Japanse muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Japanse muziek
4. Na 1945

Na 1945 deden zich in Japan twee muziekculturen voor: naast de eigen, traditionele muziek (hogaku), trad een zelfstandige westerse muziekcultuur op de voorgrond, die twee tendensen vertoont: a. een traditioneel westerse (westerse symfonieorkosten e.d.) en b. een avantgardistische muziekcultuur die gebruikmaakt van moderne westerse muziektechnieken (serialisme, elektronische muziek, enz.). Componisten als Minao Shibata en Kan Ishi hebben na 1945 westerse invloeden in hun composities verwerkt. Toru Takemitsu, Kozuo Fukushima, Yoriaki Matsudaira (zoon van Yoritsune Matsudaira, die zich reeds in de jaren dertig toelegde op het componeren in westerse trant) en Makoto Shinohara hebben invloeden uit Europa en de Verenigde Staten op zelfstandige wijze verbonden met oorspronkelijke Japanse tradities, waarbij Takemitsu de spanning tussen de twee muzikale werelden tot uitdrukking bracht in zijn November steps I (1967, voor symfonieorkost en de Japanse instrumenten biwa en shakuhachi) en Shinohara (elektronische muziek Mémoires, 1966) oosterse klankfiguraties en westerse traditie met elkaar verbond. Toshiro Mayazumi en Maki Ishii richtten zich geheel en al op de westerse moderne muziek. Ishii trachtte deze te verbinden met Japanse toneeltradities (balletmuziek Ningen Tanyo, 1954), terwijl Mayazumi tot musique concrète kwam. Yuji Takahasi (1938) trad als componist en pianist naar voren en heeft vooral de 'stochastische' compositietechnieken van Yannis Xenakis in zijn eigen werk toegepast (Kagahi voor piano en orkest, 1971). Toshi Ichiyanigi (1933) introduceerde de ideeën van John Cage bij de jongste generatie Japanse componisten.