Zoekweergave Meyerbeer, Giacomo

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Meyerbeer, Giacomo

Meyerbeer, Giacomo, eigenlijk: Jakob Liebmann Meyer Beer (Vogelsdorf bij Berlijn 5 sept. 1791 – Parijs 2 mei 1864), Duits componist, pianist en dirigent, broer van de schrijver Michael Beer, studeerde o.a. bij Zelter en van 1810 tot 1812 bij abbé Vogler in Darmstadt (samen met Carl Maria von Weber). Hij trad aanvankelijk met groot succes als pianist op, mede omdat zijn eerste theaterwerken geen succes hadden. In 1816 ging hij naar Italië, waar hij negen jaar zou verblijven. Na een verblijf in Berlijn (1823–1826) vestigde hij zich in Parijs, waar hij met zijn Franse opera's in grote stijl wereldnaam maakte. Van 1838 tot 1842 was hij Generalmusikdirektor te Berlijn, als opvolger van Spontini.

Het zwaartepunt van Meyerbeers carrière lag in Parijs in de jaren dertig en veertig. Hij ontwikkelde zich daar tot de representant bij uitstek van de grand opéra, de voortzetting van de barokopera. Hij was een briljant theatercomponist, die, evenals zijn geroutineerde librettist Eugène Scribe, feilloos vorm wist te geven aan de smaak en de gevoelens van zijn tijdgenoten, een meester in het uitdrukken van hartstochten met vaak originele en sprekende middelen. Driekwart eeuw heeft Meyerbeer de opera beheerst. Zijn instrumentatiekunst en de behandeling van massascènes hebben invloed gehad op zijn opvolgers, vooral op Halévy, maar ook op Wagner (die hem evenwel verguisde), op Massenet en tot op zekere hoogte op Verdi en Gounod.

WERK: (behalve de genoemde): Instrumentaal: Orkest: o.m. Schiller Festmarsch (1859); Krönungsmarsch (1863). – Vocaal: Opera's: Jephtas Gelübde (1812); Das Brandenburger Tor (1814); Romilda e Constanza (1817); Semiramide riconosciuta (1819); Margherita d'Anjou (1820); L’esule di Granata (1822; Il crociato in Egitto (1824); Robert le diable (1831); Les huguenots (1836); Ein Feldlager in Schlesien (1844); Le prophète (volt. 1843, première 1849); L’Étoile du Nord (1854); Le pardon de Ploërmel (of Dinorah of Le chercheur du trésor, 1859); L’Africaine (2de versie Vasco da Gama, 1865). – Koorwerken: o.m. oratorium Gott und die Natur (1811); Psalm 91 (8-st.); Pater noster (4-st.); cantates en kleinere koorwerken; liederen: o.m. Quarante mélodies à une et plusieurs voix.Voorts: ballet- en toneelmuziek.