| Zoekweergave | mandoline | Terug |
mandoline (v. Ital. mandolino, verkleinwoord van mandola), in de 17de eeuw in Italië geconstrueerd tokkelinstrument, dat met een plectrum (schildpad, ivoor of hoorn) wordt bespeeld. Het heeft een bolvormig achterblad, een snaarbevestiging onder aan de klankkast, een open en rond klankgat, een korte hals, een vlakke toets met metalen fretten en voor wat het gebruikelijke, Napolitaanse type betreft, vier dubbele metalen snaren (stemming g-d1-a1-e2) . Tonen met lange waarde worden gerealiseerd door de snaar continu repeterend te tokkelen. Het instrument heeft niet alleen in de volksmuziek een rol gespeeld, ook componisten als Vivaldi (Mandolineconcert), Mozart, Grétry, Beethoven, Mahler en Schönberg gebruikten de mandoline in hun werken. Behalve de hierboven genoemde Napolitaanse mandoline waren, vooral vroeger, andere typen in gebruik: de Milanese mandoline met zes dubbele snaren (stemming g-b-e1-a1-d2-e2 of g2), de Siciliaanse mandoline met meestal driekorige snaren (stemming g-d1-a1-e2) en de Florentijnse mandoline met vijf dubbele snaren (stemming d1-g1-c2-e2-a2 ). De mandoline is ook in familie gebouwd; thans zijn nog wel in gebruik het tenortype, de mandola (niet te verwarren met de eigenlijke mandola; stemming een octaaf lager dan de mandoline), het bastype, de mandolone (niet te verwarren met de oudere mandolone; stemming C-G-d-a) en het contrabastype, de mandolonbas (stemming E1-A1-D-G). In de moderne tijd kwamen nog twee typen mandolines op: de Portugese of halfronde mandoline en de Duitse of vlakke mandoline; het verschil met de Napolitaanse mandoline is vooral gelegen in de anders gebouwde klankkast.