| Zoekweergave | nationaalsocialisme | Terug |
| Introductie |
nationaalsocialisme, de naam van een aan het fascisme verwante politieke beweging in Duitsland, die na de Eerste Wereldoorlog onder leiding van Adolf Hitler tot ontwikkeling is gekomen. De aanhangers ervan worden nationaalsocialisten of, in de Duitse afkorting, nazi's genoemd.
| 1. Karakter |
Het nationaalsocialisme is geen ideologie die vanuit één centrale doctrine is ontwikkeld. Het is eerder een combinatie van verschillende, deels conservatieve, deels radicale elementen, waarvan de betekenis in haar onderlinge verhouding steeds veranderde. Nationalisme en socialisme waren machtige leuzen die de massa’s in beweging konden brengen. Door die te combineren, kon een explosieve kracht worden ontketend, zo moet de jonge Adolf Hitler hebben ontdekt. Het nationalisme stond daarbij voorop. Het socialistische element beloofde de industriearbeiders in de natiestaat te integreren en hun een gelijkwaardige positie in het vooruitzicht te stellen. Bestrijding van het communisme en het internationaal georiënteerde socialisme ging hand in hand met bestrijding van het liberalisme en de parlementaire democratie. In wezen was het nationaalsocialisme dan ook een bundeling van anti-ideologieën, een protest tegen de burgerlijke samenleving en tegen oudere niet-nationalistische revolutionaire bewegingen.
Het agressieve antikarakter van het nationaalsocialisme was zowel aantrekkelijk voor ontwortelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog als voor kleine middenstanders en anderen die zich in de naoorlogse chaos sociaal, economisch of cultureel bedreigd voelden. Wat deze groepen verbond, was de gemeenschappelijke frustratie over de verloren oorlog en het opgelegde Vredesverdrag van Versailles, waaruit de voor talrijke Duitsers onaanvaardbare Weimar-Republiek was voortgekomen. Een extreem nationalistische machtspolitiek, zoals gepropageerd door de nationaalsocialisten, leek de oplossing.
| 2. Ideologie |
Het nationalisme van de nazi's bouwde voort op romantisch-nationalistische stromingen uit de 19de eeuw en de biologische rassentheorieën van Houston Stewart Chamberlain en Joseph Arthur de Gobineau. Zij zagen het volk als een op bloedbanden gebaseerde mythische eenheid, onverbrekelijk verbonden met het land (Blut und Boden). In het onderscheid tussen hogere en lagere rassen werd het Arische ras (zie Ariërs) als het enige cultuurscheppende beschouwd. De historische zending van Duitsland was om dit ras in een overheersersrol te brengen. In Der Mythus des 20. Jahrhunderts trachtte Alfred Rosenberg deze ideeën tot een filosofisch systeem te ontwikkelen.
Gebaseerd op een versimpelde uitleg van Darwins Survival of the fittest, predikte het nationaalsocialisme een rassenstrijd tussen Übermenschen en Untermenschen, tussen Ariërs en niet-Ariërs, waarvan het ‘joodse ras’ de laagste soort was. Een fel antisemitisme werd vanaf het begin aangehangen en bleek voorbode van de uitroeiing van ca. 6 miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Van de Italiaanse fascisten, die een sterk ontwikkeld gevoel demonstreerden voor show en propaganda, namen de vroege nazi’s diverse symbolen en gedragslijnen over, zoals het veelvuldige gebruik van geweld om politieke tegenstanders te intimideren, het zingen van liederen, het ritueel groeten van de partijvlag, de fascistengroet (Hitlergroet; rechter arm gestrekt schuin omhoog), geüniformeerde parades en het voortdurend hameren op het grootse eigen nationale verleden. Nationaalsocialisme deed net als het fascisme een beroep op het gevoel, niet op het verstand. Dit bleek ook uit het leiderbeginsel, wat duidelijk tot uitdrukking kwam in de term Der Führer, waarmee het eenhoofdige leiderschap werd geaccentueerd. Lagere besturen werden niet gekozen, maar van bovenaf benoemd. Het nationaalsocialisme nam als symbool het hakenkruis. De partijvlag was een rood veld met, in een witte cirkel, een zwart hakenkruis.
