| Nederland | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 1. Landschap, klimaat en natuur |
| 1.1 Landschap |
In het grootste deel van Nederland bestaat de bodem uit door de zee, de rivieren of de wind aangevoerd materiaal. In het gedeelte dat door het landijs was bedekt, vertoont het landschap op vele plaatsen duidelijk de invloed van het landijs, m.n. in de vorm van stuwwallen (heuvelruggen in Utrecht, Gelderland en Overijssel). Slechts in het zuiden van de provincie Limburg is het landschap sterk beïnvloed door erosie, hoewel een deklaag van löss het erosiekarakter heeft gemaskeerd. De westelijke begrenzing van de Peelhorst, de Peelrandbreuk, is plaatselijk als een trede in het landschap te herkennen, terwijl ook in Zuid-Limburg (waar het hoogste punt van Nederland, de Vaalserberg, 322,5 m, gelegen is) de invloed van tektonische bewegingen op enkele plaatsen in het veld zichtbaar is (o.a. de breuklijntrap van Kunrade en de Feldbiss bij Heerlen).
Het landschapsbeeld is in het Holoceen sterk bepaald door de activiteit van de rivieren en de zee. Met name de zee heeft een stempel op het landschap gedrukt met de vorming van uitgestrekte kleigebieden en van strandwallen en met de afbraak van het veengebied, gevormd achter deze strandwallen (ontstaan van de Zuiderzee, de Biesbosch, enz.). De wind heeft in het Holoceen de duinen en de zandverstuivingen doen ontstaan.
Het landschap is ten slotte mede bepaald door menselijke activiteit. Door uitvening en vervolgens drooglegging van meren en plassen zijn diepliggende droogmakerijen ontstaan (laagste punt van Nederland, o.a. in de Prins Alexanderpolder, -6 m). Door afgraving van uitgestrekte veengebieden is de oorspronkelijke, zacht golvende zandondergrond aan den dag getreden, terwijl door bedijking vele door kreken doorsneden gebieden deel van het land zijn gaan uitmaken.
| 1.2 Rivieren, meren en plassen |
De Rijn is zowel gletsjerrivier als regenrivier. De afvoer van de Rijn bedraagt gemiddeld 69 miljard m3, wat overeenkomt met een waterschijf over het gehele land van 1725 mm. De kanalisatie van de Neder-Rijn en de Lek resulteerde in een verbetering van de bevaarbaarheid van de IJssel, het Pannerdens Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek; tevens wordt door vergroting van de lage afvoeren van de IJssel onder normale waterstanden een ruimere watervoorziening van het noorden van het land, via het IJsselmeer, gewaarborgd. De Maas is een echte regenrivier. Het verschil tussen de grootste en de kleinste voorgekomen afvoer is veel groter dan die bij de Rijn. De gemiddelde jaarlijkse afvoer bedraagt bij Borgharen 8 miljard m3 (overeenkomend met een waterschijf over het gehele land van 200 mm). Een groot deel van de rivier is gekanaliseerd. Van de Schelde [rivier, West-Europa] ligt alleen de brede mond binnen de Nederlandse grenzen. De kleine rivieren die buiten het Nederlandse grondgebied ontspringen, brengen in totaal slechts gemiddeld 3 miljard m3 water per jaar over de grenzen. Deze hoeveelheid is in het kader van de waterhuishouding van regionale betekenis. De meren en plassen liggen vnl. in het veenlandschap van Nederland. Vrijwel steeds zijn de meren op natuurlijke wijze ontstaan, en wel door afslag van veenoevers nadat bijv. door een inbraak van de zee een aanzet tot de vorming van open water had plaatsgevonden. Vele meren zijn gevormd vanuit oude riviertjes in het veenlandschap. De uitgeveende gebieden worden veelal als plas aangeduid. Een groot aantal meren en plassen is in de loop van eeuwen drooggemalen. Een bijzondere plaats nemen de meren in, ontstaan in het kader van de Zuiderzeewerken (IJsselmeer en zijn randmeren) en de meren, gevormd door de Deltawerken.
