| Zoekweergave | Midden-Oosten | Terug |
| Introductie |
Midden-Oosten, aanduiding voor een gebied dat deels in Zuidoost-Europa, deels in West-Azië en deels in Noord-Afrika is gelegen.
| 1. Term |
De term Midden-Oosten heeft bekendheid verkregen sinds de vestiging van het Britse Midden-Oosten-Commando en daarmee verbonden civiele organisaties in de Tweede Wereldoorlog. Voordien sprak men wel van Nabije Oosten, een term die nog gangbaar is in de archeologie.
De term Midden-Oosten verraadt een Europacentrisch gezichtspunt – in India bijvoorbeeld spreekt men van West-Azië – en heeft niet zozeer een geografische als wel een historisch-culturele en politieke betekenis: de bewoners van dit gebied zijn door banden van een gemeenschappelijke godsdienst – de islam – en van een gemeenschappelijke taal en cultuur – de Arabische – verenigd, welke banden op hun beurt weer uitvloeisels zijn van dertien eeuwen gemeenschappelijke historische ontwikkeling.
| 2. Gebied |
Doorgaans rekent men tot het Midden-Oosten de volgende landstreken en landen: Irak, Syrië, Libanon, Jordanië (tot 1948 Palestina), tezamen de Arabische Fertile Crescent (= Vruchtbare Maansikkel) vormend; vervolgens het Arabisch Schiereiland met de staten: Saoedi-Arabië, Jemen, Koeweit, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, het sultanaat Oman en de in de Perzische Golf gelegen Bahreineilanden; verder de in Noord-Afrika gelegen staten Egypte, Soedan en Libië en ten slotte de drie niet-Arabische staten Turkije, Iran (tot 1935 en tussen 1949 en 1979 Perzië geheten) en Israël. Volgens sommige opvattingen behoren ook de Noord-Afro-Arabische landen Tunesië, Algerije en Marokko, ook wel de Maghreblanden genoemd, tot het Midden-Oosten te worden gerekend.
| 3. Problematiek |
Het Midden-Oosten is een politiek-strategisch belangrijke regio. Het is de landbrug tussen drie continenten: Europa, Azië en Afrika. Het beschikt over ontzaglijke voorraden aan aardolie. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is het gebied een haard van conflicten en spanningen geworden. Als factoren die hiervoor verantwoordelijk zijn, kunnen worden genoemd:
a. de spanning tussen Israël en de Arabische landen, die zich tot vijfmaal toe, nl. in 1948, 1956, 1967, 1973 en 2006 in daadwerkelijke vijandelijkheden ontlaadde;
b. de spanningen tussen enkele Arabische landen en de niet-Arabische staten Turkije en Iran;
c. de op verschillende wijzen aan het licht tredende inter-Arabische tegenstellingen;
d. het streven van sommige minderheden, zoals de Koerden, naar onafhankelijkheid;
e. de voortdurende bemoeienis met dit gebied door externe machten.
| 4. Het Midden-Oosten tot 1949 |
Het einde van de Eerste Wereldoorlog bracht tevens het einde van het Turkse gezag over de Arabische ‘Vruchtbare Maansikkel’. Egypte was sinds 1880 een Brits protectoraat, Libië sinds 1912 een Italiaanse kolonie, en de Maghreb stond onder Franse heerschappij. De vredesregeling van 1920 vestigde een Frans mandaat over Libanon en Syrië en een Brits mandaat over Irak, Palestina en Transjordanië. De teleurstelling van de Arabieren over het feit dat de vredesregeling hun niet de door Groot-Brittannië in 1916 beloofde en krachtens het door president Woodrow Wilson van de Verenigde Staten gepropageerde zelfbeschikkingsrecht van de volkeren verwachte onafhankelijkheid bracht, uitte zich in een steeds feller wordend panarabisch nationalisme (zie panarabisme). Dit richtte zich tegen het westerse bestuur, tegen de verdeling van de Arabische wereld en tegen de openstelling van Palestina, krachtens de Balfourdeclaratie van 2 november 1917, voor immigratie van joden. Sinds het einde van de 19de eeuw was het zionisme de drijfveer voor vele joden in de westerse wereld om zich naar Palestina te begeven, en de vestiging van het nationaalsocialistische regime in Duitsland verhoogde in de jaren dertig het aantal joden dat in Palestina een toevluchtsoord zocht.
Het einde van de Tweede Wereldoorlog bewerkstelligde het vertrek van de westerse mandaatbestuurders. In Palestina werd het Britse mandaat formeel pas op 15 mei 1948 beëindigd door de stichting van de joodse staat Israël. In de direct daarop uitbrekende oorlog tussen Israël en de Arabische landen behaalde Israël een zodanige overwinning dat het grondgebied uiteindelijk groter werd dan het VN-verdelingsplan uit 1947. Veel Palestijnse families waren gevlucht en kwamen in vluchtelingenkampen in naburige Arabische staten terecht. Een deel van het Palestijnse gebied bleef behouden en werd in 1949 met Transjordanië verenigd tot het koninkrijk Jordanië. Egypte hield een smalle kuststrook met de stad Gaza bezet.
| 5. De periode 1949–1967 |
| 5.1 Het buitenland en het Midden-Oosten |
Tot 1955 stond het Midden-Oosten onder controle van de westelijke Grote Drie, die met elkaar wedijverden om een zo groot mogelijke invloedssfeer in het gebied te verkrijgen. In de Driemogendhedenverklaring van mei 1950 hadden zij zich bovendien opgeworpen als ordebewaarders in dat gebied en zich tot taak gesteld de vrede en het bewapeningsevenwicht tussen Israël en de Arabische staten te handhaven. De Sovjet-Unie ontplooide tot 1955 hoegenaamd geen politieke activiteiten ten aanzien van het Midden-Oosten. Een verandering hierin kwam met de aan Amerikaans-Brits initiatief ontsproten oprichting van het Bagdadpact in 1955 (zie Centrale Verdragsorganisatie, CENVO). Behalve Groot-Brittannië en, op meer informele wijze, de Verenigde Staten, traden tot dit naar het model van de NAVO en de SEATO ontworpen verdedigingsstelsel voor het Midden-Oosten toe: Turkije, Iran, Pakistan en, als enige Arabische staat, Irak. Het Egypte van Nasser veroordeelde het pact ten scherpste en reageerde er o.m. op door een wapenovereenkomst met Tsjechoslowakije te sluiten, die aan de politieke monopoliepositie van de westelijke Grote Drie in het Midden-Oosten een einde maakte. Een escalatie van politieke spanningen volgde hierop, die zich ontlaadde in de Suezcrisis van 1956.
