Nederland
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Nederland
4. Economie
4.1 Algemeen

Nederland heeft een vrije-markteconomie. De overheid kan evenwel door middel van wetgeving en regelgeving op allerlei manieren ingrijpen in het economisch proces, zodat ook wel van een geleide economie gesproken wordt.

Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft de Nederlandse economie als gevolg van sterk veranderde omstandigheden zoals een sterke bevolkingsgroei, het verlies van de koloniën een grote verandering ondergaan. Van een overwegend agrarisch land heeft Nederland zich ontwikkeld tot een industriële natie. In 2000 droegen landbouw en visserij voor 3% aan het bruto binnenlands product bij, de industrie voor 26%. De resterende 71% kwam voor rekening van de dienstensector. Van groot belang voor de Nederlandse economie is de aanwezigheid van grote aardgasvoorraden, waardoor Nederland een belangrijke energie-exporteur is. Door de gunstige ligging aan de monding van grote Europese rivieren als Rijn, Maas en Schelde vervult Nederland een grote rol in het Europese transitoverkeer. Rotterdam is bijgevolg al jarenlang de grootste haven ter wereld.

De Nederlandse economie heeft in de jaren negentig geprofiteerd van de internationale economische conjunctuur; in de periode van 1996 tot en met 2000 bedroeg de economische groei gemiddeld 3,7%. In 2001 daalde de groei echter tot 0,9% en in 2002 zelfs tot slechts 0,2 procent. Dit is de laagste jaargroei van het bruto binnenlands product (BBP) in twintig jaar tijd. Het officiële werkloosheidscijfer bedroeg in het eerste kwartaal van 2003 5,8% van de beroepsbevolking (gemiddeld 377 duizend personen).

4.2 Land- en tuinbouw

Het aandeel van de land- en tuinbouw in de totale beroepsbevolking daalde van ca. 17% in 1950 tot 4% in 1999; het aandeel in het nationaal inkomen nam in deze periode af van 14,4 tot 3%.

61,5% van de Nederlandse bodem is in agrarisch gebruik. Dankzij intensiverings van het bodemgebruik en door de hogere opbrengsten per hectare, is de totale productiehoeveelheid van de Nederlandse land- en tuinbouw tussen 1950 en 1995 enorm toegenomen. Deze productie-uitbreiding kon alleen plaatsvinden door een sterke vergroting van de hoeveelheid productiemiddelen, zoals kunstmest en (ingevoerd) veevoeder. Op wereldschaal is Nederland na de VS en Frankrijk de grootste exporteur van agrarische producten.

De agrarische activiteiten zijn gespreid over het hele land. Een belangrijk deel van de akkerbouw wordt aangetroffen op de zeekleigronden in het noorden en het zuidwesten van het land, alsmede in de IJsselmeerpolders. De intensieve veehouderij of bio-industrie (varkenshouderij, pluimveehouderij en kalvermesterij), die overigens met haar enorme mestoverschot een directe bedreiging voor het milieu vormt, is grotendeels geconcentreerd op de zandgronden in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. De melkveehouderij komt voor in het hele land, maar specifieke weidegebieden zijn Friesland en Noord- en Zuid-Holland. De glastuinbouw, die economisch gezien verreweg het belangrijkste onderdeel vormt van de Nederlandse tuinbouw, is voor een groot deel geconcentreerd in enkele grote centra, waaronder die in het zuidwesten van Zuid-Holland het belangrijkste zijn. De Nederlandse intensieve veehouderij werd geplaagd door verschillende dierziekten. Na de varkenspest en de gekkekoeienziekte (BSE) brak in 2001 de mond- en klauwzeer (MKZ) uit. Er werd een vervoersverbod afgekondigd en getroffen bedrijven werden geruimd. De zogeheten preventieve ruimingen waarbij gezonde dieren werden afgemaakt leidden tot grote weerstand. Naar aanleiding van de MKZ-crisis pleitte de commissie-Wijffels voor een ingrijpende omslag in de veehouderij. De discussie hierover ontstond opnieuw na de uitbraak van de vogelpest in 2003 waarbij opnieuw vervoersverboden en ruimingen werden afgekondigd.