| 1.3 Geologie |
| 1.3.1 Paleozoïcum |
De oudste in Nederland aan de oppervlakte komende gesteenten behoren tot het Carboon. Nabij Epen komen schalies en kwartsitische zandstenen aan de oppervlakte voor (o.a. in de Heimansgroeve) uit de onderste etage van het Boven-Carboon). Het Westfalien is in Nederland steenkoolvoerend. Het Carboonoppervlak vertoont een grote variatie en ligt in het westen en noorden op meer dan 4000 m diepte. Op het meer of minder sterk geërodeerde Carboon rust met een duidelijk stratigrafisch hiaat het continentale Saxonien (bovenste deel van het Onder-Perm) met de belangrijke Slochteren-zandsteenformatie, het aardgasreservoirgesteente in Groningen (diepte in het Slochterenveld ca. 2800 m). De herkomst van dit aardgas wordt veelal gezocht in na-inkoling van onderliggende steenkool uit het Carboon. De Zechstein (Boven-Perm) vangt aan met een dunne, donkere, bitumineuze band (Kupferschiefer, Coppershale). Tijdens de Zechstein werden in het noorden en noordoosten van Nederland tijdens vier indampingscycli dikke lagen steenzout en plaatselijk kalium-magnesiumzouten gevormd. Door het plastische gedrag van steenzout onder hoge druk van bovenliggende sedimenten zijn zoutpijlers van uiteenlopende vorm en grootte ontstaan. De in de Zechstein voorkomende carbonaten uit de tweede en derde cyclus (Hauptdolomit en Plattendolomit) zijn aardgasvoerend in Oost- en Noordwest-Nederland.
| 1.3.2 Mesozoïcum |
De Bontzandsteen (Onder-Trias) is voornamelijk ontwikkeld als een continentaal, fijnklastisch gesteente met zandsteen (plaatselijk gasvoerend) en evaporiet (o.a. zout)-inschakelingen. De Muschelkalk (Midden-Trias) bestaat deels uit dolomitische kalksteen. De Keuper (Boven-Trias), bruinrode en groene schalies met plaatselijk enige dolomiet, anhydriet en gips, is grotendeels continentaal. De Keuper ontbreekt op vele plaatsen ten gevolge van de erosie die volgde op de Vroeg-Kimmerische fase van de Saxonische orogenese. Met het Rhaetien (einde Trias) zette een nieuwe sedimentatiecyclus in die duurde tot in de Malm (Boven-Jura). De Lias (Onder-Jura), alsmede de Dogger (Midden-Jura) zijn in Nederland ontwikkeld in een mariene facies. In de Lias komen bitumineuze schalies voor, die mogelijk aardoliemoedergesteente zijn. Uit de Dogger bezitten kalkhoudende, poreuze zandsteenlagen bekendheid als (potentiële) aardoliereservoirgesteente.
Na enige bodembewegingen op de grens Lias-Dogger volgde tegen het eind van de Onder-Malm de Laat-Kimmerische fase van de Saxonische orogenese, waarbij grote delen van Nederland opgeheven en vervolgens geërodeerd werden. Tijdens de Malm zette de sedimentatie in enkele bekkens weer in, namelijk in het oostelijke of Neder-Saksische Bekken, in het Centraal-Nederlandse Bekken en in het West-Nederlandse Bekken dat zijn voortzetting vond in de Centrale Slenk. In deze bekkens volgden op de afzettingen van Midden- en Boven-Malm de sedimenten uit het Onder-Krijt. In het Valanginien vormde zich in het Oostelijke Bekken een marien zandpakket (Bentheimer zandsteen). In Schoonebeek vormt dit het reservoirgesteente van de aardolie. Ook in het Hauterivien vormden zich zandsteeninschakelingen, zoals de Gildehauser of Losserse zandsteen. In de andere bekkens treft men tussen overwegend kleiige, mariene sedimenten uit het Onder-Krijt eveneens zandsteenpakketten aan welke aardgas- en aardolievoerend zijn (Rijswijk, Wassenaar, de Lier, IJsselmonde-Ridderkerk).
Tijdens het begin van het Boven-Krijt werd het gehele land door de zee overdekt, waarbij vnl. kalkgesteenten werden gevormd, welke in Zuid-Limburg plaatselijk aan de oppervlakte treden. De sedimenten beginnen daar met de Formatie van Aken (overwegend zanden), gevolgd door de Formatie van Vaals (mariene gele tot groene, vaak glauconiethoudende fijne zanden), de Formatie van Gulpen (overwegend fijnkorrelige kalksteen), de Formatie van Maastricht (met het Maastrichts Krijt en de soms harde Kunrader Kalk), plaatselijk gevolgd door de Formatie van Houthem (Onder-Paleoceen). Het Boven-Krijt in Zuid-Limburg is veelvuldig gebruikt als bouwsteen, voor de kalkbranderijen, als kalkmeststof en vooral voor de cementfabricage. Tijdens de Subvariscische en Laramische fasen van de Saxonische orogenese (Boven- en einde-Krijt) werden de genoemde Jura-Krijtbekkens sterk opgeheven, zodat daar het Boven-Krijt geheel of grotendeels ontbreekt, terwijl door bodemdaling het Boven-Krijt op het voormalige Texel-IJsselmeer Hoog een dikte van 1500 m kan bereiken.