Hierna kon de aanwezigheid van de Sovjet-Unie in het Midden-Oosten niet meer worden weggedacht. De Amerikaanse politiek richtte zich op het verlenen van militaire en financiële steun aan de bondgenoten Turkije, Iran en Pakistan (Irak trad na de val van de monarchie in juli 1958 het daaropvolgende jaar uit het Bagdadpact). Voorts verleenden de Verenigde Staten militaire en financiële steun aan Israël en aan conservatief geregeerde Arabische landen: Saoedi-Arabië, Jordanië en Libië. De Sovjet-Unie steunde de zgn. progressieve Arabische landen: Egypte, Irak na 1958 en Syrië na 1962. Tijdens het bewind van president John F. Kennedy werd voor het eerst door het Westen een succesvolle poging gedaan om met de radicale regimes in de Arabische wereld tot een goede verstandhouding te komen. Met name ontstond een vriendschappelijke relatie tussen Kennedy en de Egyptische president Nasser en men sprak in die periode zelfs van de ‘as Washington-Caïro’. Deze as overleefde echter de dood van Kennedy (1963) niet. De Sovjet-Unie herwon de vriendschap met Egypte en zette vanaf 1965 zelfs met succes een vriendschapsoffensief in ten aanzien van de bondgenoten van het Westen: Turkije, Iran en Pakistan. Sinds 1963 bood inmiddels ook de Volksrepubliek China o.a. militaire hulp aan o.a. Palestijnse bevrijdingsorganisaties. Ook Frankrijk beijverde zich om afzetmarkten voor zijn wapenindustrie in de Arabische wereld te verkrijgen.
| 5.1.1 Islamitisch Alliantieplan |
De vrees voor een dreigend machtsvacuüm in het gebied van de Perzische Golf met zijn rijke voorraden aan aardolie, ten gevolge van het in 1965 aangekondigde vertrek (tegen het begin van de jaren zeventig) van de daar nog gestationeerde Britse troepen, leidde eind 1965 tot het Islamitische Alliantieplan. Dit onder Amerikaans-Britse auspiciën door de Saoedische koning Faisal gelanceerde plan beoogde de oprichting van een grote alliantie van islamitische staten, als een soort ‘derde macht’ tussen westerse en communistische landen, waarvan de Saoedische vorst als ‘Hoeder van de heilige plaatsen van de islam’, de spil zou worden. De opzet van dit plan was tevens de Arabische landen die werden geregeerd door zich socialistisch noemende regimes, onder welke in de eerste plaats Egypte, zoveel mogelijk politiek te isoleren. De Sovjetpremier Alexej Kosygin drong er tijdens een bezoek aan Egypte in mei 1966 op aan een blok van progressieve Arabische staten te vormen. In november van dat jaar sloten Egypte en Syrië een verdrag van wederzijdse bijstand als een eerste stap tot zo’n blok. De Syrische regering zag in dit verdrag echter in de eerste plaats een vrijbrief om de spanning aan de grens met Israël op te voeren en vermeerderde de faciliteiten aan Palestijnse organisaties om overvallen op Israëlisch grondgebied uit te voeren. In dit beleid van de regering in Damascus lag een belangrijke factor voor het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog of Junioorlog in 1967.
| 5.2 Vanuit regionaal oogpunt |
De vestiging van de staat Israël deed een hardnekkige Israëlisch-Arabische spanning ontstaan. De intensiteit van deze spanning werd nog verhoogd door twee factoren, nl. door het bestaan van ca. 800 000 Palestijnse vluchtelingen, in kampen ondergebracht op het grondgebied van de verschillende Arabische buurlanden, en door voortdurende grensincidenten. Eind oktober 1956 viel Israël, na geheim overleg met Frankrijk en Groot-Brittannië, Egypte aan en bezette het gehele Sinaïgebied. Onder sterke Amerikaanse druk moest het dit gebied het jaar daarop weer ontruimen. Aan de Egyptische kant van de grens met Israël werd een troepenmacht van de Verenigde Naties gelegerd, waardoor er gedurende de tien daaropvolgende jaren rust aan deze grens heerste. Het besluit van Israël, eind 1963 genomen, om water uit de Jordaan te betrekken voor bevloeiingswerken, lokte heftige Arabische reacties uit. Dank zij het optreden van Egyptes president Nasser kwam het niet tot een oorlog.
Een escalatie van spanningen aan de Syrisch-Israëlische grens vanaf november 1966 leidde in mei 1967 tot een Syrisch verzoek om Egyptische steun. Egypte eiste en verkreeg de terugtrekking van de VN-troepen. Het sloot vervolgens de Straat van Tiran af voor Israëlische schepen. Israël beschouwde deze afsluiting als een casus belli en viel op 5 juni de Arabische buurlanden Egypte, Jordanië en Syrië aan (Zesdaagse Oorlog of Junioorlog). In een week tijds bezette het de westelijke oever van de Jordaan met het oude stadsgedeelte van Jeruzalem, de Gazastrook, het Sinaïgebied tot aan het Suezkanaal en de Syrische Hoogvlakte van Golan.