4.3 Bosbouw

Nederland is een weinig bosrijk land. In 1995 was slechts 8% (300 300 ha) van de oppervlakte bebost. Het bos bestaat voor ca. 60% uit naaldhout. De provincie met de grootste oppervlakte aan bos is Gelderland. Hierna volgen Noord-Brabant en Overijssel. Bos komt in hoofdzaak voor op de slechtere gronden. Er is echter een tendens ook op betere gronden bos aan te planten. Behalve als houtleverancier is het bos van belang voor de recreatie. De milieuvervuiling, vooral in de vorm van verzuring (zie zure regen), is een ernstige bedreiging voor het bestand.

4.4 Visserij

De visserij in open zee wordt bedreven in de Noordzee en haar zeeboezems (garnalenvangst, visserij op diverse vissoorten, oesterteelt en mosselteelt) en in verder gelegen wateren (rond Ierland, bij IJsland en Newfoundland: vangst van rondvis, haringachtigen en makreel). De economisch belangrijkste groep werd in dat jaar gevormd door de platvissen (m.n. schol en tong), gevolgd door de rondvissen en de schaal- en weekdieren. Voorts wordt gevist op haringachtigen. De belangrijkste havens zijn IJmuiden, Scheveningen en Urk.

De binnenvisserij is economisch van weinig belang. De belangrijkste vissoort is de paling.

4.5 Industrie

Omstreeks de jaren 1890–1900 werd Nederland een industrieland, in die zin dat het aandeel van de werkgelegenheid in de nijverheid groter werd dan in de landbouw. Voordien was de textiel-, kleding- en schoeiselindustrie verreweg de belangrijkste industriële bedrijfstak, vooral geconcentreerd in het zuiden en in mindere mate in het westen en oosten des lands. De industriële doorbraak in de periode 1870–1914 leidde tot een sterke groei van de metaalnijverheid, de chemische, grafische en papierindustrie, al bleven de oudere bedrijfstakken: textiel-, kleding- en schoeiselindustrie, voedingsmiddelen-, dranken- en tabaksproductenindustrie en de bouwnijverheid vooralsnog belangrijker uit een oogpunt van werkgelegenheid. De industrialisatie ging gepaard met een overgang van huisindustrie naar fabriek en met een ruimtelijke concentratie vooral in het westen, o.a. door de verhoogde activiteit in Rotterdam en Amsterdam, en in het zuiden. Daarnaast werd Twente het centrum van de katoenindustrie. Voor deze industrie waren de koloniën een belangrijk afzetgebied. Voor de tabaksindustrie speelden de koloniën een belangrijke rol als grondstofleverancier.

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog tot 1930 zetten bovengenoemde tendensen zich grotendeels voort, zij het met accentverschuivingen. Zo kwamen de zuivelindustrie en de slachterijen op als exportindustrie. De schoennijverheid groeide sterk, maar de katoennijverheid stabiliseerde zich. In de jaren twintig verscheen voor de textielindustrie de dreigende concurrentie van de kunstvezel. De chemische industrie kwam evenwel nog niet tot grote bloei, maar een spectaculaire groei vertoonden wel de elektrotechniek en openbare nutsbedrijven, o.m. door toenemend gebruik van de elektromotor. Vooral in het westen, en in mindere mate het zuiden en het oosten, ontwikkelde de industrie zich, terwijl het noorden een agrarisch karakter behield. Tussen 1930 en 1947 veranderde het industriële patroon weinig.

De jaren na de Tweede Wereldoorlog stonden in het teken van de wederopbouw. Voornaamste doel was het scheppen van voldoende werkgelegenheid, vooral door een vergroting van de export. Hiertoe werd in hoofdzaak een globaal beleid gevoerd bestaande uit geleide loonpolitiek, (regionale) investeringspremies en ontwikkeling van de infrastructuur. Het kabinet legde op initiatief van KVP-minister J.R.M. van den Brink van Economische Zaken (1948-1952) in een aantal Industrialisatienota's zijn plannen vast voor de modernisering van de Nederlandse industrie. De industrie (in het bijzonder de elektrotechnische, de basismetaal- en de chemische industrie) werd, sterk begunstigd door de Marshall-hulp, de motor van de welvaartsstaat.