De Mesozoïsche afzettingen zijn tijdens het Kenozoïcum in grote delen van het land discordant overdekt door Tertiaire afzettingen met een dikte van enkele meters tot meer dan 1000 m. Tijdens het Paleogeen (Paleoceen, Eoceen, Oligoceen) vond uitsluitend mariene sedimentatie plaats. De grens Eoceen-Oligoceen wordt gekenmerkt door een stratigrafisch hiaat. Eocene en Oligocene mariene kleiafzettingen komen in Oost-Nederland aan of dicht aan de oppervlakte voor en worden aldaar in kleigroeven gewonnen voor steenfabricage. Tijdens het Mioceen vond in het zuidoosten de vorming plaats van continentale afzettingen, nl. van witte kwartszanden en van bruinkool. De regressietendens zette zich voort in het Plioceen, zodat dit in Zuidoost- en Oost-Nederland in continentale facies voorkomt (Kiezeloöliet Formatie en Scheemda Formatie). In het grootste deel van Nederland is het Plioceen ontwikkeld als mariene klei- en zandafzettingen (Formatie van Oosterhout, rustend op de Miocene Formatie van Breda).
De sedimentatie in het Pleistoceen vormde aanvankelijk de voortzetting van die uit het Tertiair. In het westen en noordwesten vormde zich de mariene formatie van Maassluis, in het zuiden de Tegelen Formatie, aangevoerd door Rijn en Maas, en in het oosten de Harderwijk Formatie, welke fluviatiele formaties zich in het Onder-Pleistoceen over vrijwel geheel Nederland uitbreidden. De Rijn en Maas voerden vervolgens de afzettingen van de Formatie van Kedichem en Sterksel aan, de rivieren van oostelijke herkomst achtereenvolgens de Harderwijk en de Enschede Formatie.
Tijdens het Midden-Pleistoceen werd Nederland tweemaal gedeeltelijk door landijs overdekt, nl. tijdens het Elsterien en het Saalien. De Rijn voerde intussen de afzettingen van de Formatie van Urk aan, de Maas van de Formatie van Veghel. Tijdens het warme Holsteinien (interglaciaal) was een deel van Nederland door de zee overdekt. Tijdens het Saalien drong het landijs vanaf het noorden Nederland binnen, waarbij de stuwwallen ontstonden en de grondmorene (keileem) werd afgezet. De glaciale afzettingen worden samengevat tot de Formatie van Drenthe, de periglaciale tot de Formatie van Eindhoven. Tijdens het Vroeg- en Midden-Pleistoceen vormden zich in Limburg de verschillende terrasniveaus, voorheen aangeduid als Hoogterras en Middenterras.
Tijdens het Eemien, het interglaciaal dat volgt op het Saalien, vond weer, mede dankzij een zeespiegelstijging, een gedeeltelijke mariene transgressie plaats, terwijl de rivieren de formatie van Kreftenheye aanvoerden. Het mariene Eemien wordt aangeduid als de Eemformatie, het continentale als de Formatie van Asten, naar het veelvuldig voorkomen van leem- en veenafzettingen in de Centrale Slenk. Tijdens het Weichselien, toen het landijs niet tot Nederland reikte, werd de Formatie van Twente gevormd, overwegend uit periglaciale afzettingen bestaande. Hiertoe behoren o.a. de dekzanden, welke in de Pleistocene zandgebieden veelal de bovengrond vormen. Tijdens het laatste gedeelte van het Weichselien (het Laat-Glaciaal) werd de oude rivierklei (rivierleem) afgezet, terwijl zich tevens vele rivierduinen vormden. De oude rivierklei treedt langs de Maas en de Oude IJssel aan de oppervlakte, elders is deze door Holocene rivierklei overdekt. De rivierduinen, die een hoogte van 20 m kunnen bereiken, zijn ook aanwezig in de ondergrond van o.a. de Alblasserwaard en vormen daar de donken. Tijdens het Weichselien vond in Zuid-Limburg de vorming van het lössdek plaats, terwijl in de rest van Nederland de dekzanden ontstonden, waarbij m.n. de jongste verantwoordelijk zijn voor het karakteristieke microreliëf (kopjes, ruggen, paraboolduinen).