Wat de verhouding van de Arabische landen met Turkije en Iran betreft, was er een geleidelijke verbetering in de Turks-Arabische betrekkingen sinds de jaren zestig en een steeds scherper wordend grensconflict tussen Irak en Iran. De aangekondigde terugtrekking van de Britse troepen uit het gebied van de Perzische Golf deed bij Iran een streven ontstaan om in dit gebied de dominante macht te worden. Dit streven van de sjah werd echter bestreden door zowel Irak als Saoedi-Arabië.
| 5.3 Inter-Arabische verhoudingen |
Na 1945 werd het panarabisme de heersende ideologie in de Arabische wereld. Zijn belangrijkste politieke doelstelling is de vestiging van de Arabische eenheid. De oprichting op 22 maart 1945 van de Arabische Liga werd als een eerste stap in die richting begroet. Sindsdien hebben zich echter voortdurend inter-Arabische tegenstellingen voorgedaan. Tot 1952 waren het vooral dynastieke geschillen en de rivaliteit om het leiderschap in de Arabische wereld, m.n. tussen Irak en Egypte, die aan deze tegenstellingen ten grondslag lagen. Na de militaire staatsgreep in Egypte op 22 juli 1952, die kolonel Nasser aan de macht bracht, ontstonden nieuwe, meer ideologische tegenstellingen in de Arabische wereld. Het zgn. Arabische socialisme werd de ideologische basis voor het bewind van Nasser. Zijn interpretatie van dit socialisme verschilde in bepaalde opzichten van die van de reeds sinds 1940 bestaande Ba’thpartij, die vooral in Syrië haar bolwerk had. Nasser en de Ba’th beschikten in de gehele Arabische wereld over aanhangers, die gemakshalve kunnen worden aangeduid als nasseristen en ba’thisten. Tussen hen bestond geen verschil van inzicht over de wenselijkheid van de Arabische eenheid. Onder druk van de Ba’th werd in februari 1958 de Syrisch-Egyptische Unie gesloten. In datzelfde jaar, op 14 juli, brachten militairen onder leiding van generaal Abdoel Kassem in Irak de monarchie ten val. Tussen republikeins Irak en nasseristisch Egypte bleven echter meningsverschillen bestaan, terwijl reeds in september 1961 de Syrisch-Egyptische Unie uiteenviel. In februari en maart 1963 brachten nieuwe staatsgrepen in resp. Irak en Syrië de Ba’th in het zadel. Tussen nasseristen en Ba’thisten heerste echter een groot onderling wantrouwen, waardoor een unie tussen Egypte, Irak en Syrië niet tot stand kon komen. Vanaf die tijd werden de inter-Arabische betrekkingen beheerst door twee ideologisch bepaalde vormen van tegenstellingen. Allereerst bestond er vijandschap tussen de zich progressief noemende Arabische landen (Egypte, Syrië en Irak) en die staten die door conservatieve bewindhebbers (Saoedi-Arabië, Jordanië, de sjeikdommen) werden geregeerd. De progressieve bewindvoerders beklemtoonden het Arabische socialisme en streefden naar een nieuwe maatschappelijke orde voor de gehele Arabische wereld. Tegen dit revolutionaire panarabisme werd vooral van de kant van de Saoedische koning de islam benadrukt.
De interne meningsverschillen in het progressieve kamp werden nog vergroot, toen in februari 1966 in Syrië een dissidente groep binnen de regerende Ba’thpartij het zgn. neoba’thistische bewind vestigde, dat in bepaalde opzichten een nog linksere koers dan het voorafgaande Ba’thbewind wenste te varen. Het was tussen dit neoba’thistische regime en president Nasser dat in november 1966, op aandrang van de Russische premier Alexej Kosygin, een verdrag van wederzijdse bijstand werd gesloten en het was ditzelfde neoba’thistische regime dat hierna de spanning met Israël belangrijk opvoerde, een belangrijke factor voor het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog.
| 6. De periode 1967–1973 |
De overwinning van Israël in de Zesdaagse Oorlog bracht geen vrede met de Arabische landen. In november 1967 werd in de Verenigde Naties resolutie 242 aangenomen die in de kern neerkwam op onvoorwaardelijke terugtrekking van Israël uit de in 1967 bezette gebieden in ruil voor erkenning van de staat Israël. Binnen de Arabische wereld was uiteindelijk in 1970 alleen Nassers Egypte bereid resolutie 242 te erkennen. Israël eiste van zijn kant directe vredesbesprekingen voordat tot ontruiming van bezet gebied overgegaan zou kunnen worden. Hoewel de Israëlische regering zich officieel niet uitsprak over de toekomst van de bezette gebieden, verzette de publieke opinie in Israël zich steeds meer tegen een teruggave van de oude stad Jeruzalem, de Gazastrook, de westelijke Jordaanoever en de strategisch gelegen Hoogvlakte van Golan.
Aan de Israëlisch-Arabische grenzen vond een oplopende reeks van gewapende botsingen en incidenten plaats. Met de nederlaag van de Arabische staten in 1967 besloten de verschillende Palestijnse bevrijdingsorganisaties op eigen kracht te vertrouwen. Dit was het begin van Palestijnse acties tegen Israël en de onafhankelijke koers van Arafats PLO.
In 1969 kwamen Nassergezinde officieren door middel van staatsgrepen aan de macht in Soedan en Libië. In augustus 1970 werd een staakt-het-vuren bereikt tussen Egypte, Jordanië en Israël. Het Palestijnse verzet tegen elke vorm van een modus vivendi met Israël leidde in de maand daarop tot een crisis in Jordanië, waarbij de bedoeïenencontingenten in het Jordaanse leger met geweld het Palestijnse verzet in Jordanië braken (Zwarte September). De Palestijnse bases in Jordanië werden ontmanteld en de Palestijnse guerrilla’s beroofd van hun onderdak in Libanon. Een precaire wapenstilstand in Jordanië werd door bemiddeling van Arabische regeringsleiders en vooral door president Nasser bewerkstelligd. Zijn overlijden op 28 september 1970 betekende het verlies van een man die sinds 1952 zijn stempel had gedrukt op de politieke ontwikkelingen in de Arabische wereld en die voor de grote meerderheid van de Arabieren groot prestige genoot.
Verscheidene staatsgrepen, zoals van generaal Numeiry in Soedan in mei 1969, van kolonel Muammar al-Kaddafi in Libië in september 1969 en generaal Hafiz al-Assad, die de ‘sterke man’ van het neoba’thistische bewind in Syrië, generaal Salah al-Jadid, ten val bracht (1970), vestigden regimes die het aanzien van deze drie landen in hoge mate bepaalden.
Na 1970 waren er diverse besprekingen over mogelijke unificaties en akkoorden in die richting, die evenwel in de praktijk niet functioneerden. Wel gelukte de aaneensluiting van de zes vorstendommen aan de Perzische Golf in december 1971, na veel politieke strubbelingen, tot de Verenigde Arabische Emiraten.
