Zoekweergave Londen

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Londen
Introductie

Londen (Engels en Duits: London; Frans: Londres), hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en tevens van Engeland, aan beide zijden van de rivier de Theems (Thames), ca. 80 km landinwaarts van de monding in de Noordzee, in een ondiep bekken tussen de Chiltern Hills en de North Downs.

De naam Londen staat voor een aantal territoriale en bestuurlijke begrippen. De twee belangrijkste daarvan zijn Greater London, 1580 km2, met 7 619 014 (2003 schatting) inwoners, onderverdeeld in 32 boroughs (de Greater London Boroughs) en de City of London, 2,7 km2. De City omvat de historische stadskern en wordt thans voornamelijk geassocieerd met financiële instellingen; de City en de twaalf direct omliggende boroughs vormden vroeger het graafschap Londen en worden wel gezamenlijk aangeduid als Central of Inner London.

1. Bevolking

De stad Londen is van oudsher het belangrijkste en grootste stedelijk centrum van de Britse eilanden. Reeds in de 3de eeuw zou het inwonertal 45 000 hebben bedragen, wat zou neerkomen op bijna 10% van de totale bevolking van het Romeinse deel van Groot-Brittannië. Pas in de 13de eeuw werd dit aantal wederom bereikt; ten tijde van koningin Elizabeth I telde de stad 150 000 inw., voor het grootste deel nog binnen de muren van de City. In de daaropvolgende periode groeide het aantal inwoners explosief (1660: 500 000 inw., City: 150 000 inw.). Na 1800 (865 000 inw., City: 128 000 inw.) begon het inwonertal van de City te dalen, een daling die zich na 1920 ook voordeed in Inner London en na 1951 in de Outer London Boroughs. Tegelijkertijd stijgt het inwonertal van de gebieden in de Green Belt direct in de periferie van de agglomeratie.

2. Bestuur

De bestuurlijke organisatie van Londen is, hoewel vele malen gewijzigd, altijd anders geweest dan die elders in het land. Het bestuur was van 1965–1985 in handen van de Greater London Council, die officieel op 1 april 1986 werd opgeheven. De bestuurlijke, administratieve en overige verantwoordelijkheden berusten thans enerzijds bij de besturen van de aparte boroughs (bijv. het onderwijs) en anderzijds bij gespecialiseerde overkoepelende organisaties (bijv. London Fire and Civil Defence Authority); politietaken worden waargenomen door de London Metropolitan Police, behalve in de City (City of London Police), die van oudsher een speciale status heeft en in hoge mate zelfstandig is met betrekking tot zaken als politie, rechtspraak, bruggen, sanitaire voorzieningen e.d. De voorzitters van de councils dragen de titel Mayor, die van de City Lord Mayor. Drie van de London Boroughs hebben bijzondere titels: de City of Westminster, de Royal Borough of Kensington and Chelsea en de Royal Borough of Kingston-upon-Thames.

3. Functies

Londen is residentie van het koningshuis, zetel van de regering en daarnaast het belangrijkste financiële, commerciële en culturele centrum van het land. Er zetelen vele hogere en lagere juridische instanties, een rooms-katholiek aartsbisschop, de anglicaanse aartsbisschop van Canterbury, de anglicaanse bisschop van Londen, de nationale omroeporganisatie BBC en honderden wetenschappelijke en culturele instellingen. Aan het beleid van decentralisatie – in de jaren zeventig gevoerd ter bestrijding van de dominante positie van de hoofdstad ten opzichte van de andere Britse stedelijke centra – kwam in de jaren tachtig een eind, zodat de werkgelegenheid in de agglomeratie een krachtige stimulans kreeg. Van de beroepsbevolking vindt 15% werk in de industrie en 85% in handel, verkeer en overige dienstverlening. Het toerisme vormt een belangrijke inkomstenbron voor de stad.

3.1 Haven

Het havengebied staat tussen de sluis bij Teddington en de monding onder beheer van de in 1908 opgerichte Port of London Authority. De oude kern van de haven, de Pool of London, ligt tussen London Bridge en Tower Bridge.