De buitenlandse politiek van de nazi's richtte zich aanvankelijk op de vereniging van alle Duitsers in één rijk. Later streefde men in bondgenootschap met Italië en Japan naar de verdeling van de wereld en de onderwerping van gebieden.
| 3. Het nationaalsocialisme tot aan de machtsovername (1919-1933) |
Op 5 januari 1919 richtte een aantal teleurgestelde nationalisten de Deutsche Arbeiterpartei op. Leidende figuren daarin waren de schrijver Karl Harrer en de smid Anton Drexler. Adolf Hitler trad na enige tijd tot het bestuur toe en domineerde daarin dermate dat hij in juli 1921 officieel voorzitter werd. Hij veranderde de naam in Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) en organiseerde de partij volgens het leidersbeginsel. In 1922 riep hij de Sturmabteilungen (SA) in het leven, een in bruine hemden gestoken partijmilitie. In 1925 ontstond als onderdeel van de SA de Schutzstaffel (SS), oorspronkelijk bedoeld als lijfwacht voor Hitler. Het sociaal-radicale partijprogram kwam in 1920 tot stand onder het geestelijke vaderschap van Gottfried Feder.
Door in de propaganda steeds maar te hameren op de schande van het ‘dictaat van Versailles’ (de vredesovereenkomst na de Eerste Wereldoorlog, zie Verdragen van Versailles) lokte Hitler duizenden aanhangers naar de NSDAP. In november 1923 werd de partij echter verboden na de op 8 november 1923 door Hitler beraamde maar mislukte putsch tegen de Beierse regering. Hitler werd toen tot gevangenisstraf veroordeeld, schreef tijdens zijn gevangenschap het eerste deel van Mein Kampf, kwam in december 1924 weer vrij en richtte in februari 1925 de NSDAP opnieuw op. Als gevolg van het rustiger politieke klimaat en de verbeterde economische situatie in de jaren twintig, groeide de partij maar langzaam. Maar in 1930, vlak na het uitbreken van de economische depressie, rook zij haar kansen. In september maakte de partij bij de Rijksdagverkiezingen een sprong van 12 naar 107 zetels. Samenwerking met andere partijen was nodig. In oktober 1931 ging de NSDAP in het zgn. Harzburger Front samenwerken met de Duits-nationalen van Alfred Hugenberg en de oudstrijdersorganisatie Stahlhelm.
Hitlers kandidatuur voor het rijkspresidentschap in 1932 werd echter door het samenwerkingsverband niet in meerderheid gesteund. Paul von Hindenburg werd in dat jaar herkozen als president. Kort daarna werd na een kabinetscrisis de Rijksdag ontbonden. Bij de nieuwe verkiezingen behaalde de NSDAP 230 zetels. Daarmee werd zij de grootste partij. Een van de voormannen van de partij, Hermann Göring, werd Rijksdagvoorzitter. Onderhandelingen tussen de nazi’s en de regering over deelname van de NSDAP aan de regering stuitten af op Hitlers onwrikbare eis dat hijzelf aan het hoofd van de regering moest staan. Zonder zijn medewerking was Duitsland inmiddels onregeerbaar geworden, omdat de NSDAP samen met de communisten de meerderheid bezat. In november 1932 werd de Rijksdag opnieuw ontbonden en kwam de NSDAP na verkiezingen terug met 196 zetels, een teruggang, maar de situatie veranderde daardoor niet. Het optreden van Kurt von Schleicher als rijkskanselier bleek een mislukking en bij regionale verkiezingen bleek Hitlers aanhang weer toe te nemen. Von Hindenburg en diens adviseur Franz von Papen besloten daarom Hitler tot rijkskanselier te benoemen. Op 30 januari 1933 zag daarmee het door de nazi's fel begeerde Derde Rijk het levenslicht.