De relatie tot Israël bleef het politieke denken en handelen in de Arabische wereld bepalen. In Egypte vooral roerden zich studenten en arbeiders die Nassers opvolger, president Sadat, besluiteloosheid verweten. Sadat brak in 1972 met de Sovjet-Unie en maakte een begin met het verbeteren van de betrekkingen met de Verenigde Staten. Na het drama van München (gijzeling van de Israëlische sportploeg door Palestijnse terroristen tijdens de Olympische Spelen van 1972, waarbij elf Israëliërs om het leven kwamen) volgde echter een voorzichtig herstel van de banden met de Sovjet-Unie.
Begin 1973 werd zowel van Arabische als van Israëlische zijde grote diplomatieke activiteit ontplooid teneinde beweging te krijgen in de vastgelopen situatie in het Midden-Oosten. De spanning in het gebied liep in dat jaar sterk op door de geweldplegingen over en weer tussen de Palestijnse bevrijdingsorganisaties en Israël (o.m. aanvallen op Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon), alsmede door de gewapende incidenten tussen Israël en Syrië. Op 6 oktober – in Israël Grote Verzoendag, Jom Kippoer – gingen de Egyptische en Syrische strijdkrachten tot de aanval over, resp. op het door Israël bezette grondgebied ten oosten van het Suezkanaal en op de Golanhoogvlakte (Jom Kippoeroorlog of Oktoberoorlog). De verraste Israëlische legerleiding moest het initiatief en de successen aanvankelijk laten aan Syrië en Egypte, die gesteund werden door een aantal Arabische landen. Later wist Israël o.m. het derde Egyptische leger bij het Suezkanaal in te sluiten. Onder druk van de Verenigde Staten werd op 22 oktober een bestand geëffectueerd. VN-militairen kwamen naar het Midden-Oosten om op het bestand toe te zien.
Tijdens de oorlog voerden de Arabische oliestaten hun in de loop van het jaar geuite dreigement uit dat ze hun olieproductie zouden verminderen, indien de olieconsumerende landen hun pro-Israëlische houding niet zouden wijzigen. Bovendien hanteerden ze ten aanzien van o.m. Nederland en de Verenigde Staten het middel van de olieboycot.
| 7. De periode 1973–1980 |
Hoewel in december 1973 te Genève begonnen vredesbesprekingen tussen Israël, Egypte, Jordanië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie (Syrië boycotte het overleg) zonder resultaat bleven en werden opgeschort, leidde intensief bemiddelingswerk door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger ten slotte tot afzonderlijke Israëlisch-Egyptische en Israëlisch-Syrische troepenscheidingsakkoorden, die telkens tijdig werden verlengd. Op 5 juni 1975 kon Egypte het Suezkanaal heropenen. De machtsverhoudingen in het Midden-Oosten bleken echter door de Oktoberoorlog ingrijpend gewijzigd. Zware Amerikaanse druk op Israël resulteerde in september 1975 in een Egyptisch-Israëlische deelovereenkomst, volgens welke Israël zijn troepen verder ten oosten van het Suezkanaal terugtrok en o.m. de in 1967 veroverde olievelden bij Aboe Rodeis prijsgaf. Egyptes steeds verdere toenadering tot de Verenigde Staten en verzoenende houding tegenover Israël ontmoetten in de Arabische wereld felle kritiek.
De politieke situatie van de Palestijnen leek zich inmiddels gunstig te hebben ontwikkeld. De PLO was op Arabische topconferenties te Algiers (1973) en Rabat (1974) als enige vertegenwoordiger van de Palestijnen erkend en voerde bij monde van haar voorzitter Yasser Arafat het woord in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (november 1974). De acties van de (sedert de Jordaanse burgeroorlog) vnl. vanuit Zuid-Libanon opererende Palestijnse guerrillero's tegen Israël, de Israëlische vergeldingsacties op Libanees grondgebied en de onmacht van de Libanese regering tegen de Palestijnen op te treden waren aanleidingen voor een verwoestende burgeroorlog in Libanon. Andere oorzaken waren de politieke corruptie en de achtergestelde positie van de Libanese sjiieten, de grootste confessionele groep in Libanon. Door de Libanese burgeroorlog werd niet alleen het bestaan der Palestijnen andermaal ernstig bedreigd, maar werd ook het probleem van de tegenstellingen binnen de Arabische wereld als geheel, en speciaal tussen Syrië enerzijds en resp. Irak, Egypte en de Palestijnen anderzijds, opnieuw acuut, vooral na het Syrische militaire ingrijpen in de burgeroorlog (mei 1976). Ook Israëls bemoeienis met de Libanese kwestie werd steeds intensiever. Onder druk van de Arabische Liga en vooral van Saoedi-Arabië keerde de rust in Libanon in 1977 enigszins weer, al bleven de politieke, confessionele en sociale tegenstellingen er uiterst scherp en was regelmatig van gewapende botsingen en van geweldpleging sprake. Syrië verzoende zich met Egypte en de Palestijnen, en de Syrische troepen in Libanon gingen – veruit het grootste – deel uitmaken van een inter-Arabische ‘vredesmacht’ aldaar. Na een Israëlische invasie in Libanon in maart 1978 werd in Zuid-Libanon een VN-troepenmacht (UNIFIL) gelegerd.
Bij de Palestijnen werden inmiddels in gematigde kring geluiden gehoord als zou men bereid zijn om, in ruil voor de oprichting van een Palestijnse staat op de door Israël bezette westelijke Jordaanoever, over te gaan tot erkenning van de staat Israël – een standpunt dat leek te worden gedeeld door gematigde staten als Saoedi-Arabië en Egypte. Terwijl de meeste Arabische regeringen zich vooralsnog niet duidelijk wensten uit te spreken, gaven evenwel Irak en Libië hun steun aan radicalere Palestijnse groepen, die erkenning van de joodse staat pertinent bleven afwijzen. Een initiatief van de Egyptische president Sadat, die in november 1977 naar Jeruzalem reisde met het doel de impasse in het overleg met Israël te doorbreken, werd echter door vrijwel de gehele Arabische wereld scherp afgekeurd, ondanks Sadats nadruk op de Arabische eis van teruggave van de door Israël bezette gebieden en op de rechten van de Palestijnen. Een nieuwe impasse werd, althans wat Israël en Egypte betreft, mede voorkomen door grote druk van de Verenigde Staten op de conservatieve regering van de Israëlische premier Menachem Begin (besprekingen te Camp David, zie Camp David-akkoorden), en ten slotte werd op 26 maart 1979 te Washington een afzonderlijk vredesakkoord tussen Egypte en Israël, waaraan de Verenigde Staten als derde partner deelnamen. Egypte raakte hierdoor binnen de Arabische wereld geïsoleerd; bovendien bleven bij de tenuitvoerlegging van het verdrag interpretatieverschillen.