De betekenis van de haven, eens de grootste ter wereld en sinds de 10de eeuw de belangrijkste van het land, is na de Tweede Wereldoorlog en vooral in de jaren zestig en zeventig ten gevolge van de sterker wordende concurrentie, de veroudering van de accommodaties en de steeds groeiende sociale onrust sterk in betekenis achteruitgegaan. Sinds 1968 zijn de meeste van de in de 19de eeuw aangelegde dokken (w.o. London and St. Katherine's Dock, Surrey Commercial Dock, West India en Millwall Docks) gesloten. Delen van het havengebied werden in de laatste decennia ontmanteld en tot moderne woon- en werkcentra omgevormd. Om het moderne container- en passagiersverkeer te kunnen verwerken, zijn stroomafwaarts, bij Tilbury, moderne havenaccommodaties aangelegd; nog verder stroomafwaarts liggen de oliehavens (Shellhaven, Thameshaven, Canvey Island, Coryton).

3.2 Handel

De functie als wereldmarkt neemt gestaag af; thans is de haven nog slechts voor enkele goederen (thee, wol, huiden en pelzen en bepaalde metalen) het centrale distributiepunt. De handel in tal van goederen verloopt via goederenbeurzen als de Wool Exchange, Coal Exchange, Metal Exchange en Baltic Exchange (granen). De London Commodity Exchange is de beurs voor goederen die geen eigen beursgebouw hebben.

Londen is ook een financieel wereldcentrum (vnl. geconcentreerd in de City). De goudmarkt is de belangrijkste ter wereld en de Stock Exchange (aandelenbeurs) een van de belangrijkste. Alle Britse banken hebben hun hoofdzetel in Londen, rond de Bank of England en Clearing House. Talloze buitenlandse banken hebben er hun filialen gevestigd. Londen is ook de grote internationale verzekeringsmarkt, waarvoor The Corporation of Lloyd's (scheepsverzekering en -registratie) welhaast synoniem is. De Royal Exchange is het centrum van het redersbedrijf, Hatton Garden het centrum van de diamanthandel.

3.3 Industrie

De Londense industrie was destijds zeer veelzijdig; behalve mijnbouw ontbrak alleen de textielindustrie vrijwel. In alle delen van de conurbatie worden industriële bedrijven aangetroffen. De laatste decennia hebben echter een sterke terugval in de industriële activiteiten te zien gegeven. De industrie ten behoeve van de bouw is echter nog steeds van belang. Een uitermate gezonde bedrijfstak vormen de grafische industrie en de uitgeverijen. Voorts farmaceutische producten en elektronica, kledingindustrie en bierbrouwerijen.

3.4 Educatieve, wetenschappelijke en culturele instellingen

Aan onderwijsinstellingen bezit de stad, behalve de University of London (1836) met tal van instituten (o.m. London School of Economics and Political Science, het Courtauld en het Warburg Institute, het Imperial College of Science and Technology, Goldsmiths' College of Art and Design) en de City University (1966), een groot aantal gespecialiseerde hogere opleidingen, zoals het Royal Naval College (1873), de Royal Academy of Music (1822), het Royal College of Art (1837), de Slade School of Fine Art (1871), de Royal Academy of Dramatic Art (1904), de London Business School (1965) en diverse polytechnische instituten. Er is een aantal teaching hospitals, waar medische studenten worden opgeleid; de opleiding tot barrister is geconcentreerd in de Inns of Court. Daarnaast zijn er de Royal Society (1662), de Royal Academy of Arts in London (1768) en de British Academy (1901). Belangrijk wetenschappelijk onderzoek wordt verricht aan de beroemde London Zoo, in 1828 opgericht door de Zoological Society.

Er is van oudsher een aantal beroemde bibliotheken, w.o. The British Library (1973) met diverse voorheen zelfstandige instellingen, w.o. het departement van Oriental Manuscripts and Printed Books (o.m. drukwerk uit Japan en China uit de 8ste eeuw), de bibliotheken van de diverse ministeries, de House of Commons Library (1818), de Royal College of Physician's Library (1518; historie van de geneeskunde), de National Archives (met museum waarin o.m. het Domesday Book en de Magna Charta zijn tentoongesteld), het nationale geluidsarchief (1955), het nationale filmarchief en talloze openbare bibliotheken.