De totstandkoming van de Europese Gemeenschap in 1958 versnelde de groei nog en deed de exportquote stijgen. Vooral het groeitempo van de petrochemische industrie lag in de jaren 1963–1973, ook internationaal gezien, zeer hoog. De voordelen verbonden aan vestiging in het Rijnmondgebied, die tot veel buitenlandse investeringen leidden, en de lage energieprijzen waren hiervan de voornaamste oorzaken. Ook de vondst van het aardgas werkte stimulerend op de groei. De schaarste op de arbeidsmarkt, die door deze sterk expansieve ontwikkeling ontstond, had grote loonstijgingen tot gevolg, die op hun beurt de concurrentiepositie van de arbeidsintensieve industrieën aantastten, hetgeen in het begin van de jaren zeventig nog werd versterkt door de appreciatie van de gulden. Daardoor ontstond een omvangrijke herstructureringsproblematiek. Het duidelijkste voorbeeld daarvan vindt men bij de textiel-, kleding- en schoeiselindustrie, waarvan de productie en werkgelegenheid sinds het midden van de jaren zestig een scherpe teruggang vertonen. Aldus kreeg de Nederlandse industrie een specialisatiepatroon dat o.m. wordt gekenmerkt door gerichtheid op primaire producten en halffabrikaten, een relatief hoge kapitaal- en energie-intensiteit en een betrekkelijk zwak ontwikkelde investeringsgoederenindustrie.

De snelle productiegroei had eveneens tot gevolg dat de nadelige effecten van de industriële groei aan het eind van de jaren zestig meer aandacht trokken. Een groter accent werd gelegd op de zgn. facetten: milieubescherming, zuinig gebruik van energie en grondstoffen, ruimtelijke ordening en internationale arbeidsverdeling met het oog op de ontwikkelingssamenwerking. Deze relativering van het belang van de industriële expansie leidde tot de gedachte van de selectieve groei.

Intussen was door de scherpe stijging van de aardolieprijs na 1973 de economische groei in de geïndustrialiseerde westelijke landen sterk vertraagd. De Nederlandse industrie ondervond, gezien haar hoge exportquote en energie-intensief karakter, daarvan in sterke mate de terugslag. Voor de nationale economie betekende het bezit van het aardgas echter voorlopig nog een belangrijk voordeel ten opzichte van het buitenland. Terwijl de investeringen van bedrijven zich meer en meer op het buitenland gingen concentreren, stagneerde de begin jaren tachtig zo gewenste verbreding van de nationale industriële basis. Een van de oorzaken hiervoor was het gewijzigd overheidsbeleid dat zich vanaf 1982 m.n. richtte op groei van de export. Van fundamentele vernieuwing van de Nederlandse industrie was in de jaren tachtig geen sprake; wel van verbetering van bestaande productieprocessen, m.n. in de chemische industrie. De industriële productie neemt nog altijd toe, zij het dat de groei lager is dan in andere sectoren van de economie.

4.6 Grondstoffenvoorziening

Zowel voor eigen consumptie als voor industriële verwerking is Nederland van oudsher voor het overgrote deel van de grondstoffenvoorziening aangewezen op het buitenland. De aard en de hoeveelheid van de ingevoerde artikelen zijn voor een deel historisch bepaald (bijv. voedings- en genotmiddelen als overblijfsel van de koloniale tijd), voor een ander deel het gevolg van de internationale concurrentieverhoudingen (o.a. in de textielnijverheid), maar voor een belangrijk deel ook van interne factoren (chemische producten). Daarnaast kunnen prijsschommelingen op de internationale markt de kosten voor grondstoffen sterk beïnvloeden (aardolie).

Het aantal landen waaruit Nederland de diverse grondstoffen betrekt, is zeer groot. Duitsland is echter steeds de grootste leverancier geweest, terwijl meer dan de helft van alle grondstoffen afkomstig is van partners uit de EU.

4.7 Mijnbouw

Aan het oppervlak bevat Nederland slechts ‘goedkope’ delfstoffen, m.n. grind, zand, klei en mergel/kalk.

In de ondergrond zit zout, aardolie, aardgas en steenkool. Het zout komt in dikke, uitgestrekte lagen voor en wordt bij Hengelo gewonnen door water omlaag te spuiten en de pekel op te pompen. Steenkool werd tot 1975 ondergronds gewonnen, maar de vondst van aardgas en de lage prijs van buitenlandse steenkool waren aanleiding de mijnen te sluiten. In de ondergrond is nog 1000 miljard ton steenkool aanwezig, maar daarvan is slechts 4% winbaar met conventionele methoden.