De val van het regime van de sjah en de terugkeer uit ballingschap van de Iraanse geestelijke leider, de ayatollah Khomeiny, begin 1979, alsmede de uitroeping van de islamitische republiek in Iran, creëerden een nieuwe factor van politieke betekenis: de politieke islam. De politieke betekenis van het islamitische fundamentalisme, het propageren en nastreven van een terugkeer van de samenleving naar de ‘zuivere islamitische waarden’, groeide snel, mede door het succes van de islamitische revolutie in Iran. Bijna overal in het Midden-Oosten groeiden het prestige en de aanhang van fundamentalistische bewegingen, die het politieke spectrum in toenemende mate bepaalden. In Iran zelf betekende de islamitische revolutie een islamisering van de Iraanse maatschappij, die vooral ten koste ging van de positie van vrouwen en minderheden. In de Iraanse grondwet was een invloedrijke positie van de moslimse geestelijkheid ingeruimd.
| 8. De periode 1980–1991 |
| 8.1 De Eerste Golfoorlog |
Iran had in 1971 enkele strategische eilandjes van de VAE in de Perzische Golf bezet. In 1975 had Irak een grensverdrag met Iran gesloten. Iran staakte zijn hulp aan opstandige Koerden in Irak en beide landen zouden de grensrivier Shatt al Arab kunnen gebruiken. Na de val van de sjah betreurde Irak de aan de sjah gedane concessies en viel na een felle propagandaoorlog van enkele maanden zijn militair verzwakt geachte buurland in september 1980 aan. Na enkele snelle Iraakse successen concentreerde de strijd zich te land in en rond de Iraanse oliehavens aan de Perzische Golf. De voor de energievoorziening van het Westen cruciale Straat van Hormuz werd door beide oorlogvoerende partijen voorlopig gegarandeerd, onder de voorwaarde dat buitenlandse militaire inmenging in de strijd zou uitblijven. Terwijl de strijd aan het front vastliep in een uitzichtloze stellingenoorlog, gingen Iran en Irak ertoe over elkaars steden met raketten te bestoken. De oorlog kreeg gevaarlijke internationale dimensies toen Irak Iraanse olietankers in de Perzische Golf ging aanvallen en Iran reageerde met beschietingen van olietankers van Koeweit en andere landen, die Irak steunden. Op 20 juli 1987 eiste VN-resolutie 598 beëindiging van de Iraaks-Iraanse oorlog. Pas nadat de Verenigde Staten enige strafacties tegen Iran hadden ondernomen en Irak begin 1988 een succesvol offensief was begonnen, toonde Teheran zich bereid een bestand te aanvaarden en werd de oorlog gestaakt (25 augustus 1988) (zie voorts Eerste Golfoorlog).
De Palestijnse kwestie leek aan het begin van de jaren tachtig verder van een oplossing verwijderd dan ooit tevoren. Na het vredesverdrag met Egypte (maart 1979) toonde de Israëlische Likudregering zich niet genegen tot verdere concessies aan de Arabische wereld. In juli 1980 verklaarde zij Jeruzalem tot ondeelbare hoofdstad van Israël en in december 1981 annexeerde zij de Hoogvlakte van Golan. In juni 1981 had de Israëlische luchtmacht een bombardement uitgevoerd op een Iraakse kernreactor. Terzelfder tijd namen de spanningen tussen Israël en de Palestijnen in Libanon toe, terwijl Syrië raketten plaatste in de Libanese Beka’avallei. Op 6 juni 1982 viel het Israëlische leger Libanon binnen in de operatie Vrede voor Galilea. Tijdens de oorlog werd de PLO uit geheel Zuid-Libanon verdreven en werden de Syrische raketten uitgeschakeld. Van 13 juni tot 1 september 1982 belegerden de Israëlische strijdkrachten West-Beiroet, waar de PLO-strijders zich hadden verschanst. Door Amerikaanse bemiddeling werd eind augustus de aftocht van de PLO-strijders bereikt. De PLO vestigde daarna haar hoofdkwartier in Tunis. Nadat in september 1982 met Israël verbonden Libanese milities een bloedbad hadden aangericht in Palestijnse vluchtelingenkampen, Sabra en Shatila, in Beiroet, hield een multinationale strijdmacht (Amerikanen, Britten, Fransen en Italianen) toezicht in de Libanese hoofdstad. Deze werd, evenals het Israëlische leger in Zuid-Libanon, steeds vaker doelwit van radicale (vaak sjiitische) groepen. Na een reeks bloedige aanslagen in oktober 1983 besloot de multinationale troepenmacht zich uit Libanon terug te trekken. Vervolgens ontruimde ook Israël het grootste deel van bezet Libanon, maar hield een strook van Zuid-Libanon permanent bezet. De burgeroorlog tussen de diverse milities laaide weer op. Syrië maakte inmiddels eind 1983 een eind aan de laatste zelfstandige machtsbases van Arafat in Libanon.
In september 1982 kwam de Amerikaanse president Ronald Reagan met een vredesplan dat Palestijnse autonomie in de bezette gebieden voorstelde in associatie met Jordanië (de Jordaanse optie). Het plan werd door zowel Israël als de Arabische wereld afgewezen. Op een Arabische topconferentie in Fès (Marokko) toonden de Arabische staten en de PLO zich bereid tot erkenning van Israël binnen de grenzen van 1967 op voorwaarde van de vorming van een Palestijnse staat in de bezette gebieden. De uitschakeling van de PLO als militaire factor alsmede de grote verdeeldheid binnen de Arabische wereld (Egypte was in 1979 uit de Arabische Liga getreden, Syrië steunde Iran in de oorlog tegen Irak en bestreed de PLO van Arafat in Libanon) deden de Palestijnse kwestie tot 1987 weer wat naar de achtergrond verdwijnen.