3.4.1 Musea en toeristische attracties

Londen telt meer dan 300 musea en ongeveer eenzelfde aantal galeries. De belangrijkste musea op het gebied van de schilderkunst zijn de National Gallery (1824) en de Tate Britain, met vier musea de grootste collectie Britse kunst van 1500 tot heden. Tate Britain is een recente creatie, bestaande uit vier gebouwen nabij het moedergebouw van de Tate-collectie: de Tate Gallery (1897). In het verbouwde Bankside Power Station huist Tate Modern (2000 geopend). Verdere grote kunstmusea zijn de Wallace Collection (1900; tevens collectie meubels, porselein en wapens), de Courtauld Institute Galleries (1958; o.m. collectie Franse impressionisten, tekeningen van Michelangelo en Rubens en moderne Britse kunst), Dulwich Picture Gallery (collectie oude meesters, o.a. Rembrandt en Rubens; pand uit 1814 door Sir John Soane) en de Iveagh Bequest (1927; collectie Britse, Franse, Hollandse en Vlaamse schilderkunst; pand uit de 18de eeuw). In mei 2000 werd de Tate Gallery of Modern Art geopend. Queen's Gallery, in de voormalige kapel van Buckingham Palace, bezit tevens een belangrijke schilderijencollectie (o.a. Holbein), alsmede tekeningen, miniaturen en prenten. De verzameling is begonnen door de Tudors. Queen's Gallery zal uiterlijk in 2002 gehuisvest worden in een daartoe verbouwde vleugel van het paleis. Interessant zijn voorts de National Portrait Gallery (1856) en de Whitechapel Art Gallery (1901; wisselende exposities). In 2000 vestigde het Russische museum Hermitage een dependance in Somerset House.

Van de overige musea zijn de belangrijkste het British Museum (1753; in de leeszaal schreef Marx Das Kapital), Natural History Museum met o.a. belangrijke bibliotheek (1881; collecties van C. Linnaeus en Sir J. Banks), het Victoria and Albert Museum (1852; zeer veelzijdige collectie met o.m. meubelen, porselein, glaswerk, islamitische, Chinese en Indiase kunst) met diverse afdelingen door de stad, het Geological Museum (1837), het Imperial War Museum (1917), het National Maritime Museum (1937) met het Queen's House (paleis van Inigo Jones) en het Old Royal Observatory (o.m. planetarium), het National Postal Museum (1966), het etnografisch Horniman Museum (1901) en het Science Museum (1857); Museum of London (stadsgeschiedenis, o.m. gouden koets van de Lord Mayor), National Army Museum (1960; geschiedenis van het Britse leger sinds 1485), Design Museum (grafische kunst en design) en Museum of the Moving Image (filmmuseum).

Bekende toeristische attracties zijn voorts het wassenbeeldenmuseum Madame Tussaud's, de London Dungeon en de vele winkelstraten, warenhuizen (Harrod's, 1901; Selfridge's, 1904), markten en fairs, w.o. die van Portobello Road, Camden en Covent Garden.

3.4.2 Muziek, theater

Londen is zonder twijfel hét centrum van het Britse culturele leven en behoort op bepaalde gebieden, bijv. moderne muziek en alternatieve kunst, tot de belangrijkste trendsetters van Europa.

Er zijn meer dan 50 theaters, die zich, in tegenstelling tot de situatie op dit gebied in veel Europese steden, mogen verheugen in een grote publieke belangstelling. Tot de belangrijkste toneelgezelschappen behoren de National Theatre Company (1963; destijds opgericht ter vervanging van de Old Vic Company), de Royal Shakespeare Company, die vroeger het Aldwych Theatre bespeelde en thans een theater in Barbican bespeelt, en de English Stage Company, die voornamelijk eigentijdse stukken, meestal in het Royal Court Theatre, speelt. Speciaal voor jonge mensen zijn er de Young Vic (1970), die evenals het National Youth Theatre een permanente behuizing heeft in Londen. Het kleinste van de drie theaters die ondergebracht zijn in het National Theatre, het Cottesloe Theatre, is speciaal bestemd voor experimenteel toneel, ook door andere gezelschappen dan de National Theatre Company. In 1997 werd het Globe Theatre geopend.

