleven wel bestaan in de contemporaine Franse operakunst, die door de Florentijn Lully enerzijds uit de comédie-ballets van Molière, anderzijds uit de pastorale Pomone (1671) van Perrin en Cambert was ontwikkeld. Lully heeft met zijn tragédie-lyrique een traditie geschapen die een eeuw lang in stand is gebleven en waartoe vooral Jean Philippe Rameau heeft bijgedragen. Deze operakunst is echter toch vnl. een Franse aangelegenheid gebleven, hoewel in een werk als Dido and Aeneas (1689) van Henry Purcell een bepaalde verwantschap is te bespeuren.
In Duitsland is de Florentijnse operamonodie reeds in 1627 toegepast, toen Heinrich Schütz het drama Dafne van Rinuccini in de vertaling van Opitz op muziek zette, maar de Dertigjarige Oorlog stond hier voorlopig een verdere ontwikkeling in de weg.