In december 1987 brak in de door Israël bezette gebieden de Palestijnse opstand (Intifadah) uit. Deze vormde de aanleiding voor nieuwe vredesinspanningen inzake het Palestijns-Israëlische conflict. In november 1988 verklaarde de PLO VN-resolutie 242 van 1967 en daarmee het bestaansrecht van Israël te aanvaarden. Toen in december vervolgens Arafat het terrorisme afzwoer, opende dit de weg voor een dialoog tussen de Verenigde Staten en de PLO. Amerikaanse pogingen om onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen op gang te brengen stuitten echter af op Israëlische eisen ten aanzien van de samenstelling van de Palestijnse delegatie en verdeeldheid in Israël zelf. Pogingen van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker om de impasse te doorbreken, leidden in maart 1990 tot een kabinetscrisis in Israël. Een Palestijnse terreuractie in Israël leidde in juni 1990 tot het afbreken van de dialoog tussen de Verenigde Staten en de PLO.
| 8.2 De Tweede Golfoorlog |
Omstreeks diezelfde tijd begon een nieuwe crisis in het gebied van de Perzische Golf (‘Golfcrisis’) met een reeks financiële en territoriale eisen, die Irak aan Koeweit stelde. De bezetting van het emiraat door Irak op 2 augustus 1990 en de daaropvolgende annexatie brachten opnieuw grote verdeeldheid in de Arabische wereld teweeg. Saoedi-Arabië riep Amerikaanse troepen te hulp, terwijl ook andere landen (waaronder Egypte, Syrië, Marokko, Groot-Brittannië en Frankrijk) troepen stuurden. Op 17 januari 1991 begon de anti-Iraakse coalitie massale luchtaanvallen op Irak en tijdens een kort grondoffensief (24–28 februari) werd Koeweit vervolgens bevrijd. Irak moest de bestandsvoorwaarden accepteren zoals die in VN-resolutie 687 van 3 april werden neergelegd. Deze behelsden o.a. een gedemilitariseerde zone, beheerd door VN-waarnemers (UNIKOM), internationaal toezicht op de vernietiging van Iraakse massavernietigingswapens (UNSCOM) en schadevergoeding door Irak. In de nasleep van de oorlog braken in Irak onder de sjiieten en de Koerden opstanden uit, die door het bewind van Saddam Hussein bloedig werden onderdrukt. Een internationale troepenmacht stelde daarop een beschermde zone in Noord-Irak in. (Zie voorts Tweede Golfoorlog.)
| 9. Na de Koude Oorlog |
Het einde van de Koude Oorlog en daarmee van de Amerikaans-Sovjet-Russische wedijver had belangrijke gevolgen voor het Midden-Oosten. Tijdens de Golfcrisis leidde dit tot opmerkelijke eensgezindheid binnen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Na afloop van de Tweede Golfoorlog beijverden beide grootmachten zich voor het bijeenroepen van een vredesconferentie over het Arabisch-Israëlische conflict. Moskou stond de emigratie van Russische joden toe en wilde de betrekkingen met Israël herstellen. Tegelijk had het zijn bondgenoot Syrië laten weten dat het zijn streven naar militaire pariteit met Israël wenste te staken. Syrië zocht daarop (o.a. tijdens de Golfcrisis) toenadering tot de Verenigde Staten. Het kon daardoor in 1990 en 1991 zijn invloed in Libanon uitbreiden. Tijdens de Golfcrisis ging Irak akkoord met alle Iraanse vredesvoorwaarden uit de oorlog van 1980–1988, waardoor het in de Tweede Golfoorlog strikt neutrale Iran zijn positie wist te versterken. De PLO, die tijdens de Golfcrisis de zijde van Bagdad had gekozen, had ernstig prestigeverlies geleden en leek aanvankelijk bij plannen een vredesconferentie bijeen te roepen buitenspel te staan. Egypte, in 1987 al teruggekeerd in de Arabische wereld, zag zijn positie als grootste Arabische land versterkt. De vredesconferentie kwam er ten slotte, mede dankzij de doortastende pendeldiplomatie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker. Op 30 oktober 1991 begonnen onder leiding van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in Madrid de delegaties van Israël, Egypte, Jordanië (waarin opgenomen een delegatie van de Palestijnen, niét van de PLO), Syrië en Libanon aan de eerste ronde van de vredesbesprekingen. Een tweede ronde, van bilaterale besprekingen, waarin de grenskwesties tussen Israël en zijn buurlanden aan de orde kwamen, ging op 4 december 1991 in Washington van start. De bilaterale onderhandelingen tussen Israël en de Arabische buurlanden verliepen uiterst moeizaam. Nadat in 1992 in Israël de Arbeidspartij onder Jitschak Rabin weer aan de regering was gekomen, begonnen geheime onderhandelingen tussen Israël en de PLO o.a. in Oslo. Deze leidden tot een beginselakkoord, waarbij beide partijen elkaar erkenden en de Palestijnen zelfbestuur kregen, te beginnen in Jericho en de Gazastrook. Het akkoord werd op 13 september 1993 in Washington getekend.
| 9.1 De tweede Intifadah |
De uitvoering van de Oslo-akkoorden leverde echter tal van problemen op en werd door intensieve Amerikaanse bemiddeling nader uitgewerkt in het zogenaamde tweede Oslo-akkoord (september 1995). Op grond daarvan werden de meeste grote Palestijnse steden aan de Palestijnse Nationale Autoriteit o.l.v. Yasser Arafat overgedragen. In januari 1996 volgden de eerste verkiezingen voor een Palestijnse bestuursraad. Inmiddels sloten Israël en Jordanië een officieel vredesverdrag (26 oktober 1994) en deden ook andere Arabische landen voorzichtige toenaderingspogingen tot Israël.
Tegenstanders van beide zijden trachtten ondertussen het vredesproces te verstoren. In februari 1994 richtte een joodse kolonist een bloedbad aan in Hebron. Op 4 november 1995 werd de Israëlische premier Rabin vermoord door een orthodox-joodse student. De islamitisch fundamentalistische Hamasbeweging pleegde voorjaar 1996 een reeks zelfmoordaanslagen op Israëlische stadsbussen. De Israëlische verkiezingen werden vervolgens in mei 1996 gewonnen door Likudleider Benjamin Netanyahu. Onder diens bewind liep het overleg met de Palestijnen vast op o.a. de bouw van joodse nederzettingen en de positie van Jeruzalem.
Ook de onderhandelingen tussen Israël en Syrië werden gestaakt. Veelvuldig kwam het tot gewapende incidenten tussen Israël en de Libanese islamitische beweging Hezbollah.