De belangrijkste concertzalen zijn de Barbican Hall, de Royal Festival Hall, Queen Elizabeth Hall en de Purcell Room, de Royal Albert Hall, waar de bekende Promenade Concerts worden gehouden en Wigmore Hall voor recitals. De stad beschikt over diverse orkesten (o.m. London Philharmonic, London Symphony, BBC Symphony, Academy of St. Martin-in-the-Fields) en zangverenigingen. Opera wordt gegeven in het Royal Opera House, Covent Garden (1858; door E.M. Barry), met eigen gezelschap en het Coliseum, bespeeld door de English National Opera. De belangrijkste Londense balletgezelschappen zijn The Royal Ballet, London Festival Ballet en London Contemporary Dance Theatre.

4. Verkeer en vervoer

De London Passenger Transport Area, het officiële Londense vervoersgebied, omvat 5180 km2. Het vervoer van de bijna 1,5 miljoen mensen die in Central London werken, gebeurt vnl. door openbaar vervoer. Met uitzondering van de Londense lijnen van British Railways en de meer dan 15 000 taxi's (London Cabs) wordt al het openbare passagiersvervoer over de weg en per rail verzorgd door London Transport. Het ondergrondse spoorwegnet (de Underground) is het oudste en grootste ter wereld (ruim 400 km). De eerste lijn werd geopend in 1863 en was een zgn. cut-and-cover-lijn, een uitgegraven baan voor stoomtractie. De eerste elektrische tube-spoorweg (dieper gelegen tunnelbuis) dateert van 1890. In 1969 is voor het eerst sinds 1907 een nieuwe lijn in gebruik genomen, de 17 km lange Victorialijn, die volautomatisch is (geen machinist). Het gerenoveerde Docklands-gebied (thans woningen, winkels en bedrijven) is ontsloten door o.a. de Docklands Light Railway (DLR), die in 1987 in gebruik werd genomen en in verbinding staat met metro en spoorlijn. De verkeerscongestie is, vooral tijdens de spitsuren en op de Theemsbruggen, enorm. Ter bestrijding hiervan is een stelsel van nieuwe grote uitvalswegen en concentrische ringwegen om het centrum, met ongelijkvloerse kruisingen (zoals bij Hyde Park Corner), aangelegd. Ondanks de excentrische ligging van de stad is Londen het middelpunt van het Britse wegen- en spoorwegennet. De bekendste spoorwegstations zijn Liverpool Street, Waterloo, Victoria, Paddington en St. Pancras. Het zijn kopstations en ze liggen in een boog om het centrum. De grootste luchthaven is het ten westen van de stad gelegen London Airport (Heathrow); daarna volgen Gatwick en Stansted. Daarnaast is er London City Airport (1987), die speciaal is bestemd voor het zakenverkeer.

5. Stadsbeeld

Het eigenlijke Londen is een agglomeratie van een drietal oude kernen: de City, Westminster en het op de zuidoever van de Theems gelegen Southwark, die in de loop der eeuwen op beide Theemsoevers vergroeid zijn met een groot aantal voorsteden. Over de Theems verbindt een twintigtal bruggen de beide stadsdelen. De London Bridge werd oorspronkelijk gebouwd door Peter of Colechurch in 1176–1209 en daarna diverse malen vervangen (o.m. geheel herbouwd in 1820–1831 en in de jaren zestig). De London Bridge was tot 1740 de enige verbinding tussen beide Theemsoevers; na 1750 werd de Westminster Bridge gebouwd. De Tower Bridge dateert van 1894, de Waterloo Bridge van 1945; stroomafwaarts van Tower Bridge komen alleen nog tunnels voor.

De belangrijkste architecten die hun stempel op Londen drukten, waren zonder twijfel Inigo Jones (1573–1652) en de beide bouwmeesters Sir Christopher Wren (1632–1723) en John Nash (1752–1835), waarbij Wren een belangrijke rol speelde na de Grote Brand van 2 tot 5 sept. 1666, die ca. 60% van de City in de as legde. In de 20ste eeuw gingen tijdens de Tweede Wereldoorlog grote delen van de stad verloren ten gevolge van de Duitse raketaanvallen en bombardementen. Vele tienduizenden inwoners vonden de dood en hele wijken in m.n. de City werden letterlijk met de grond gelijkgemaakt. Beroemde oude kerken als St. Clement Danes (1682; Sir C. Wren) en All Hallows, die de Grote Brand overleefde, werden verwoest.

