nationaalsocialisme
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
nationaalsocialisme
3. Het nationaalsocialisme tot aan de machtsovername (1919-1933)

Op 5 januari 1919 richtte een aantal teleurgestelde nationalisten de Deutsche Arbeiterpartei op. Leidende figuren daarin waren de schrijver Karl Harrer en de smid Anton Drexler. Adolf Hitler trad na enige tijd tot het bestuur toe en domineerde daarin dermate dat hij in juli 1921 officieel voorzitter werd. Hij veranderde de naam in Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) en organiseerde de partij volgens het leidersbeginsel. In 1922 riep hij de Sturmabteilungen (SA) in het leven, een in bruine hemden gestoken partijmilitie. In 1925 ontstond als onderdeel van de SA de Schutzstaffel (SS), oorspronkelijk bedoeld als lijfwacht voor Hitler. Het sociaal-radicale partijprogram kwam in 1920 tot stand onder het geestelijke vaderschap van Gottfried Feder.

Door in de propaganda steeds maar te hameren op de schande van het ‘dictaat van Versailles’ (de vredesovereenkomst na de Eerste Wereldoorlog, zie Verdragen van Versailles) lokte Hitler duizenden aanhangers naar de NSDAP. In november 1923 werd de partij echter verboden na de op 8 november 1923 door Hitler beraamde maar mislukte putsch tegen de Beierse regering. Hitler werd toen tot gevangenisstraf veroordeeld, schreef tijdens zijn gevangenschap het eerste deel van Mein Kampf, kwam in december 1924 weer vrij en richtte in februari 1925 de NSDAP opnieuw op. Als gevolg van het rustiger politieke klimaat en de verbeterde economische situatie in de jaren twintig, groeide de partij maar langzaam. Maar in 1930, vlak na het uitbreken van de economische depressie, rook zij haar kansen. In september maakte de partij bij de Rijksdagverkiezingen een sprong van 12 naar 107 zetels. Samenwerking met andere partijen was nodig. In oktober 1931 ging de NSDAP in het zgn. Harzburger Front samenwerken met de Duits-nationalen van Alfred Hugenberg en de oudstrijdersorganisatie Stahlhelm.

Hitlers kandidatuur voor het rijkspresidentschap in 1932 werd echter door het samenwerkingsverband niet in meerderheid gesteund. Paul von Hindenburg werd in dat jaar herkozen als president. Kort daarna werd na een kabinetscrisis de Rijksdag ontbonden. Bij de nieuwe verkiezingen behaalde de NSDAP 230 zetels. Daarmee werd zij de grootste partij. Een van de voormannen van de partij, Hermann Göring, werd Rijksdagvoorzitter. Onderhandelingen tussen de nazi’s en de regering over deelname van de NSDAP aan de regering stuitten af op Hitlers onwrikbare eis dat hijzelf aan het hoofd van de regering moest staan. Zonder zijn medewerking was Duitsland inmiddels onregeerbaar geworden, omdat de NSDAP samen met de communisten de meerderheid bezat. In november 1932 werd de Rijksdag opnieuw ontbonden en kwam de NSDAP na verkiezingen terug met 196 zetels, een teruggang, maar de situatie veranderde daardoor niet. Het optreden van Kurt von Schleicher als rijkskanselier bleek een mislukking en bij regionale verkiezingen bleek Hitlers aanhang weer toe te nemen. Von Hindenburg en diens adviseur Franz von Papen besloten daarom Hitler tot rijkskanselier te benoemen. Op 30 januari 1933 zag daarmee het door de nazi's fel begeerde Derde Rijk het levenslicht.