Mozart, Wolfgang Amadeus
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Mozart, Wolfgang Amadeus
2. Werk

Mozart wordt algemeen beschouwd als het grootste fenomeen tot nu tot op het gebied van de scheppende toonkunst. Zijn creatieve begaafdheid openbaarde zich reeds op vijfjarige leeftijd. Hij bespeelde vier instrumenten: piano, orgel, viool en altviool. In historisch perspectief bezien blijkt Mozart een figuur met talrijke facetten te zijn. In zijn hoofdzakelijk in Salzburg geschreven kerkmuziek zijn nog vele barokelementen te vinden. In de jaren zeventig werd hij door de geest van de ‘Sturm und Drang‘ geraakt en componeerde hij werken die duidelijke voorboden van de romantiek zijn. Op sommige gebieden verwerkte hij op persoonlijke wijze wat door anderen gevonden was; zo was Joseph Haydn zijn grote voorbeeld op het terrein van het strijkkwartet, waarin Haydn voor het eerst de ‘thematische dialectiek’ voor vier zelfstandige en gelijkwaardige instrumenten gerealiseerd had. Grondlegger was Mozart op het gebied van het pianoconcert. De wijze waarop hij – te beginnen met het concert in Bes (1784, KV 450) – tegenover het solo-instrument een rijk bezet orkest plaatste, waarin de blaasinstrumenten een zelfstandige dialoog met de piano voeren, was volkomen nieuw; zijn concerten zijn het voorbeeld voor alle latere componisten gebleven. In zijn Italiaanse opera's (m.n. de opere buffe Le nozze di Figaro, Don Giovanni en Così fan tutte) bereikte hij de synthese tussen tendensen uit de Napolitaanse opera, de Italiaanse opera buffa, de opéra-comique en zelfs uit de tragédie-lyrique en hij stelde hierdoor alles in de schaduw wat tot dan op dit gebied gecomponeerd was. In Die Zauberflöte legde hij tevens de grondslag voor de ontwikkeling van de Duitse romantische opera. Slechts zelden doorbrak hij de traditionele vormen; zijn natuurlijk gevoel voor harmonie en evenwicht verzette zich hiertegen. Wel verbond hij vaak bepaalde bestaande principes tot een nieuw geheel, zoals de sonate- en de rondovorm in zijn latere kamermuziekwerken, en de homofone en de polyfone schrijfwijze in het strijkkwartet in G (KV 387) en de symfonie in C (KV 551).

Mozarts leven valt voor het grootste deel in de tijd van het ‘ancien régime’, maar hij zal niet ongevoelig geweest zijn voor verschijnselen die de nadering van een nieuwe tijd, van een ingrijpende verandering van de maatschappelijke verhoudingen aankondigden. Van huis uit gelovig rooms-katholiek, was hij evenzeer aangeraakt door de ideeën van de Verlichting. Dit zal er mede toe geleid hebben dat hij zich in 1784 bij de vrijmetselarij aansloot. Voor zijn verdere ontwikkelingsgang als componist was dit van groot belang (men denke aan o.a. de Maurerische Trauermusik, 1785; KV 477); het hoogtepunt van deze ontwikkeling vormt de opera Die Zauberflöte, waarin maçonnieke ideeën een grote rol spelen.

De evenwichtige vormgeving en de melodische rijkdom van zijn werken en het schijnbare gemak waarmee zij werden geschreven (Mozart componeerde ruim 600 werken in ca. 30 jaar), hebben lange tijd verhinderd dat de hoorder zich voldoende bewust was van de muzikale diepgang van zijn werk. Het is vooral aan onderzoekers als Hermann Abert en Georges de Saint-Foix te danken dat ook de donkere en tragische kanten van zijn wezen thans beter onderkend worden.