| 4. Het Derde Rijk (1933-1945) |
Het nieuwe coalitiekabinet bestond uit slechts drie nazi’s (o.a. Hitler) en verder uit Duits-nationalen en onafhankelijke conservatieven. Een van de eerste daden was het ontbinden van de Rijksdag. Tijdens de verkiezingscampagne brak brand uit in het Rijksdaggebouw (zie Rijksdagbrand), waarna de verkiezingen een ruime meerderheid voor nationaalsocialisten en Duits-nationalen te zien gaven. De communisten kregen de schuld van de brand en werden uit de Rijksdag gesloten. De Rijksdag nam op 23 maart, met slechts de 84 stemmen van de sociaaldemocraten tegen, de Machtigingswet aan (‘Gesetz zur Behebung der Not von Volk und Reich’): voor vier jaar werden dictatoriale volmachten aan de regering toegekend. Van deze bevoegdheden maakte zij meteen gebruik door de soevereiniteit van de Länder (Bundesländer; provincies) over te hevelen naar het rijk. In de Länder werden op alle niveaus nationaalsocialistische functionarissen aangesteld.
| 4.1 Uitschakeling van de oppositie |
Tevens werd elke oppositie uitgeschakeld door de Gleichschaltung, de gelijkschakeling: het op één politieke (nationaalsocialistische) lijn brengen van alle maatschappelijke sectoren, zoals de politieke partijen, de vakbonden en de vrije pers. De gelijkschakeling rekende af met democratische vrijheden en maakte de weg vrij voor de invoering van eenheidsorganisaties die 'de kracht van het volk’ moesten bundelen. Communisten, sociaaldemocraten en pacifisten werden in concentratiekampen opgesloten, vakbonden werden in het Arbeidsfront opgenomen en marxistische partijen (zie marxisme) ontbonden. Het hele staatsleven werd doordrongen van de invloed van de partij. Een belangrijke benoeming was die van Joseph Goebbels tot minister van Volksvoorlichting en Propaganda. In het kader van die propaganda voor de partij werden jaarlijks te Neurenberg Partijdagen gehouden, massabijeenkomsten met veel militair vertoon en vlammende redevoeringen. De partij sloot de gelederen in principe voor nieuwe leden om zodoende een elite te vormen; jongeren werden nog wel toegelaten tot de in 1926 opgerichte Hitlerjugend (met als vrouwelijke pendant de Bund deutscher Mädel). In december 1936 werd dat lidmaatschap verplicht gesteld.
De uitschakeling van de joden uit de maatschappij begon, via een boycot van joodse winkels, onsystematische pogroms en een numerus fixus voor studenten en beoefenaars van vrije beroepen (zie ook Ariërparagraaf), maar culmineerde in de Neurenberger wetten van september 1935, waardoor joden en andere ‘niet-Ariërs’ hun staatsburgerschap verloren en gemengde huwelijken werden verboden.
In de NSDAP voltrok zich inmiddels een scheiding tussen hen voor wie het nationalisme op de eerste plaats kwam, en hen die socialistische ideeën vooropstelden (o.a. de gebroeders Otto en Gregor Strasser en vele SA-leiders). Hitler had na de machtsovername al te drastische sociale hervormingen achterwege gelaten, omdat hij zijn oude contacten wilde uitbreiden met groot-industriëlen en bankmagnaten, die in hem een bondgenoot tegen het communisme zagen. Hij maakte op 30 juni 1934 een einde aan deze ‘linkse’ oppositie binnen de NSDAP. Met de hulp van de Reichswehr en de SS werd deze radicale beweging die broeide in de top van de SA, bloedig het zwijgen opgelegd. Velen werden gefusilleerd of pleegden zelfmoord, onder wie Ernst Röhm, Gregor Strasser en oud-kanselier Kurt von Schleicher.
