| Nederland | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Bestuur en samenleving |
| 3.1 Bestuur |
Nederland is formeel een constitutionele, erfelijke monarchie. De scheiding van de machten is in grote trekken geregeld in de Grondwet. Naar een op de staatsrechtelijke praktijk afgestemd criterium is het land te kenschetsen als een parlementaire democratie. De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. Nederland is uit ander oogpunt een – zowel territoriaal als functioneel – gedecentraliseerde eenheidsstaat waarin aan provincies en gemeenten als gewestelijke en plaatselijke democratieën, evenals aan openbare lichamen van beroep en bedrijf, een eigen wetgevende en bestuursmacht is toevertrouwd. Verschillende vormen van toezicht verzekeren dat de eenheid van de staat bij dit stelsel van decentralisatie niet wordt verbroken.
De wetgevende macht wordt uitgeoefend door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. De beide Kamers van de Staten-Generaal (de Eerste en de Tweede Kamer) vertegenwoordigen het Nederlandse volk. In de Grondwet is zowel het principe van algemeen kiesrecht als van evenredige vertegenwoordiging vastgelegd. De grenzen van de wetgevende macht zijn slechts gegeven door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Grondwet en verdragen.
De uitvoerende macht (beter: bestuursmacht of regeermacht) berust bij de Koning en concentreert zich bij de ministers die hoofd zijn van ministeriële departementen, waarover het gehele centrale rijksbestuur is verdeeld. Als algemeen adviesorgaan voor de Koning treedt op de Raad van State.
De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door onafhankelijke rechters, door de Koning voor het leven benoemd.
| 3.2 Bestuurlijke indeling |
Nederland is verdeeld in twaalf provincies en 467 gemeenten (2006). De provincies worden bestuurd door Provinciale Staten, gekozen door de ingezetenen; uit hun midden kiezen zij een dagelijks bestuur, de Gedeputeerde Staten. Voorzitter van Provinciale en van Gedeputeerde Staten is de door de Kroon benoemde Commissaris der Koningin. Aan het hoofd van de gemeenten staat de gemeenteraad, onder voorzitterschap van een door de Kroon benoemde burgemeester, die samen met de wethouders (door de raad gekozen) het dagelijks bestuur vormt.
| 3.3 Politieke partijen en vakbonden |
Van groot belang voor het Nederlands politiek bestel zijn de politieke partijen. Alle in de Staten Generaal vertegenwoordigde partijen dateren van na de Tweede Wereldoorlog. De meeste zijn echter een voortzetting van de vooroorlogse politieke partijen of stromingen. Tot medio jaren zeventig waren de drie belangrijkste levensbeschouwelijke stromingen in Nederland: de confessionele, de socialistische en de liberale (zie ook verzuiling). Als gevolg van een complex van oorzaken verloren deze levensbeschouwingen aan inspiratiekracht, maar de erop gebaseerde politieke partijen wisten zich door samenvoegingen en koersveranderingen grotendeels te handhaven.
Het Christen-Democratisch Appèl (CDA), sedert 1977 een samenvoeging van Katholieke Volkspartij (KVP), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk-Historische Unie (CHU), trok aanvankelijk de kiezers van confessionele huize, maar sinds de tweede helft van de jaren tachtig wist de partij ook niet kerkelijk gebonden kiezers aan te trekken doordat zij meer afstand nam van de kerken en de confessionele organisaties en positie koos ter rechterzijde van het politieke midden. In 1994 belandden de confessionelen in de oppositie, na decennialange deelname aan de regering.
De sociaal-democratische Partij van de Arbeid (PvdA), sedert de Tweede Wereldoorlog meer malen de coalitiepartner van de confessionelen, smeedde in 1994 voor het eerst sinds 1919 een niet-confessionele, zgn. ‘Paarse’, coalitie met de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en Democraten 66 (D66). Deze laatste partij, in 1966 opgericht om het bestaande politieke bestel op te blazen, ontwikkelde zich in de loop van de tijd steeds meer tot een gevestigde partij en maakte vooral in de tweede helft van de jaren tachtig een spectaculaire groei door. Eind jaren tachtig ontstond een nieuwe groepering, Groen Links; zij was het resultaat van een samengaan van een aantal kleine linkse partijen, t.w. Communistische Partij van Nederland (CPN), Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), Evangelische Volkspartij (EVP) en de Politieke Partij Radikalen (PPR). Los daarvan staat, eveneens ter linkerzijde, de Socialistische Partij (SP). Daarnaast zijn enkele kleine politieke partijen ter rechterzijde van het politieke midden blijven bestaan t.w. de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en de Reformatorische Politieke Federatie (RPF). De laatste twee partijen fuseerden in 2000 tot ChristenUnie.
Naast de landelijk opererende partijen zijn met name op gemeentelijk niveau veel lokale partijen en belangenbehartigingsorganisaties actief. In de jaren negentig ontstond hierbinnen een aparte categorie, de ‘leefbaren’, die zich veelal op een omstreden lokaal onderwerp richtten en zich in het algemeen afzetten tegen de gevestigde partijen. De eerste hiervan, Leefbaar Utrecht, behaalde onmiddellijk een groot aantal raadszetels, in 2002 gevolgd door o.a. Leefbaar Rotterdam en Leefbaar Almere. Vanuit deze lokale partijen werd in 2001 Leefbaar Nederland opgericht, waarvan de beoogd lijsttrekker (Pim Fortuyn) in 2002 opstapte en een eigen partij oprichtte voor de Kamerverkiezingen: de Lijst Pim Fortuyn.
Na de verkiezingen van 22 januari 2003 waren de in totaal 150 zetels in de Tweede Kamer als volgt verdeeld: Christen-Democratisch Appèl (CDA) 44, Partij van de Arbeid (PvdA) 42, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) 28, Socialistische Partij (SP) 9, Lijst Pim Fortuyn (LPF) 8, GroenLinks 8, Democraten 66 (D66) 6, ChristenUnie 3, Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) 2.
| 3.4 Werkgevers- en werknemersorganisaties |
De in Nederland bestaande werkgevers- en werknemersorganisaties zijn o.a. als gesprekspartners van de overheid op velerlei niveaus ingeschakeld (Sociaal Economische Raad [SER], Stichting van de Arbeid, enz.). Zij nemen daarbij een maatschappelijke positie in die zeker wat de vakbonden betreft, niet gerechtvaardigd wordt door hun ledenaantal. De belangrijkste werknemersorganisatie is de Federatie Nederlandse Vakbeweging, in 1976 ontstaan uit een samengaan van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Daarnaast bestaat het Chistelijk Nationaal Vakverbond (CNV) en de centrales voor middelbaar en hoger personeel. Met een organisatiegraad van ca. 30% behoort de Nederlandse vakbeweging tot een van de kleinste van West-Europa. Zie ook poldermodel.
De belangrijkste werkgeversorganisaties zijn: VNO-NCW (in 1995 ontstaan uit het samengaan van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) met het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW)), en de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland, de fusie (1995) van het Koninklijk Nederlands Verbond van Ondernemingen (KNVO) en het Nederlands Christelijk Ondernemersverbond (NCOV).
| 3.5 Lidmaatschap van internationale organisaties |
Nederland behoort tot de leden-oprichters van de Verenigde Naties en is aangesloten bij alle gespecialiseerde organisaties daarvan. Sedert 1944 werkt Nederland met België en Luxemburg samen in de Benelux. Voorts maakt Nederland van de oprichting af deel uit van de West-Europese Unie (WEU), de Raad van Europa, de Europese Unie en haar voorlopers, de OESO, de Wereldhandelsorganisatie en van de NAVO.