Het financiële centrum van Londen is de City met aan Threadneedle Street de Bank of England, de Royal Exchange en de Stock Exchange. Ten noordwesten hiervan bevindt zich de Guildhall (zetel van het stadsbestuur); de Lord Mayor zetelt in het in Palladian style opgetrokken Mansion House (1739–1753). Lombard Street is vanouds de straat van de grote banken. Aan Cannon Street staat de na de Grote Brand herbouwde St. Paul's Cathedral (1675–1710) in classicistische stijl, waar leden van het Britse koninklijk huis volgens de traditie in het huwelijk treden. Beroemd is de koepel met de whispering gallery erlangs, een galerij met een opvallend goede akoestiek. Aan Cheapside de kerk St. Mary-le-Bow of Bow Church (1670–1680); beide kerken zijn van de hand van Wren. In het noordwestelijk deel van de City ligt de nieuwe woonwijk Barbican (1973; door Chamberlain, Powell en Bon), een complex waarin hoogbouw de boventoon voert en waar naast woningen is voorzien in de winkel- en recreatiebehoefte van de bewoners. De oudste delen van de gerestaureerde Guildhall dateren uit begin 15de eeuw. Een van de belangrijkste historische monumenten is de Tower of London, op Tower Hill, eens citadel, koninklijk paleis, staatsgevangenis, munt, thans arsenaal, garnizoen en de plaats waar de Britse kroonjuwelen worden bewaard; museum Tower of London Armouries. Het is een complex van gebouwen, in diverse perioden opgetrokken, met in het midden de White Tower uit 1078.

5.1 The West End

De stadswijken die in het westen grenzen aan de City worden The West End genoemd. De kern hiervan is de City of Westminster, het bestuurlijke en administratieve centrum van de stad. Hier bevindt zich, tussen Trafalgar Square (met Nelson's Column) en Parliament Square, de straat Whitehall, met tussen de Government Offices en de Foreign and Commonwealth Office de zijstraat Downing Street, waar op nr. 10 de Britse premier residentie houdt. Aan Whitehall bevinden zich voorts de admiraliteit, het Banqueting House (1619–1622; door Jones) in Palladian style en de gebouwen van het ministerie van Defensie. Aan Parliament Square liggen de Treasury, St. Margaret's Church (15de eeuw; de kerk van het Lagerhuis) en de in neogotische stijl opgetrokken Houses of Parliament (ook wel The New Palace of Westminster; begonnen in 1840 door Sir C. Barry en A. Welby Pugin; voltooid door E.M. Barry), met in de klokkentoren de Big Ben. In het New Palace zijn delen geïncorporeerd van het middeleeuwse Palace of Westminster (zetel van het Lagerhuis van 1547 tot 1834), dat na de brand van 1834 vrijwel geheel verloren ging; het belangrijkste overblijfsel ervan is Westminster Hall (eind 11de eeuw), dat een schitterend eiken plafond heeft en waarvan grote delen in 1941 en 1944 door Duitse bombardementen werden verwoest. Achter St. Margaret's Church staat de in early English style opgetrokken Westminster Abbey, met de bouw waarvan in de 11de eeuw (gewijd 1056) werd begonnen door Eduard de Belijder en die in de 13de eeuw werd voortgezet door Hendrik III. Het gebouw is later vele malen uitgebreid en verbouwd; Henry VII's Chapel stamt uit 1503, de westtorens dateren uit 1735–1740 en zijn van N. Hawkesmoor. In de kerk worden sinds 1066 de Engelse vorsten gekroond; bovendien is zij de begraafplaats van vele Britse vorsten en staatslieden, geleerden en schrijvers (poet's corner).

