| middeleeuwen | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 1. Periodisering |
Historici zijn het niet eens over de afbakening van deze periode. In elk geval worden de 8ste tot en met de 14de eeuw algemeen tot de middeleeuwen gerekend. Van de 4de tot en met de 7de eeuw doen zich nog allerlei verschijnselen voor, die kenmerkend voor de klassieke oudheid zijn (zie ook Romeinse Rijk). Tegelijk zijn er typische middeleeuwse elementen aan te wijzen. Deze eeuwen vormen dus een overgangsperiode. Hetzelfde geldt voor de 15de en de 16de eeuw, als middeleeuwse kenmerken tegelijkertijd voorkomen met verschijnselen die typerend zijn voor de nieuwe tijd.
Net als het begrip oudheid alleen bruikbaar is voor de culturen rond de Middellandse Zee, heeft `middeleeuwen’ alleen betrekking op de geschiedenis van het katholiek-christelijke deel van Europa. De aangrenzende culturen en politieke gebieden, de Grieks-orthodoxe en de islamitische wereld, kennen hun eigen periodisering.
Wegens de lengte van het tijdperk, 700 jaar in de meest beperkte opvatting en 1300 jaar in de ruimste, is het moeilijk om kenmerken te definiëren die voor de hele periode gelden. Bovendien zijn sommige typisch middeleeuwse scheppingen, zoals universiteiten en volksvertegenwoordigingen, pas vrij laat in de periode ontstaan. Andere even typische fenomenen, zoals de feodaliteit en het keizerschap, hebben daarentegen hun bloeiperiode enkele eeuwen voor het eind van de middeleeuwen al ruimschoots achter de rug.
Om in deze problematiek enigszins te voorzien, zijn onderverdelingen aangebracht. Traditioneel is een driedeling: vroege middeleeuwen tot ca. 1000, volle of hoge middeleeuwen van ca. 1000 tot ca. 1300 en late middeleeuwen vanaf ca. 1300. Moderner is een tweedeling: eerste middeleeuwen en tweede middeleeuwen, respectievelijk vóór en na ca. 1050.