De geologische ontwikkeling van Nederland tijdens het Holoceen is in hoge mate bepaald door de zeespiegelrijzing, die over de afgelopen 10 000 jaar ongeveer 65 m bedraagt. Omstreeks 8000 voor heden had de zeespiegel een niveau van ca. 20 m beneden het huidige bereikt, waardoor in de laagste delen binnen de huidige kustlijn vorming van mariene afzettingen plaats kon vinden. De mariene afzettingen, veelal rustend op een veenlaag (veen-op-grotere-diepte), behoren tot de Westland Formatie. Beneden het zgn. oppervlakteveen (Hollandveen) spreekt men van de Afzettingen van Calais (4000–1800 v.C.), vroeger veelal aangeduid als oude zeeklei. De jongere mariene afzettingen behoren tot de Afzettingen van Duinkerke (jonge zeeklei). Gelijktijdig kwam in het rivierkleigebied de Betuwe Formatie (stroomruggronden en komgronden) tot afzetting, terwijl in het overgangsgebied tussen de rivieren en de zee (het perimariene gebied) resp. de Afzettingen van Gorkum en de Afzettingen van Tiel werden gevormd. In het pleistocene landschap vormden zich gedurende het Holoceen in de beekdalen de Formatie van Singraven, deels uit veen bestaande, alsmede grote veenkussens in Drenthe-Groningen en in Noord-Brabant, behorend tot de Formatie van Griendtsveen. De stuifzanden uit het Holoceen worden gerekend tot de Formatie van Kootwijk. De strandwallen kwamen tot ontwikkeling tussen ongeveer 3300 en 2000 v.C., de oude duinafzettingen tussen 1800 v.C. en 1200 n.C., de jonge duinafzettingen sedert 1200 n.C.
| 1.4 Klimaat |
Nederland bezit een gematigd regenklimaat, Cfb volgens de indeling van Köppen. Het temperatuurverloop in Nederland wordt vooral bepaald door de ligging ten opzichte van de zee. De jaarlijkse gang van de temperatuur is aan zee dan ook kleiner dan landinwaarts. De gemiddelde jaartemperatuur neemt van het noorden naar het zuiden gaand toe. De afstand tot de zee bepaalt ook in sterke mate de windsnelheid. Bovendien vertoont de windsnelheid een duidelijke jaarlijkse gang, terwijl de gemiddelde windsnelheid in het noorden van het land iets groter is dan in het zuiden. Dat bomen veelal naar het noordoosten hellen, hangt samen met de in het algemeen grotere snelheid waarmee lucht uit het zuidwesten wordt aangevoerd; in De Bilt bedraagt dit verschil ruim y m/s, in De Kooy, ongeveer 5 km ten zuid-zuidoosten van Den Helder, zelfs iets meer dan 2 m/s.
Het minimum van de neerslag valt in maart. Het maximum valt in het binnenland in de zomer, in de kustgebieden in het najaar. Daar valt de neerslag dan meestal in nachtelijke, van zee afkomstige buien. De zomerneerslag in het binnenland valt eveneens in hoofdzaak in de vorm van buien, maar overdag. Deze buien gaan veelal gepaard met onweer. Op ca. 100 dagen per jaar wordt ergens in Nederland onweer waargenomen met een maximum van zestien dagen in juli en augustus en een minimum van drie in december, januari en februari. In de wintermaanden komt regelmatig sneeuw voor. Echte hagel valt meest in de zomer. Motregen en mist zijn het meest frequent in najaar en winter. In De Bilt komt in de maanden oktober, november, december en januari gemiddeld op 22% van de dagen mist voor; in juli op slechts 5% van de dagen. Bovendien duurt de mist dan veel korter dan in najaar en winter.
