| Zoekweergave | meteoriet | Terug |
| Introductie |
meteoriet, object dat vanuit de ruimte rondom de Aarde daarop neervalt. Op sommige plaatsen op Aarde vindt men meteorietkraters, die door inslaande meteorieten zijn gevormd. Zeer grote lichamen kunnen nl. vrijwel ongeremd door de atmosfeer heen dringen en komen dan met grote kracht op het aardoppervlak neer.
Bekend is de val van een reusachtige meteoriet op 30 juli 1908 bij de Toengoeska, Siberië. Het ontbreken van restanten maakt deze val echter zeer raadselachtig en doet sommigen vermoeden dat het hier een komeetkern betrof. Duidelijker was de val van 12 febr. 1947 in het Sichote-Alingebergte in Siberië. De meteoriet viel op klaarlichte dag als een verblindende vuurbol. Russische expedities verzamelden een groot aantal brokstukken, bestaande uit nikkelijzer, en vonden zeer veel kraters in een elliptisch veld. Meteorieten vallen dikwijls in zwermen. Zo viel op 25 dec. 1965 een zwerm steenmeteorieten boven en rondom Barwell, in Zuid-Engeland. Op 26 april 1803 vielen bij l'Aigle, in Frankrijk, 2000 à 3000 meteorieten. Gemiddeld vallen er op een oppervlak ter grootte van Nederland zo'n vier meteorieten per jaar. In werkelijkheid zijn er in ons land slechts vier in 150 jaar gevonden (in 1840, 1843, 1925 en 1990), zodat het grootste deel van de meteorieten verloren gaat. Enkele meteorieten heeft men als fossiel in oude afzettingen teruggevonden.
| 1. Antarctische vondsten |
In het zuidpoolgebied zijn grote aantallen meteorieten gevonden, waardoor onze kennis daarvan enorm is uitgebreid. Onderzoekers verzamelden meer dan 10 000 voornamelijk steenmeteorieten, die jarenlang in deze natuurlijke vrieskast geconserveerd lagen, maar door de ijsbewegingen aan het oppervlak komen. Van een tiental vertonen de mineralogische samenstelling, de mangaan–ijzer-verhouding en de samenstelling van de zuurstofisotopen een grote overeenkomst met die van de op de Maan verzamelde stenen. Men vermoedt dat ze van de Maan afkomstig zijn. Daarnaast zijn er stenen gevonden, waarvan de isotoopverhoudingen van krypton, argon en xenon precies overeenkomen met de meetresultaten van de Viking-ruimteschepen op Mars. Deze stenen zijn derhalve vermoedelijk afkomstig van Mars.
| 2. Soorten |
Naar hun samenstelling worden de meteorieten verdeeld in steenmeteorieten (92%), steenijzers (1%) en ijzermeteorieten (7%). In sommige meteorieten zijn aminozuren gevonden, de bouwstenen van eiwitten, en in sommige verschillende vormen van koolstof, die afkomstig moet zijn van sterren.
| 2.1 Steenmeteorieten |
De steenmeteorieten worden ook aërolieten genoemd en zijn onderverdeeld in chondrieten en achondrieten. Zij bevatten silicaten, vooral bronziet, enstatiet en olivien, voorts glas en een weinig metaal. De meerderheid bestaat uit chondrieten, die kleine harde korrels met meestal radiaal-vezelige structuur bevatten: chondren (mineraal-, glas- of metaalopeenhopingen) die in een kristallijn gesteente liggen. Ook bevatten chondrieten de zogeheten calcium- en aluminiumrijke inclusies (CAI’s). Deze zijn ongeveer 2 miljoen jaar ouder dan chondren en hebben een andere scheikundige samenstelling.
De achondrieten bevatten geen chondren en CAI’s. Beide soorten worden in allerlei klassen onderverdeeld. Steenmeteorieten bezitten een dunne zwarte smeltkorst en soms op hun oppervlak holten, die eruitzien alsof ze er met een vinger in gedrukt zijn.