| 4.2 Hitlers alleenheerschappij |
Hitlers positie was onaantastbaar geworden, wat ertoe leidde dat hij zich na Hindenburgs dood (2 augustus 1934) tot staatshoofd van het Duitse Rijk liet uitroepen en de officieren een eed op zijn persoon liet afleggen. Hij combineerde de functies van kanselier en president (vanaf 1938 ook die van opperbevelhebber van het leger) en liet zich officieel met Führer aanspreken. Van toen af werden wetten niet meer door het kabinet, maar door Hitler persoonlijk uitgevaardigd. De Rijksdag mocht hooguit zijn beslissingen achteraf sanctioneren. Zeer belangrijke besluiten werden voortaan door volksstemmingen bekrachtigd; de nazi's zorgden ervoor dat een overgrote meerderheid van de stemmen ‘vóór’ werd uitgebracht. Officieren legden in het openbaar een eed van trouw af aan Hitler persoonlijk. De alleenheerschappij werd verzekerd door de SS en de Geheime Staatspolizei (Gestapo), beide onder leiding van Heinrich Himmler, die in 1936 aan het hoofd van de gehele Duitse politie kwam te staan. Alle hoge politiefuncties werden door SS’ers bezet, die elke tegenstand tegen het regime onderdrukten. Concentratiekampen en door nazi's bevolkte ‘Volksgerichte’ stonden daar borg voor.
| 4.3 Rol van de kerken |
Van een gesloten verzet van de kerken tegen het nationaalsocialisme was geen sprake, al wekte het streven van vele nazi's aan het christendom een Germaans karakter te geven door het Oude Testament te schrappen en het Nieuwe Testament van ‘joodse smetten’ te zuiveren, wel weerstand. Organisatorisch vond dit streven vorm in de Glaubensbewegung deutscher Christen, die een tegenactie uitlokte van de kant van de Pfarrernotbund onder leiding van Martin Niemöller, Karl Barth e.a., waaruit de Bekennende Kirche voortkwam. In maart 1933 hief de Rooms-Katholieke Kerk haar aanvankelijke verbod op het lidmaatschap van de NSDAP op en in juli 1933 sloot Duitsland een concordaat met de Heilige Stoel. Tegen de kerken traden de leiders van het Derde Rijk vrij gematigd op om grote groepen van het Duitse volk niet tegen zich in het harnas te jagen.
| 4.4 Economische politiek |
Het nationaalsocialisme moest met een economisch catastrofale toestand afrekenen toen het regeringsmacht kreeg. Duitsland leed onder een nijpend gebrek aan deviezen, vnl. veroorzaakt door het wegtrekken van buitenlandse kredieten. Er waren ca. 6,5 miljoen werklozen. Onder de bekwame leiding van Rijksbankpresident en minister van Economische Zaken Hjalmar Schacht werd een stelsel van straffe deviezencontrole opgebouwd. De staat stimuleerde het economische leven via grote openbare werken, zoals de aanleg van Reichsautobahnen, Hitlers paradepaardje, dat sterk strategische bijbedoelingen had. Het aantal werklozen daalde snel en verdween ten slotte geheel, terwijl de productie en het nationale inkomen spectaculair stegen. Reële welvaartsverhoging bracht dit alles niet als gevolg van de geforceerde bewapeningspolitiek, die vooral sinds 1936 werd gevoerd in het kader van een economisch vierjarenplan, dat van Duitsland ‘wehrwirtschaftlich’ onaantastbaar moest maken. Onder het motto van bewapeningsminister Hermann Göring, ‘Kanone statt Butter!’ werd alle productiecapaciteit die niet voorzag in elementaire behoeften van de bevolking, ingeschakeld voor de productie van wapens, kapitaalgoederen en synthetische grondstoffen. Eind jaren dertig heerste een stemming van verbaasde dankbaarheid voor de economische prestaties van het regime. ‘Hitler heeft misschien zijn gebreken, maar hij heeft ons weer arbeid en brood gegeven’, zo luidde de mening van miljoenen, onder wie ook veel voormalige aanhangers van de socialisten en de communisten. Economisch was Duitsland bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog beter op de gebeurtenissen voorbereid dan zijn tegenstanders.