Het algemene karakter van het weer in Nederland wordt bepaald door de heersende circulatie. De meest frequent voorkomende circulatietypen zijn de cyclonale westelijke circulatie (16%), waarbij regelmatig depressies ten noorden van Nederland naar het oosten trekken met veranderlijk, regenachtig weer, overheersend zuidwestelijke winden en gematigde temperaturen, en die waarbij zich een hogedrukgebied boven Midden-Europa bevindt, al dan niet in verbinding staande met het Azoren-hogedrukgebied (totaal 17%). Een hogedrukgebied boven Midden-Europa wordt gekenmerkt door een geringe windsnelheid, lage temperatuur in de wintermaanden en betrekkelijk hoge temperaturen in de zomer. De neerslag is gering, het aantal dagen met nevel en mist groot. Belangrijk is voorts het verband tussen de meteorologische omstandigheden en de luchtsoort waarin Nederland zich bevindt. Zo komen de hoogste temperaturen voor in juni en juli in continentaal-tropische lucht met een gemiddeld dagelijks maximum in De Bilt van 28 °C. In de drie wintermaanden vallen de laagste temperaturen wanneer Nederland zich in continentaal-polaire lucht bevindt. Het gemiddeld dagelijks maximum van de temperatuur blijft dan juist beneden het vriespunt.
| 1.5 Plantengroei |
De plantengroei weerspiegelt de variatie in en binnen de landschappen en is dan ook zeer gevarieerd. Zo geldt het duingebied langs de kust evenals het geheel van kwelders en begroeide strandvlakten als uniek in Europa. De grote laagveenmoerassen (Nieuwkoop, Vechtstreek, Noordwest-Overijssel, Friesland) vinden nergens in West- en Zuid-Europa een equivalent, evenals de door inpoldering ontstane Oostvaardersplassen in Flevoland. De in het oosten en zuiden gelegen stuwwallen, heiden, hoogvenen, vennen en loofbossen, rivierdalen, beken en bronnen kennen elk hun karakteristieke plantengroei. Ten slotte vindt men in het uiterste zuiden een plateaulandschap met in de dalen een rijke, ten dele aan kalk gebonden flora, die sterk van die van het overige land afwijkt. De verscheidenheid wordt nog versterkt door regionale klimaatverschillen, als gevolg waarvan het land een ontmoetingsgebied is van boreale, continentale, Atlantische en mediterraan-Atlantische plantensoorten. Daarenboven heeft de mens duizenden jaren lang landschap en plantengroei beïnvloed, en wel vooral door het bedrijven van een kleinschalige en gevarieerde landbouw. Bij wegvallen van de menselijke invloed zou het land, voor zover niet onder de zeespiegel verdwijnend, voor het overgrote deel begroeid raken met een klein aantal bosvegetatietypen, die nu, ten dele als resten van een oorspronkelijke begroeiing, nog aanwezig zijn. De mens heeft deze bossen echter in de loop der eeuwen geleidelijk vervangen door stabiele half-natuurlijke landschappen zoals heiden, blauwgraslanden en andere schraallanden, rietlanden en krijthellinggraslanden, en daarmee de verscheidenheid aan de plantengroei vergroot. Tot in de 20ste eeuw namen deze landschappen, thans teruggedrongen tot natuurreservaten, een veel groter oppervlak in beslag dan het cultuurland in engere zin (akkers e.d.). Belangrijke factoren in de verschraling van de plantengroei die in de 20ste eeuw plaatsvond, werden gevormd door enerzijds de bevolkingsgroei (met o.a. door de woningbouw veroorzaakte landhonger) en anderzijds de industrialisering en schaalvergroting (leidend tot o.m. milieuverontreiniging, wegenbouw, gebruik van herbiciden, enz.).
Plantengeografische districten:
1. Waddendistrict. Dit omvat de kalkarme duinen van de Noordzee-eilanden en ten noorden van Bergen (N.-H.). De kustduinflora komt ongeveer overeen met die van het Duindistrict en wordt gekenmerkt door o.a. zandhaver, zeewinde en blauwe zeedistel. De binnenduinflora heeft eveneens bepaalde soorten met het Duindistrict gemeen, zoals duinroos, knopbies en duindoorn, maar verschilt ervan: negatief door het ontbreken van vele continentale, in Nederland min of meer aan kalk gebonden soorten en m.n. door de armoede aan struwelen; positief door de duinheidevegetaties met struikheide en voorts zowel Atlantische (gewone dopheide, stekelbrem) als continentale (verfbrem) en boreale (kraaiheide, rijsbes, berendruif) soorten.