Op het vasteland heeft Nederland twee aardolievelden (Schoonebeek en West-Nederland) en op het continentaal plat één aardolieveld (offshore).

In 1959 werd het aardgasveld bij Slochteren ontdekt; in 1967 kwam het in productie. Zie voor de geschiedenis, ontstaan en voorkomen, aardgasreserves, winningsmethoden, productie, distributie en voorraad bij aardgas.

4.8 Energievoorziening

Tot de Tweede Wereldoorlog was Nederland voor het energieverbruik vooral aangewezen op eigen hulpbronnen, vnl. steenkool en wind. Na die periode werd het buitenlandse energie-aanbod echter snel groter (vooral in de vorm van aardolie). Het energieverbruik kon daardoor stijgen, alleen vlak na de olieboycot door de OPEC (1973–1974) en begin jaren tachtig trad tijdelijk een geringe teruggang op; daarna daalde het huishoudelijk verbruik nog steeds, maar nam het industrieel verbruik toe. Van 1946 tot 1967 werd vrijwel alle energie gehaald uit steenkool en aardolie, maar daarna nam het aandeel van aardgas snel toe door de vondst bij Slochteren. Door die vondst kon Nederland zelfs een energie-exporterend land worden. De relatief lage verkoopprijs van het aardgas ten opzichte van de hoge prijs die voor de voortgaande aardolie-import moest worden betaald, hield echter de financiële energiebalans negatief.

In 1979 was voor het eerst de energie-import weer groter dan de energie-export, een zich versneld voortzettende tendens. Dat onderstreept de noodzaak van bezuiniging (zie energiebesparing) en overschakeling op goedkopere vormen (bijvoorbeeld kernenergie) en milieuvriendelijke vormen (kolenvergassing) van energie. Nederland telt één kerncentrale voor elektriciteitsproductie, bij Borssele in Zeeland.

4.9 Handel

De internationale handel is voor Nederland van groot belang als gevolg van zijn kleine grondgebied en geografische ligging. Nederland behoort tot de meest open economieën ter wereld. De belangrijkste importcategoriëen zijn (elektrische) machines, fabrikaten, voedingswaren. De belangrijkste exportcategorieën zijn voedingswaren, levende dieren, chemische producten, (half)fabrikaten, (elektrische) machines, en aardolieproducten.

4.10 Bankwezen

Centrale bank is De Nederlandsche Bank N.V. Het Nederlandse bankwezen wordt gekenmerkt door een sterk concentratieproces, alsmede branchevervaging en internationalisatie. Zie ook bank [economie].

4.11 Verkeer

Door de geografische ligging van Nederland aan de monding van de Rijn en door het dichtbevolkte en hooggeïndustrialiseerde achterland speelt het verkeer een belangrijke rol, ook in economische opzicht. Nederland beschikt over een uitgebreid wegennet, waarvoor Rijk, provincie of gemeente verantwoordelijk zijn. Van groot belang voor met name het goederenvervoer, zowel binnenslands als grensoverschrijdend, zijn de talrijke waterwegen. Van groot belang voor het personenvervoer is het spoorwegverkeer, waarvan de Nederlandse Spoorwegen tot 1995 het monopolie had; sindsdien wordt aan de verzelfstandiging van de NS gewerkt en zijn er mogelijkheden geschapen voor concurrerende spoorwegbedrijven. Het binnenlandse luchtverkeer speelt nauwelijks een rol van betekenis. Het autoverkeer neemt het merendeel van het personenvervoer en goederentransport voor zijn rekening. Het aantal auto’s nam in de periode 1980–2000 toe van 4,5 miljoen tot 7,3 miljoen. Voor het openbaar vervoer zijn naast de NS het streekvervoer en in de grote steden de gemeentevervoerbedrijven van belang. De Nederlandse handelsvloot neemt voortdurend in grootte en economische betekenis af. Rotterdam heeft met Europoort de grootste haven ter wereld en Amsterdam heeft zich in de afgelopen jaren tot overslagplaats van betekenis ontwikkeld. De nationale luchtvaartmaatschappij is de KLM, die een uitgebreid internationaal luchtnet heeft. Schiphol is de internationale luchthaven.