Ten westen van Whitehall bevinden zich o.m. de rooms-katholieke Westminster Cathedral (1895–1903; door J.F. Bentley) in neo-Byzantijnse stijl met 86 m hoge toren, de gebouwen van New Scotland Yard en een uitgestrekt parkencomplex, met Green Park, St. James's Park en de Buckingham Palace Gardens. Van St. James's Palace, gebouwd voor Hendrik VIII, stamt slechts het poortgebouw uit de 16de eeuw; het gebouw is thans in gebruik bij hofdignitarissen. Het paleis was koninklijke residentie van 1691 tot Victoria in 1837 het hof verplaatste naar Buckingham Palace; het Britse hof heet evenwel nog steeds Court of St. James's. Buckingham Palace werd in 1703 als Buckingham House gebouwd; het werd in 1824–1830 door Nash verbouwd en in 1846 vergroot. De huidige 120 m lange classicistische gevel van portlandsteen werd in 1912 door Sir Aston Webb aangebracht. In het noorden grenzend aan het parkencomplex en weer ten zuidwesten van Trafalgar Square ligt de aristocratische wijk St. James's met Marlborough House (1705; door Wren) en de straat Pall Mall als centrum van Club Land. Van St. James's naar het westen vormt de elitaire woonwijk Mayfair via Park Lane (met het Grosvenor Hotel en Dudley House) de overgang naar Hyde Park. In het noorden, zuiden en oosten wordt Mayfair begrensd door de beroemde winkelstraten Oxford Street, Piccadilly en Bond Street en Regent Street (1813–1820; door Nash).

5.2 Soho

Aan de overzijde van Regent Street begint Soho, beroemd en berucht vanwege het nachtleven in de vele clubs, restaurants en theaters (Piccadilly Theatre, Globe Theatre); meer naar het zuidoosten, richting Trafalgar Square bevinden zich Piccadilly Circus, met op het centrale plein het in de volksmond Eros genoemde beeld Angel of Christian Charity (1893), en Leicester Square.

Aan Trafalgar Square bevinden zich de National Gallery en de kerk St.-Martin-in-the-Fields (1726; door J. Gibbs). Van Trafalgar Square naar Cannon Street loopt de beroemde straat The Strand, met het Adelphi Theatre, Somerset House en The King's College, de kerken St.-Mary-le-Strand en St. Clement Dane's Church en de Temple Bar Memorial. Fleet Street, vroeger het centrum van de Britse dagbladen, verbindt The Strand met Cannon Street. Ten zuiden van Fleet Street de Temple (herbouwd 18de eeuw), met de Normandische Temple Church. In Bloomsbury, de wijk waar de zgn. Bloomsbury group ontstond, liggen ook o.a. het British Museum en de University of London. Tussen Westminster en de City ligt de advocatenwijk, met o.a. enkele van de Inns of Court.

5.3 Southwark

Tegenover de City, op de zuidelijke oever van de Theems en met de City verbonden door de Blackfriar's Bridge, de Southwark Bridge en de London Bridge en de metro, ligt Southwark. Southwark Cathedral, een van de oudste kerken van Londen (deels 13de eeuw; vele malen gewijzigd), is in 1905 tot kathedraal verheven. Oude pakhuizen in deze wijk zijn gerenoveerd en huisvesten o.a. het Design Museum en Hays Galleria (winkels, pubs, moderne kunst). Het International Shakespeare Globe Centre bestaat uit zes gebouwen, w.o. het Globe Theatre (1997).

5.4 Nieuwbouw en stadsreconstructie

Op diverse plaatsen hebben ingrijpende stadsreconstructies plaatsgevonden. Grote projecten (kantoren, hotels, flats) zijn gerealiseerd op de terreinen van de gedempte havens. Met name in de jaren tachtig is een flink deel van het oude havengebied zowel door de overheid als door particuliere instellingen drastisch onder handen genomen en heeft het gebied een belangrijke woonfunctie gekregen; daarnaast trekt dit stadsvernieuwingsgebied nieuwe bedrijvigheid, m.n. in de tertiaire (verzorgende) sector. De Docklands, zoals het gebied bekend staat, hebben inmiddels internationale belangstelling gekregen als voorbeeld van geslaagde grootschalige herstructurering van een verouderde binnenstad, te meer daar met het benutten van de waterfronts gepoogd wordt om de binnenstad meer allure te geven. Op de zuidelijke Theemsoever, 13 km van het centrum van Londen, verrees de nieuwe satellietstad Thamesmead (1967; door H. Bennett), die woon-, werk- en recreatiegelegenheid (watersport) biedt.