2. Duindistrict. Dit onderscheidt zich van het vorige in het binnenduin door aan kalk gebonden soorten, die ten dele ook langs de rivieren en in Zuid-Limburg voorkomen. Zij behoren enerzijds tot de struweelformatie, bijv. wilde liguster, zuurbes, wegedoorn, egelantier, kardinaalsmuts, anderzijds tot droge graslanden en zoomvegetaties, zoals driedistel, kleine steentijm, ruig viooltje en nachtsilene. Bovendien wijzen allerlei soorten op een warmer klimaat dan in het Waddendistrict.
3. Fluviatiel district. Dit omvat gebieden langs de grote rivieren, op de Zuid-Hollandse eilanden en in Zeeland. Kenmerkend zijn een paar honderd Midden-Europese, veelal aan kalkrijk, droog zand, kalkrijke klei of aan overstromende oevers gebonden soorten, bijv. weidesalie, cypreswolfsmelk, akkerklokje, marjolein, kleine ruit, Engelse alant, genadekruid, polei, grote engelwortel.
4. Hafdistrict. Dit omvat het Holocene gedeelte van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen, voor zover niet tot een van de drie hiervoor genoemde districten behorend. De rivierinvloed ontbreekt, ook in de oude rivierlopen. Plassen en moerassen met voedselrijk, ten dele zwak brak water en een karakteristieke plantengroei wisselen af met het overigens geheel en intensief in cultuur gebrachte polderland. Enkele voor het Hafdistrict kenmerkende soorten zijn: moeraswolfsmelk, moeraslathyrus, groot nimfkruid en veenreukgras. Een aantal kenmerkende soorten van eutrofe moerassen zijn gemeenschappelijk aan het Hafdistrict en de wielen en oude rivierlopen in het Fluviatiel district: watergentiaan, gewoon blaasjeskruid, slangenwortel en fonteinkruidsoorten.
5. Drents district. Evenals bij de twee hierna genoemde districten zijn de heiden en de bijna verdwenen hoogvenen het meest kenmerkend. Hierin en in de bossen en moerassen zijn van belang enerzijds Atlantische soorten als gewone dopheide, brem, hulst en rankende helmbloem, anderzijds noordelijke soorten als kraaiheide, wolverlei, zevenster, Linnaeusklokje, Zweedse kornoelje en Noordse zegge.
6. Gelders district. De noordelijke invloed is geringer dan in het laatstgenoemde, de fluviatiele daarentegen groter. De kleine wolfsklauw heeft in dit district zijn optimum; kleine schorseneer en heidezegge zijn ertoe beperkt.
7. Kempens district. Het grootste deel van Noord-Brabant en een deel van Limburg. De noordelijke soorten ontbreken of zijn zeer schaars. De heiden zijn opvallend arm, de bossen en beekdalen daarentegen rijk aan soorten. Kenmerkend zijn o.a. knolsteenbreek, kruipende waterweegbree en een aantal thans geheel of nagenoeg verdelgde soorten, bijv. kranskarwij.
8. Vlaams district: een klein deel van Zeeuws-Vlaanderen met heiden en loofbosrestanten op zandgrond, aansluitend bij een groter gebied in België.
9. Subcentreuroop district: een deel van Oost-Twente, voorts de Achterhoek, het Rijk van Nijmegen en Oost-Limburg. Het continentaler klimaat weerspiegelt zich in een rijkere Midden-Europese flora, vooral in de loofbossen, waarvan vele soorten overigens ook in de beide hierna genoemde districten voorkomen. Te noemen zijn o.a. taxus, zoete kers, zwarte rapunzel, gele dovenetel, heelkruid, kleine maagdenpalm en goudveilsoorten.
10. Lössdistrict. Dit sluit aan bij een groter gebied in België en Duitsland; hier te lande is het sterk in cultuur gebracht. Er zijn vrij veel kalkaanwijzende planten, doch minder dan in Duin- en Krijtdistrict.