De Verenigde Staten en de EU beijverden zich om het vredesproces weer op gang te brengen. Tegelijkertijd probeerden de Amerikanen radicale staten in de regio (Iran, Irak, Soedan en Libië) zoveel mogelijk te isoleren, hoewel sinds de verkiezing van president Khatami in Iran (1997) de relaties tussen Iran en de VS enigszins lijken te normaliseren. Na afloop van de Tweede Golfoorlog had Saddam Hussein zich in Irak weten te handhaven, maar was de toekomst van zijn land hoogst onzeker geworden. In de regio vreesden de kleinere Golfstaten voorts een te grote invloed van de islamitische republiek Iran. Deze werd ervan beschuldigd regeringen elders in het Midden-Oosten te willen ondermijnen door steun te verlenen aan islamitische oppositiebewegingen.
In 1997 en 1998 overheersten de zorgen over het volstrekte gebrek aan vooruitgang in het Palestijns-Israëlische vredesproces. De sfeer werd extra vertroebeld doordat Israël doorging met de bouw van nieuwe nederzettingen in bezet gebied, waaronder Oost-Jeruzalem. Een nieuwe poging middels het akkoord van Wye Plantation (1998 en 1999) om het vredesproces weer op gang te krijgen, liepen vast op de nederzettingenpolitiek van premier Bejamin Netanyahu, de problemen over de status van Jeruzalem en het voortdurende terroristische geweld.
Na de uitbreking van de tweede Intifadah (september 2000) kwam het vredesproces geheel tot stilstand en escaleerde de strijd in de bezette gebieden steeds verder. Er ontstond een spiraal van geweld, waarbij Israël Palestijnse leiders liquideerde, en met tanks de Palestijnse gebieden binnenviel en Palestijnse zelfmoordcommando’s van Hamas, de Islamitische Jihad en de aan al-Fatah gelieerde al-Aqsa-brigades acties ondernamen tegen joodse nederzettingen en burgerdoelen in Israël. Verzoeningspogingen en wapenstilstanden konden het geweld niet stoppen en vanaf maart 2002 escaleerde de situatie tot een regelrechte oorlog. Israël herbezette de Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever en voerde herhaaldelijk grootschalige militaire acties uit in Gaza, waarbij veel Palestijnse burgerslachtoffers vielen. Nadat de infrastructuur van de Palestijnse Nationale Autoriteit systematisch was vernietigd, was de politiek van de Israëlische premier Ariel Sharon er in 2003 vooral op gericht de militaire infrastructuur van Hamas en de Islamitische Jihad te vernietigen. Het Israëlische offensief hiertoe leidde tot een nieuwe golf van zelfmoordaanslagen. De politieke invloed van Arafat was met de vernietiging van zijn hoofdkwartier in Ramallah sterk verminderd. In april 2003 moest Arafat genoegen nemen met een nieuwe Palestijnse regering onder leiding van premier Mahmoud Abbas (Abu Mazen), die nieuwe onderhandelingen moest gaan voeren volgens het recept van de ‘routekaart’ naar vrede onder de paraplu van de VS, EU, Rusland en de VN. Arafats rol was echter nog niet uitgespeeld, zoals Sharon en de Amerikaanse president Bush wensten. Op 6 september bood premier Abbas alweer zijn ontslag aan, o.a. vanwege de tegenwerking die hij ondervond van Arafat. Hij werd op 7 oktober opgevolgd door Ahmed Qurei, ook wel bekend als Abu Ala.
Na een groot Israëlisch legeroffensief om Palestijnse raketbeschietingen op Israëlische doelen vanuit het noorden van de Gazastrook te stoppen, waarbij in een week tijd zo'n tachtig Palestijnse doden vielen en het noordelijke deel van de Gazastrook door het Israëlische leger werd herbezet, liet een woordvoerder van de Israëlische regering begin oktober 2004 weten dat wat Israël betrof de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever van de baan was. Het vredesproces werd voor onbepaalde tijd bevroren. Dit betekende ook het eind van de door de VS, de VN, de EU en Rusland opgestelde 'routekaart' naar vrede.
Op 11 november 2004 overleed Arafat. Als leider van de PLO werd hij opgevolgd door Mahmoud Abbas, die in januari 2005 tot nieuwe president van de Palestijnse Nationale Autoriteit werd gekozen. Het bracht geen rust in de regio. Bij verkiezingen in januari 2006 kwam de fundamentalistische beweging Hamas als verrassende overwinnaar tevoorschijn, ten koste van de Fatahpartij. De radicale standpunten van de nieuw gevormde regering leidde tot een boycot van het nieuwe Palestijnse leiderschap door Israël en de westerse staten en tot opdroging van de geldstroom uit het buitenland. In maart 2007 werd een Palestijnse regering van nationale eenheid gevormd na bemiddeling door Saoedi-Arabië, waarna Fatahministers toetraden tot de Hamasregering. Maar de resultaten bleven uit. De internationale hulp aan de Palestijnen werd niet hervat en de gevechten tussen gewapende aanhangers van Hamas en Fatah namen niet af. Hamas en Fatah beschuldigden elkaar van het plegen van een staatsgreep in een situatie die steeds meer trekken ging vertonen van een burgeroorlog.