Opmerkelijke moderne gebouwen zijn o.m. de Royal Festival Hall (1951; door Sir Robert Matthew en Sir Leslie Martin), Castrol House (1961; Gollins, Melvin, Ward en partners) in Marylebone Road, Millbank Tower (1963; R. Ward en partners) aan de oevers van de Theems, Post Office Tower (189 m), Centrepoint (1966; R. Seifert en partners), op de hoek van Oxford Street en Charing Cross Road, Hayward Art Gallery (1963–1968; H. Bennett) en het drie theaters omvattende National Theatre (1969–1976; D. Lasdun), beide op de zuidelijke oever van de Theems. De skyline van Londen werd in 2003 verrijkt met de nieuwe City Hall van Norman Foster, gelegen tegenover de Tower, een transparant high-techgebouw.

5.5 Parken

Londen is zeer rijk aan parken (meer dan 200), ook in het centrum van de stad, veelal oorspronkelijk paleistuinen. Het oudste is Greenwich Park (1433), met aan de zuidzijde Blackheath. De bekendste zijn St. James's Park (38 ha), Green Park (21 ha), Kensington Gardens (111 ha), Regent's Park (190 ha) en Hyde Park (146 ha) met de Speaker's Corner, in 1872 als zodanig aangewezen. Aansluitend ligt Kensington Gardens, met de Round Pond. In Regent's Park (1812; door Nash) een Shakespeare-openluchttheater en de London Zoo. Battersea Park is meer een vermaakspark. De parken aan de rand van de stad, zoals Richmond Park en Hampstead Heath, zijn ruimer en landelijker dan de koninklijke parken in Centraal-Londen; zeer bezienswaardig is Kew Gardens.

5.6 Enkele stadsdelen

Chelsea, een woonwijk ten westen van West End, was oorspronkelijk een dorp, dat vooral tussen 1830 en 1880 sterk uitgebreid werd. Het heeft thans de naam van een artistieke, literaire en bohémienwijk. King's Road, de ‘hippe’ straat uit eind jaren zestig, heeft boetieks en bazars. Chelsea Hospital (1682–1694; door Wren) dient oude en invalide soldaten tot verblijf.

Covent Garden ligt in West End naast Soho. De beroemde groente- en fruitmarkt aldaar heeft plaats gemaakt voor winkels, restaurants en terrassen. In Covent Garden bevinden zich o.a. het Royal Opera House, het London Transport Museum en een aantal theaters.

East End. Aan de oostkant van de City liggen stadswijken die tezamen als East End worden aangeduid. Tegenwoordig wordt dit stadsdeel, waar de oude industrie-, arbeiders- en immigrantenwijken aan het verdwijnen zijn, ook wel Tower Hamlets genoemd. In de Tweede Wereldoorlog werd East End zwaar getroffen door Duitse bombardementen. Na de oorlog vonden grootscheepse sanerings- en stadsreconstructiewerken plaats, waaronder de recente projecten in de Docklands, zoals Canary Wharf en Tobacco Dock.

Hampstead, de heuvelachtige stadswijk ten noorden van Regent's Park, is een luxe woonwijk met veel huizen in Georgian style, twee musea (Keats House en Ken Wood) en Hampstead Heath.

Kensington, ten westen van Westminster, daarvan gescheiden door Hyde Park, valt uiteen in North-Kensington, met het aangrenzende Notting Hill, en South-Kensington, een residentiële wijk, voornamelijk daterend uit 1860–1880, met o.a. de Royal Albert Hall, Kensington Palace (deels door Wren; 1689–1695), Kensington Gardens, (exclusieve) winkels met o.a. mode en antiek en talloze galeries.

Lambeth (oorspr. betekenis: ‘haven waar lammeren worden verscheept’) ligt ten zuidoosten van Westminster, aan de overzijde van de Theems. Lambeth Palace is de Londense zetel van de aartsbisschop van Canterbury. Aan de oever van de Theems ligt het South Banks Arts Complex met o.a. de Royal Festival Hall, het National Theatre en de Hayward Gallery.

