In de vorming van kleine ensembles en van grotere orkestformaties leggen de Japanners een uitgesproken voorkeur aan de dag voor instrumentale klankkleurtegenstellingen. Combinaties van instrumenten zijn aan vaste regels gebonden. Als voorbeelden hiervan: a. het traditionele sjintô-ensemble: wagon (6-snarige citer, voorloper van de koto), kagura-bu-e (dwarsfluit), hichiriki (korte hobo); b. no-gaku (de muziek van het nô-spel): 1 nô-dwarsfluit, 2 tsuzumi (zandlopervormige trommen), 1 taiko (platte 2-vellige trom); c. jiuta (kamermuziek): koto (13-snarige citer), samisen (tokkelluit met plectrum), shakuhachi (bamboefluit); d. de zeer uitgebreide samenstelling van de gagakoe-orkesten, die niet meer veranderd is sinds de 8ste eeuw: slagwerk: 2 da-daiko (reuzentrommen met beschilderde, vastgespijkerde vellen, alleen bij hofdansbegeleiding), 1 taiko (idem, klein formaat), 1 shoko (kleine gong), 1 kakko (horizontale, 2-vellige trom); snaarinstrumenten: 1 wagon (6-snarige citer), 1 gaku-so (13-snarige citer, verwant aan de moderne koto), 2 biwa (peervormige luit); blaasinstrumenten: 3 hichiriki (kleine hobo's), 3 bu-e (dwarsfluiten van verschillende lengte), 3 sho (akkoordmondorgel); eventueel een koor.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.