| 9.2 Oorlog in Irak |
De Iraakse weigering UNSCOM tot enkele paleizen van Saddam Hussein toe te laten leidde, na eerdere Amerikaanse dreiging met geweld, in december 1998 tot operatie Desert Fox, waarin de VS en Groot-Brittannië massale luchtbombardementen op Irak uitvoerden. Saddam Hussein bleef aan de macht en weigerde UNSCOM toe te laten, waarna een militair kat-en-muisspel begon tussen Irak en de Verenigde Staten en Groot-Brittannië dat begin 1999 meermalen dreigde te escaleren. Voorstellen van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië begin 2001 om de sancties zo te wijzigen dat de burgerbevolking zou worden ontzien, werden afgewezen door Rusland en Frankrijk die zich tegen de sancties keerden. Na de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september en de hierop volgende Amerikaanse militaire operatie in Afghanistan, nam ook de Amerikaanse druk op Irak toe. In de State of the Union van president Bush van 29 januari 2002 werd Irak ingedeeld bij de ‘As van het kwaad’ (samen met Iran en Noord-Korea). Bewijzen van banden van het Iraakse regime met al-Qaida werden niet geleverd, maar Washington onderstreepte de potentiële dreiging van Iraakse massavernietigingswapens en stuurde aan op het afzetten van Saddam Hussein (‘regime change’). De Veiligheidsraad aanvaardde op 8 november 2002 unaniem, inclusief Syrië, resolutie 1441 die Irak ‘een laatste kans’ gaf zich van massavernietigingswapens te ontdoen. Bij ‘wezenlijke schending’ (‘material breach’) dreigden ‘ernstige gevolgen’, hetgeen Bush interpreteerde als oorlog. Bagdad stemde in met de resolutie waarna de wapeninspecteurs van UNMOVIC onder leiding van Hans Blix en het Internationaal Atoomenergie Agentschap onder leiding van Mohamed El-Baradei op 27 november hun werk hervatten. Ondertussen voerde Washington de militaire druk op. Op 27 januari 2003 benadrukte Blix in de Veiligheidsraad dat Irak de VN-resoluties die zijn ontwapening eisten niet daadwerkelijk accepteerde. Voor Washington legitimeerde dit militair optreden. Terwijl de tegenstanders van oorlog, onder aanvoering van Frankrijk, Rusland en Duitsland, in Blix’ rapportage argumenten vonden voor de continuering van de wapeninspecties. Uiteindelijk kondigde Bush op 18 maart 2003 een ultimatum af. Irak verwierp het ultimatum en op donderdag 20 maart 03.45 uur begon de oorlog. In eerste instantie ondervonden de troepen van de coalitie hevige tegenstand, maar na twee weken boekten de troepen van de coalitie opmerkelijke successen. In het zuiden werd Basra ingenomen door Britse troepen en Amerikaanse soldaten namen Nassiriya en Najaf in. In het noorden werd door Amerikaanse parachutisten nabij Arbil in autonoom Koerdistan een noordelijk front gestart in samenwerking met Koerdische peshmerga’s van KDP en PUK. Op 9 april 2003 viel Bagdad na de opmerkelijk snelle opmars van het Amerikaanse leger. De gevreesde gruwelen van een stadsoorlog bleven uit en ook de door Washington gevreesde inzet van chemische wapens door Iraakse troepen bleef achterwege. Het omverhalen van een standbeeld van Saddam Hussein op het Fardusplein in Bagdad symboliseerde het einde van het Ba’thregime van Saddam Hussein. Na de inname van Bagdad vielen in snel tempo ook de Iraakse steden in het noorden: Kirkuk, Mosul en ten slotte op 14 april Tikrit, de geboortestad van Saddam Hussein.
Over het lot van Saddam zelf bleef nog een aantal maanden onduidelijkheid bestaan. Hij werd op 13 december 2003 door Amerikaanse militairen in een gat in de grond in de buurt van de stad Tikrit ontdekt en gevangengenomen. Hiermee hadden de Amerikanen de schoppenaas in het kaartspel dat zij maakten van de 55 meest gezochte Irakezen, eindelijk te pakken.
Op 30 juni 2004, twee dagen na de soevereiniteitsoverdracht, droegen de Amerikanen Saddam Hussein en elf van diens naaste medewerkers, onder wie ex-vice-premier en ex-minister van Buitenlandse Zaken Tareq Aziz, over aan de nieuwe Iraakse autoriteiten. Na een langdurig proces werd Saddam Hussein op 30 december 2006 geëxecuteerd.
Daarmee kwam nog geen rust in het land. Bomaanslagen en zelfmoordacties bleven grote aantallen slachtoffers eisen. De bomaanslag in februari 2006 op de Gouden Moskee in Samarra, een van de meest heilige plaatsen voor sjiieten, markeerde een verheviging van de sektarische strijd tussen soennieten en sjiieten en leidde tot een steeds hoger aantal aanslagen en doden, zowel onder de Iraakse burgerbevolking als onder Amerikaanse militairen. Van verschillende kanten werd gewaarschuwd voor een burgeroorlog, met mogelijk ernstige consequenties voor een uiteenvallen van Irak langs etnische lijnen, in twee of drie delen. Volgens sommigen was de burgeroorlog al een feit. De toenemende kritiek op het Irakbeleid van de Amerikaanse regering vertaalde zich in pleidooien voor een vermindering van het aantal Amerikaanse militairen, een versnelde overdracht van veiligheidstaken aan het Iraakse leger en de Iraakse politie, en een politieke dialoog met Iran en Syrië als de vermeende steunpilaren achter het geweld. De kritiek vormde ook een belangrijke verklaring voor de nederlaag van de Republikeinen bij de Amerikaanse Congresverkiezingen in november 2006.
| 9.3 Oorlog in Zuid-Libanon |
De ontvoering van een tweetal Israëlische soldaten door Hezbollahstrijders in het zuiden van Libanon leidde begin juli 2006 tot een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten. Voor Israël gold als belangrijkste doel de uitschakeling van Hezbollah’s infrastructuur om een eind te maken aan de beschietingen met Katjoesjaraketten van Israëlische woongebieden. Op 14 augustus 2006 kwam na 33 dagen strijd een einde aan de oorlog tussen het Israëlische leger en de fundamentalistisch-sjiitische beweging Hezbollah. Dat gebeurde op basis van een resolutie van de Veiligheidsraad van de VN die opriep tot ‘een volledig staken van de vijandelijkheden’, als opmaat voor de ontplooiing in het zuiden van Libanon van het Libanese leger en Unifil, de vredesmacht van de VN, op basis van een nieuw robuust ‘peacekeeping’-mandaat dat de blauwhelmen de bevoegdheid gaf voor het gebruik van geweld. De politieke opdracht van deze gezamenlijke missie was om het zuidelijke deel van het land, tussen de rivier de al-Litani en de grens met Israël, dat jarenlang onder controle had gestaan van Hezbollah, weer onder het gezag van de regering in Beiroet te brengen. In dat verband eiste de Raad met name de ontwapening van Hezbollah.
Algemeen werd de afloop van de oorlog gezien als een overwinning voor Hezbollah, omdat Israël niet geslaagd was in zijn opzet de infrastrucuur voor de beschietingen vanuit Zuid-Libanon te vernietigen. In Israël zelf werd gesproken van de ‘eerste nederlaag’ in de reeks van oorlogen sinds de oprichting van de staat in 1948.