| 4.5 Buitenlandse politiek |
De buitenlandse politiek van de nationaalsocialistische regering was aanvankelijk voorzichtig, want Duitsland was militair machteloos en omringd door potentiële vijanden. Het fascistische Italië kwam als enige staat in aanmerking voor een bondgenootschap, maar met Polen werd op 26 januari 1934 voor tien jaar een non-agressiepact gesloten, evenwel zonder dat Duitsland zijn aanspraken op herstel van de oude oostgrens opgaf. Pogingen voor Duitsland militair en politiek gelijkberechtiging te verkrijgen via overleg, o.m. op de Ontwapeningsconferentie te Genève, stuitten af op het wantrouwen van Frankrijk. Hitlers antwoord was de bekendmaking dat Duitsland op 14 oktober 1933 de Volkenbond én de Ontwapeningsconferentie verliet.
In 1934 brak er in Oostenrijk een opstand uit tegen de klerikaal getinte regering-Dollfuss. Deze opstand was door de Oostenrijkse nazi’s georganiseerd. Hoewel de opstand tot diens dood leidde, werden pogingen van Duitse zijde verijdeld om de opstandelingen te hulp te komen: Italiaanse troepen rukten op naar de Brennerpas. Oostenrijkse regeringstroepen bleven de situatie meester en de verhouding tussen de toekomstige As-mogendheden Italië en Duitsland was enkele jaren vertroebeld.
Meer succes had het Derde Rijk bij de in januari 1935 gehouden volksstemming in het Saargebied; ruim 90 procent sprak zich uit voor terugkeer van het Saargebied onder Duits bestuur.
Op 16 maart 1935 kondigde Hitler de invoering van de algemene dienstplicht en de oprichting van een luchtmacht aan. Slechts papieren protesten werden hier tegenin gebracht door de voormalige overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog. Groot-Brittannië sloot in juni 1935 zelfs een vlootverdrag met Duitsland. Op 7 maart 1936 rukten Hitlers troepen het gedemilitariseerde Rijnland binnen en ook ditmaal legde het Westen zich neer bij een schending van het Verdrag van Versailles.
Op 25 oktober 1936 sloot Duitsland met Italië een vriendschapsverdrag, de As Berlijn-Rome (As-mogendheden). Een maand later sloten de As-mogendheden met Japan het Anti-Kominternpact en verbonden zij zich om overal ter wereld het bolsjevisme te bestrijden. In de praktijk gebeurde dat reeds in de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), waarin Duitsland en Italië krachtdadig de nationalisten steunden. Mede daardoor kwam in Spanje het met de As bevriende regime van Francisco Franco aan de macht.
| 4.6 Aanloop tot de Tweede Wereldoorlog |
Begin 1938 nam Hitler zelf het opperbevel van de Wehrmacht op zich, verving de minister van Buitenlandse Zaken, Konstantin von Neurath, door Joachim von Ribbentrop en onthief de minister van Oorlog van zijn post zonder een nieuwe te benoemen. Op 11 maart 1938 voltrok Hitler de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, zonder tegenstand van Italië of Groot-Brittannië, en Frankrijk alléén was voor de Wehrmacht geen partij. Ondanks Britse bemiddelingspogingen en twee bezoeken van Neville Chamberlain aan Hitler, dreigde eind september 1938 een oorlog uit te breken om Tsjechoslowakije. Door de Conferentie van München, die Duitsland in het bezit stelde van het Sudetenland (zie Sudetenduitsers), werd die dreiging afgewend.
