| Zoekweergave | Martinu, Bohuslav | Terug |
Martinu, Bohuslav (Polička 8 dec. 1890 – Liestal 28 aug. 1959), Amerikaans componist van Tsjechische afkomst, studeerde in Praag viool, orgel en muziektheorie. In 1922 nam hij compositielessen bij Josef Suk; een jaar later vestigde hij zich in Parijs, waar Albert Roussel zijn muzikale mentor werd. Samen met de Zwitser Conrad Beck, de Hongaar Tibor Harsányi en de Roemeen Marcel Mihalovici vormde hij een groep componisten, die in de wandeling Groupe des Quatre (naar analogie van de Groupe des Six) werd genoemd. In 1940 vluchtte hij via Lissabon naar de Verenigde Staten, waar hij tot 1953 verbleef en o.a. aan Princeton University en Berkshire Music Center doceerde. Als – goeddeels autodidactisch – componist is Martinu een waardige voortzetter van de door Smetana en Dvořák gevestigde Tsjechische muzikale traditie. Naast invloeden uit deze richting is vooral de ritmische vitaliteit van Strawinsky en de Franse neoklassieken (zie neoclassicisme) kenmerkend voor zijn muziek, alsmede de techniek om een in wezen harmonisch-statisch veld de schijn te geven van een beweeglijk stemmenweefsel. De stijl van Martinu is ondanks bovengenoemde invloeden individueel en markant, maar neigt in zijn minder geïnspireerde werken enigszins tot het stereotype.
WERK: Orkest: 5 pianoconc.: 1ste (1925); 2de (1934); 3de (1948); 4de: Incantation (1955–1956); 5de: Fantasia concertante (1957); 2 celloconc. (1930; 1944–1945); Sinfonia concertante (1932; v. 2 ork.); Concerto grosso (1937); Tre ricercari (1938); dubbelconc. v. 2 strijkork., piano en pauken (1938); 6 symfonieën: 1ste (1942), 2de (1943), 3de (1944); 4de (1945); 5de (1946); 6de: Fantaisies symphoniques (1951–1953); Memorial to Lidice (1943); Sinfonia concertante (1949; v. viool, hobo, fagot, cello en kamerork.); Sinfonietta La Jolla (1950; v. kamerork. en piano); Les fresques de Piero della Francesca (1955); hoboconc. (1955); The rock (1957; symf. prelude); The parables (1957–1958; v. ork.); Estampes (1958). – Kamermuziek: 7 strijkkwartetten: 1ste (1918), 2de (1925), 3de (1929), 4de (1937), 5de (1938), 6de (1946), 7de: Concerto da camera (1947); 2 nonetten (1924–1925; 1959); 3 genummerde vioolsonates (1926; 1931; 1944) en 2 ongenummerde (1919; 1926); 3 cellosonates (1939; 1941; 1952); fluitsonate (1945). – 11 Opera's: o.a. The soldier and the dancer (1927; Plautus, bew. Budin); The plays of Mary (1933–1934); Alexandre bis (1937; Wurmser); Greek passion (1956–1959; n. N. Kazantzakis); Mirandolina (1959; n. Goldoni). – Soli, koor en ork.: Field mass (1939; v. mannenkoor, baritonsolo en ork.); Das Gilgamesch-Epos (1957; cantate); Prophecy of Isaiah (1959; v. mannenkoor, 3 solisten en instr.). – Voorts: toneel-, film- en balletmuz., koorwrk., liederen.