Zoekweergave Maas

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Maas
Introductie

Maas (Fr.: Meuse, Lat.: Mosa), rivier in Noordwest-Europa, 925 km lang, waarvan 492 km in Frankrijk, 194 km in België en 239 km in Nederland; stroomgebied: 33 000 km2. De rivier vormt, met uitzondering van een deel om Maastricht, de oostelijke grens van Belgisch met Nederlands Limburg.

1. Stroomgebied

De Maas ontspringt op het plateau van Langres, op 409 m hoogte, nabij Pouilly en Bassigni en stroomt noordwaarts in een smalle vallei in het Lotharings plateau. De vallei wordt breder voorbij het Marne-Rijnkanaal. De Maas beschrijft tussen Mézières en Givet meanders in het Ardens plateau en ontvangt in Frankrijk o.m. de zijrivieren de Chiers en de Semois. Vanaf de kruising met het Marne-Rijnkanaal is de vaart voor schepen tot 300 ton mogelijk. Gedeeltelijk is de Maas met stuwen bevaarbaar gemaakt; gedeeltelijk zijn onder de naam Canal de L'Est kanalen parallel aan de Maas gelegen. Stroomafwaarts van Sedan mondt het Canal des Ardennes uit in de Maas. Alle kanalen zijn bevaarbaar voor schepen tot 300 ton.

1.1 België

De Maas komt in België op een hoogte van 98 m en stroomt noordwaarts tot Namen in een schilderachtige vallei, dwars door de plooiruggen van het Condruzisch plateau en buigt dan om naar het oosten tot Luik in een brede vallei. Vanaf Luik op 60 m hoogte (OP) loopt zij noordwaarts via de ‘enclave van Maastricht’ tot Kessenich op 26 m, waar zij België definitief verlaat. De belangrijkste zijrivieren zijn in België achtereenvolgens: links de Viroin, de Samber, de Méhaigne en de Jeker; rechts de Lesse, de Bocq, de Hoyoux en de Ourthe met de Vesder. De Maas heeft een breedte van 90 m te Heer (gem. Hastière) aan de Franse grens, van 140 m te Luik en van amper 120 m te Maaseik. Het regime is onregelmatig, met sterke wassen in de winter en zeer lage waterstanden in de zomer, vooral stroomafwaarts van Lieze (Lixhe). Zij is op Belgisch grondgebied volledig gekanaliseerd en bevaarbaar voor schepen tot 1350 ton (stroomafwaarts van Namen voor schepen tot 2000 ton) en duwvaart tot 9000 ton). Het Albertkanaal verbindt de Maas met Antwerpen. De rivier bevoorraadt niet alleen de Kempische kanalen, maar speelt tevens een belangrijke rol in de watervoorziening van het noorden van België (o.a. de Antwerpse en Brusselse agglomeratie). Het gemiddelde debiet bedraagt te Givet 120 m3/s en te Lieze 250 m3/s.

1.2 Nederland

Even boven Eijsden komt de Maas in Nederland. Zij stroomt in noordelijke richting tot Mook en dan naar het westen tot Hedel, vanwaar zij via de Bergse Maas en de Amer in het Hollands Diep uitmondt. Tot 1904 mondde de rivier bij Woudrichem in de Waal uit; toen werd echter de Bergse Maas geopend en het gedeelte van de Maas tussen Well en Andel afgedamd (Afgedamde Maas). Ondanks de verbetering in de waterafvoer ten gevolge hiervan, bleef Noord-Brabant wateroverlast ondervinden in het gebied van de Beerse Maas. Na overstromingen en dijkdoorbraak in 1926 werden nog in dat jaar de ontwerpen van Lely voor de Maasverbetering in uitvoering genomen. Na de uitvoering van de bochtafsnijding Boxmeer 1979–1982 zijn de Maasverbeteringswerken voltooid. Door afsnijding van bochten was de lengte van de Maas met ca. 23 km bekort en was de capaciteit van de rivier berekend op de hoogst waargenomen waterverplaatsing van 3000 m3/s (1926). De Beerse Overlaat kon in 1942 gedicht worden. Om bij lage waterstanden in de zomer de Maas bevaarbaar te houden, is een zevental stuwen gebouwd, te Borgharen (bij Maastricht), te Linne, Roermond, Belfeld, Sambeek, Grave en Lith. De met België gemeenschappelijke Maas is van Borgharen tot Maaseik niet bevaarbaar. De scheepvaart maakt daar gebruik van het Julianakanaal van Maastricht naar Maasbracht. Stroomopwaarts wordt de scheepvaartverbinding met de Belgische Maas gevormd door het sluizencomplex van Ternaaien. De verbinding met de Rijntakken wordt gevormd door het Maas-Waalkanaal van het stuwpand Grave naar de Waal bij Nijmegen.

De situatie tussen Linne en Roermond werd in het begin van de jaren zeventig gewijzigd door de aanleg van een lateraal kanaal, dat boven de stuw bij Linne begint en beneden de stuw bij Roermond in de Maas uitmondt. Voor de doorgaande scheepvaart betekent dit tijdwinst, omdat in plaats van twee sluizencomplexen (Linne en Roermond) slechts één (Heel) gepasseerd hoeft te worden.

Van Maasbracht tot Grave zijn per stuwcomplex voor de scheepvaart drie sluizen beschikbaar met als afmetingen van de oude sleepsluizen 260 m × 14 m en van de nieuwe dubbelsluizen 142 m × 16 m. De waterafvoer door de stuwen is bij afvoeren lager dan ca. 1000 m3/s regelbaar. Bij hogere afvoeren is de rivier ongestuwd (gemiddeld ongeveer een week per jaar).

Beneden Mook krijgt de rivier het beeld van een bedijkte rivier met uiterwaarden. Het riviergedeelte benedenstrooms van Lith staat onder invloed van de Haringvlietsluizen. In Nederland is de Maas een belangrijke waterleverancier voor de agglomeratie van Rotterdam en Den Haag.

2. Volkenrechtelijke status

De Maas behoort tot de internationale rivieren. Bij de akte van het Congres van Wenen (1815) werd bepaald dat de vrijheid van scheepvaart zoals deze aanvaard was voor de Rijn, ook van toepassing was op de Maas. In art. 9 van het Verdrag der XXIV Artikelen (1839) tussen Nederland en België werd verklaard dat deze vrijheid van scheepvaart ook voor België zou gelden. Het internationale regime is echter nooit volledig tot ontwikkeling gekomen, vooral omdat de rivier lange tijd slecht bevaarbaar was. De scheepvaart op de Maas wordt dan ook vooral beheerst door de nationale wetgevingen van de oeverstaten. Aan de rivier worden grote hoeveelheden water onttrokken ten behoeve van bepaalde kanalen en voor irrigatie.