11. Krijtdistrict. Dit wijkt sterk af van het overige deel van het land door een meer continentaal tot submontaan klimaat (van Maastricht tot Vaals gaat men van het gebied met de laagste tot dat met de hoogste neerslag in Nederland]) en een plaatselijk kalkrijke bodem. Er zijn veel soorten gemeenschappelijk met het Fluviatiel district en vrij veel met Duin-, Löss- en Subcentreuroop district, doch ook tal van (binnen Nederland) eigen of er optimale soorten, o.a. maretak, peperboompje, christoffelkruid, lievevrouwebedstro, witte veldbies, franjegentiaan en 13 soorten orchideeën.
| 1.6 Dierenwereld |
De dierenwereld bestaat enerzijds uit een betrekkelijk arme dierenwereld op het Holocene gedeelte en anderzijds uit uitlopers van de Midden-Europese dierenwereld op het Pleistocene deel. Het Holocene (dus jongste) gebied is bovendien sterk verstedelijkt; dit nieuwe land werd pas na de IJstijden vanuit het oosten en zuiden door dieren bevolkt, afgezien van enkele al aanwezige glaciale relicten (elementen die vermoedelijk ook tijdens de glaciatie het land bewoonden, o.a. bepaalde waterkevers).
Het landschap heeft sterk de invloed van de mens ondervonden; werkelijk natuurlijke landschappen komen nog maar zeer sporadisch voor en dan als regel nog op zeer kleine schaal. De urbanisatie gaf berg- en rotsbewoners gelegenheid tot stadsbewoners te worden (zwarte roodstaart, gierzwaluw, e.a.); ingrijpende inpolderingen (vooral die van de Zuiderzee en de Deltawerken) deden het zoetwatermilieu ten dele in oppervlak toenemen (wat o.a. de zoetwaterfauna ten goede kwam), maar beïnvloedden ook weer de Waddenzee in minder positieve zin. De monocultures van akker-, weide- en bosbouw trokken bepaalde, later soms massaal schadelijke, dieren aan en deden andere verdwijnen. De grootste problemen van recentere perioden zijn die van de milieuverontreiniging die sterk bijgedragen heeft tot verarming van de fauna, niet in de laatste plaats die van het zoete water.
Merkwaardig genoeg is naast het verdwijnen van een aantal diersoorten ook het opkomen van andere te constateren (o.a. Turkse tortel, pas sinds 1950 broedvogel, thans in geheel Nederland massaal verspreid; merel, grote lijster, Europese kanarie en zwarte specht breidden hun areaal aanzienlijk uit). Door de mens beschermde of weer uitgezette soorten begonnen aan een (nieuwe of hernieuwde) expansie (grauwe gans, kwak, havik, raaf, edelhert, ree, wild zwijn e.a.). Andere soorten kunnen zich slechts marginaal handhaven (das, marters e.a.). Daarnaast kent men uiteraard soorten die moesten verdwijnen toen de bevolking begon toe te nemen en het land in cultuur werd gebracht, wat meestal met ontbossing gepaard ging: oeros, bruine beer, wolf, wilde kat, bever, enz. De bever werd in 1988 heringevoerd (Biesbosch). Al of niet opzettelijk ingevoerde dieren konden vaak vaste voet aan de grond krijgen (o.a. konijn, muskusrat, fazant, snoekbaars, Chinese wolhandkrab, slipper of muiltje) of zich met enige moeite op een beperkt gebied handhaven (moeflon, damhert, beverrat, e.a.). De ondiepe kustwateren van de Noordzee en de Waddenzee huisvesten een betrekkelijk soortenarme fauna, waarbij echter de individuenrijkdom enorm kan zijn. De Waddenzee is van eminent belang als broedplaats van talloze mariene organismen. Van de zoogdieren zijn te noemen de plaatselijk in voortbestaan bedreigde zeehond (in 1988 sterk gedecimeerd door een virusziekte in de Waddenzee) en de bruinvis.
De fauna van Nederland behoort tot die van de West-Europese provincie van de Palaearctische Regio; het is goeddeels een dierenwereld van de laagvlakte, alleen in Zuid-Limburg dringen via de Ardennen Midden-Europese (berg)elementen door – in dit oude landschap leven talrijke diersoorten die elders in Nederland niet voorkomen (de meeste soorten weliswaar zeldzaam en vaak plaatselijk bedreigd in hun voortbestaan): hamster, eikelmuis, muurhagedis, vuurpad, vroedmeesterpad, beekforel, wijngaardslak e.a. Bovendien is Zuid-Limburg van groot belang door de al of niet natuurlijke grotten die de overwinterende vleermuizen huisvesting verschaffen. De Nederlandse fauna kent waarschijnlijk geen endemische soorten. De fauna geniet veelzijdige wettelijke bescherming (zie beschermde diersoorten); tevens kent Nederland een uitgebreid netwerk van natuurreservaten en andere beschermde gebieden.