6. Geschiedenis

Londen werd in 43 n.C. als Londinium gesticht door de Romeinse keizer Claudius, op een verhoging langs de Theems waar waarschijnlijk reeds een Keltische nederzetting bestond. Vanuit deze handelspost verkenden de Romeinen de rest van Groot-Brittannië, dat hieraan zijn op Londen gericht wegennet dankt. Waarschijnlijk in de 2de eeuw werd een brug over de rivier gebouwd. Londinium ontwikkelde zich, na in 61 geheel te zijn verwoest door de Britten, tot een van de grootste steden van het Romeinse Rijk, maar raakte na het vertrek van de Romeinen in verval. Aethelberht van Kent stichtte in het begin van de 7de eeuw de eerste Saksische kathedraal (Saint Paul's). In de 9de eeuw volgde een nieuwe bloei onder koning Alfred de Grote. Willem de Veroveraar trof in 1066 een bloeiende stad aan, waarmee hij een verdrag sloot. Van hem is het oudste privilege van de stad, dat vroegere privileges bevestigde. Londen wist zich dankzij zijn rijkdom steeds zelfstandiger te maken van de koningen. Tegen betaling verkreeg het verschillende vrijheden en privileges, o.a. in 1194 van Richard Leeuwenhart het statuut dat een bestuur van mayor en aldermen handhaafde. Dit werd bevestigd in een nieuw charter van 1199. In 1215 moest Jan zonder Land nieuwe privileges toestaan, bij de Magna Charta. Geleidelijk verwierf de City of London zoveel zelfbestuur, dat geen enkele ambtenaar van de koning er toegang had en de koning zelf slechts na toestemming. In de stad berustte de macht bij de kooplieden, verenigd in hun corporaties, de Livery Companies. Ook buitenlandse kooplieden vestigden zich in de stad, Florentijnen, Genuezen, Venetianen en vooral Hanzekooplui, die sinds 1157 hun kantoor hadden in Steel Yard. In de Rozenoorlog was Londen neutraal, waardoor het van beide partijen privileges kreeg. In 1381 werd de stad geplunderd door opgestane boeren onder Wat Tyler.

Londen werd al vroeg een financieel en handelscentrum: in 1567 werd de Royal Exchange gesticht. Twee rampen troffen Londen kort na elkaar, in 1665 een pestepidemie, die 75 000 slachtoffers eiste, en in 1666 de Grote Brand, die van 2 tot 5 sept. woedde en drievijfde deel van de City verwoestte. Wederopbouw, bestrijding van besmettelijke ziekten en brand werden met kracht ter hand genomen en spoedig was de stad weer financieel krachtig, zoals o.a. blijkt uit de leningen aan Willem III, de koning-stadhouder, en het aandeel dat Londense burgers hadden in de oprichting van de Bank of England in 1694. In de 18de eeuw was het een zeer welvarende stad. Intussen had Londen van Amsterdam de rol van wereldstapelmarkt en financieel wereldcentrum overgenomen. De politieke centrumfunctie werd onderstreept door de diverse internationale conferenties die in de 19de en 20ste eeuw te Londen werden gehouden. Wereldtentoonstellingen waren er in 1851, 1862 en 1925. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Londen zwaar getroffen door Duitse bombardementen (de Blitz, 24 aug. 1940–20 april 1941), waarbij ca. 30 000 doden vielen. Enkele malen (in 1952 en 1962) is Londen ernstig bedreigd door overstroming (de stad zakt met een snelheid van 30 cm per eeuw), wat de aanleg van de stormvloedkering (1977–1982) bij Woolwich in de Theems noodzakelijk maakte.

Op 7 juli 2005 werd Londen het doelwit van aanslagen op drie plaatsen in het metrosysteem (tussen de stations King's Cross en Russel Square; bij het station Edgware Road en bij Aldgate) en één in een bus (op Tavistock Square). Er vielen 56 slachtoffers, onder wie de vier daders (drie van Pakistaanse oorsprong en één Jamaicaan). Ongeveer zevenhonderd personen raakten gewond. Op een Arabische website eiste de organisatie 'Secret Organisation al-Qaeda in Europe' de aanslagen, die vrijwel zeker het werk waren van moslimfundamentalisten, op. De aanslag in Londen leek op die welke op 11 maart 2004 plaatsvond in Madrid, toen daar, eveneens tijdens de spits, tien bommen ontploften verstopt in sporttassen in forensentreinen. op 21 juli 2005 volgden in Londen opnieuw vier aanslagen, die echter allen mislukten en waarvan alle vier de daders werden opgepakt.