| 2.2 IJzermeteorieten |
De steenijzers heten siderolieten en de ijzermeteorieten noemt men ook wel siderieten. Zij worden onderverdeeld in octahedrieten, hexahedrieten en ataxieten. De meeste behoren tot de eerste klasse, die uit lamellen van nikkelijzer zijn gebouwd, die evenwijdig aan de vlakken van de octaëder vergroeid zijn. De structuur van de octahedrieten verschijnt op een geslepen vlak na etsing. In het algemeen zullen daarop vier richtingen van lamellen zichtbaar worden, maar ingeval de doorsnede evenwijdig aan een van de octaëdervlakken loopt, slechts drie richtingen, die elkaar volgens hoeken van 60° snijden. Deze etsfiguren worden Widmanstättenpatronen genoemd. Een volledige lamel van nikkelijzer bestaat uit een stuk kamaciet (balkijzer), dat aan weerszijden door dunne banden van teniet (bandijzer) is omgeven. Tussen de lamellen ligt plesiet (opvullingsijzer), dat een eutektisch mengsel van kamaciet en teniet is. Kamaciet is nikkelarm, teniet nikkelrijk; het gemiddelde Ni-gehalte is ca. 8%. Een gedeelte van het nikkel is steeds door kobalt vervangen. In het nikkelijzer treden gewoonlijk insluitsels op, waarvan troiliet (FeS) het bekendste is. Ook schreibersiet wordt vrij veelvuldig gevonden. Bij ijzermeteorieten zijn de oppervlakteholten duidelijker dan bij steenmeteorieten. Merkwaardig is de afwezigheid, resp. zeldzaamheid van de ‘gewone’ mineralen van onze aardkorst: kwarts, de glimmergroep en de amfiboolgroep.
| 3. Herkomst |
Vermoed wordt dat de meeste meteorieten de restanten zijn van planetoïden. Meteorieten moeten daarom worden onderscheiden van meteoroïden (zie meteoor), kleine objecten die bijvoorbeeld afkomstig zijn van de staart van kometen. De ouderdom van meteorieten bedraagt ca. 4,6 miljard jaar. Als zodanig vormen zij een bijzonder gemakkelijk en goedkoop hulpmiddel bij het onderzoek naar het ontstaan van het zonnestelsel en zelfs naar de periode daarvóór. In meteorieten zijn namelijk ook koolstof- en zuurstofhoudende korrels aangetroffen die zijn gevormd vóór het ontstaan van de zon. In de korrels zijn bijvoorbeeld siliciumcarbide, grafiet, aluminiumoxide, spinel, diamant en silicaten ontdekt, stoffen die waarschijnlijk gevormd zijn nabij rode reuzen. Bovendien blijkt uit aangetroffen afvalproducten dat de korrels kort na hun ontstaan veel ijzer-60 hebben bevat. Deze radioactieve isotoop van het element ijzer wordt alleen in reuzensterren gevormd en heeft een halfwaardetijd van anderhalf miljoen jaar, zodat het aangetroffen ijzer niet van elders uit het heelal kan komen. Ook dat is een aanwijzing dat er in de gaswolk waaruit de zon is ontstaan ook zwaardere sterren (kortlevende reuzensterren; bestaanstijd van ongeveer 10 miljoen jaar) zijn gevormd.
Het onderzoek aan meteorieten, en met name chondrieten, duidt er bovendien op dat de gaswolk waaruit behalve de zon ook de planeten ontstonden, maar vrij kort heeft bestaan. De chemische samenstelling van CAI’s in chondrieten verschilt namelijk aanzienlijk van die van de chondren, terwijl CAI’s maar 2 miljoen jaar ouder zijn. Hieruit wordt geconcludeerd dat het planeetvormingsproces zich relatief snel heeft voltrokken.
| 4. Inslagrisico’s op aarde |
Volgens schattingen is de kans dat een ruimteobject met een diameter groter dan een kilometer op aarde neerslaat relatief klein: eens in de vele miljoenen jaren. Voor objecten van 200 meter is die kans eens in de 170.000 jaar. Objecten met de omvang van die van de meteoriet bij Toengoeska treffen de aarde ongeveer eens in de duizend jaar, objecten met een diameter kleiner dan een meter dagelijks. Sommige wetenschappers veronderstellen dat bepaalde uitstervinggolven gedurende het geologische verleden veroorzaakt zijn door de inslagen van grote meteorieten (zie ook Krijt).
Omdat er voortdurend grote meteorieten, planetoïden en kometen worden ontdekt die op relatief kleine afstand langs de aarde scheren, is er een risicoschaal ontwikkeld, waarmee kan worden aangegeven hoe gevaarlijk een bepaald object kan zijn. Deze zogeheten Torino-schaal, genoemd naar de Italiaanse stad waar de schaal in juni 1999 door de Internationale Astronomische Unie (IAU) werd ingesteld, loopt van 0 tot 10.
De Torino-schaal houdt rekening met de omvang van het naderende object, zijn snelheid en de kans dat hij met de aarde zal botsen. Objecten met waarden 0 en 1 worden als onschadelijk beschouwd, die met waarden 2 tot en met 4 krijgen wat meer aandacht van sterrenkundigen. Pas vanaf categorie 5 is sprake van enige dreiging; de waarde 10 betekent dat er zeker een inslag zal plaatsvinden die een mondiale catastrofe zal veroorzaken. Tot nog toe is er nog geen object waargenomen dat op de Torino-schaal hoger dan 4 scoort.