De algemene vreugde over het behoud van de vrede en Hitlers uitspraak dat nu Duitslands laatste territoriale eis was vervuld, verhinderden niet dat in maart 1939 Bohemen en Moravië werden geannexeerd. De vreugde in het Westen was al eerder verstomd door heftige pogroms in Duitsland (Kristallnacht). Toen Duitsland vervolgens het Memelland ‘heim ins Reich’ voerde en luidkeels zijn aanspraken op Danzig en de Poolse corridor bekendmaakte, stuitte dit op onverbiddelijke tegenstand van Groot-Brittannië en Frankrijk. Hitler dekte zich vervolgens (in de rug) door een non-agressiepact met de Sovjet-Unie (23 augustus) en liet op 1 september 1939 zijn troepen Polen binnenvallen. De Tweede Wereldoorlog was ontketend.
| 4.7 De Tweede Wereldoorlog |
Gedurende de eerste oorlogsjaren slaagde Duitsland erin vrijwel geheel Europa binnen zijn machtssfeer te krijgen. Uitgestrekte gebieden werden geannexeerd. Eind 1942 kwam de kentering en de Duitse macht kromp steeds meer ineen. In de eerste dagen van mei 1945 zag de Duitse regering zich ten slotte gedwongen onvoorwaardelijk te capituleren. In de bezette gebieden en m.n. het oosten had het nationaalsocialisme intussen zijn racistische en elitaire beginselen in praktijk gebracht. Elke vorm van verzet werd onderdrukt door een steeds meedogenlozer terreursysteem; er werd een begin gemaakt met een omvattend program de Slavische volken tot status van horigen van het Germaanse ‘Herrenvolk’ te degraderen en de uitroeiing van het Europese jodendom werd systematisch ter hand genomen (zie holocaust en Endlösung). Ook zigeuners, homofielen, Jehova’s getuigen, geestelijk gestoorden, verzetslieden, krijgsgevangenen en allerlei tegenstanders van de ‘Nieuwe Orde’ waren op grote schaal in concentratiekampen opgesloten en grotendeels omgebracht.
In Duitsland zelf vergrootte de SS, naarmate de krijgskansen afnamen, voortdurend de greep van het nationaalsocialisme op het volk. Vele anti-nationaalsocialistische Duitsers hoopten in de eerste oorlogsjaren op een spoedige ineenstorting van het regime, dat toen echter nog de ene overwinning na de andere behaalde. In 1942 herleefde de verzetsgedachte bij een aantal conservatieven (onder wie vele Pruisische officieren) en socialisten, die zich in de Kreisauer Kreis (genoemd naar het Silezische landgoed van de Von Moltkes, zie Helmuth James von Moltke) gingen voorbereiden op een putsch. Op 20 juli 1944 plaatste kolonel graaf Claus Philipp Schenk von Stauffenberg een bom in Hitlers hoofdkwartier te Rastenburg. Door een toeval mislukte de aanslag, terwijl een in Berlijn begonnen opstand werd onderdrukt. Het gehele verzet werd opgerold door Gestapo en SS. Von Stauffenberg e.a. werden standrechtelijk doodgeschoten, vele anderen, zoals Karl Friedrich Goerdeler, door het ‘Volksgerichtshof’ ter dood veroordeeld en opgehangen.
Van toen af heerste de SS absoluut in Duitsland. Heinrich Himmler, sedert 1943 minister van Binnenlandse Zaken, kreeg bovendien het bevel over het leger in Duitsland. In de ‘Volkssturm’ riep hij de gehele mannelijke bevolking onder de wapenen. Hitler bleef tot het laatst hopen op een ommekeer in de oorlog, maar toen deze niet kwam, pleegde hij zelfmoord. Tot zijn opvolger benoemde hij groot-admiraal Karl Dönitz. Na de capitulatie van Duitsland namen de geallieerden de leden van de regering-Dönitz gevangen en daarmee hield het Duitse Rijk de facto op te bestaan. De belangrijkste nazileiders werden, voor zover zij geen zelfmoord pleegden of waren gevlucht, tijdens de Neurenbergse processen van oorlogsmisdaden beschuldigd en veroordeeld.