Japanse muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Japanse muziek
Introductie

Japanse muziek. Het historisch begin van de traditionele Japanse muziek ligt in de Nara-periode (710–794). De keizerlijke hoforkesten ontwikkeldengagakoe (hofmuziek) naar Chinees en Koreaans model. Zij waren aanvankelijk samengesteld uit buitenlandse musici. Ongeveer terzelfder tijd spreidde zich eveneens vanuit China de boeddhistische muziek uit over Japan. De gagakoe-hofmuziek wordt thans nog steeds gespeeld in het keizerlijk paleis en in diverse shintô-heiligdommen en vormt als zodanig de oudste muziektraditie ter wereld. In de Heian-periode (794–1192), waarin het hofleven zich meer en meer ging toespitsen op verfijning en etiquette, werd het aantal buitenlandse (Chinees/Koreaanse) musici vervangen door Japanners. De luit biwa deed in die tijd zijn intrede. Het werd een belangrijk instrument voor het begeleiden van gezongen poëzie en verhalen en is dit sindsdien gebleven. Ook de boeddhistische religieuze zangkunst verloor geleidelijk zijn Chinese trekken en verwierf daarmee langzamerhand steeds meer populariteit. Eveneens ontwikkelden zich diverse theaterkunsten. Hun oorsprong ligt deels in het aloude volkstheater en in de verschillende sjintô- en hofdansen. Een van de ontwikkelingsvormen is het steedse, subtiele nô-drama geworden. In de Edo-periode (1603–1868) ontwikkelde Japan zijn muzikale vormen vrijwel zonder invloeden van buiten. De driesnarige tokkelluit samisen ontwikkelde zich en werd, tot op de dag van vandaag, het instrument bij uitstek van de zanger-verteller in de muziek (gidayu) voor het poppenspel en in allerlei andere liedvormen. Het kabuki-theater wist op uiterst geslaagde wijze elementen van andere (muziek)vormen in zich te verenigen. In dit type theater, tegenwoordig nog steeds een grote populariteit genietend, harmoniëren de fluit/trommels van het nô-spel en de zang/samisen van de verhalende gidayu-liederen, waarbij de instrumenten thans meervoudig bezet zijn, met de programmatische coulissenmuziek. Tevens begon in de Edo-tijd de 13-snarige koto, na een eeuwenlange voorgeschiedenis, een rol te spelen als het meest geliefde klassieke muziekinstrument, dat een grote plaats in het huiselijke culturele leven innam.

1. Toonsysteem

Evenals in de Europese muziek gaat de traditionele Japanse muziek uit van twaalf chromatische tonen per octaaf. Uit deze twaalftonige 'voorraadsladder' worden, per uit te voeren stuk, vijf tonen gekozen voor de gebruikstoonladders, met eventuele 'neventonen'. De belangrijkste twee toonladders in de boeddhistische muziek zijn: rio: D E Fis (Gis) A B (Cis) d en ritsu: D E (F) G A B (C) d. In de gagakoe-muziek treedt dezelfde pentatoniek naar voren. Zes toonladders worden gedestilleerd uit de twaalftonige chromatische (niet-gebruikte) ladder, nl. drie met rio- en drie met ritsu-structuur. De meest gebruikte stemmingen voor de koto zijn thans hira yoshi en kumoi yoshi. De snaren van dit harpachtige instrument zijn daarin aldus gestemd: hira: e A B c e f a1 b1 c1 e1 f1 a1 b1; kumoi: e A Bes d e f a bes d1 e1 f1 a1 b1.