Liszt, Franz
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Liszt, Franz
2. Werk

In Liszts muzikale persoonlijkheid nemen de symbolen van Franciscus van Assisi, Gretchen en Faust, als uitdrukking van zijn verlangen naar spiritualiteit en ethiek, zijn liefde en achting voor de vrouw en zijn hang naar magie, een belangrijke plaats in. Zijn compositorische ontwikkeling, die in zijn jonge jaren haar uitgangspunt vond in briljante pianowerken (etudes en rapsodieën), eindigde uiteindelijk in een introverte en speculatieve stijl, kaal en transparant van structuur en ontdaan van alle uiterlijkheden. Liszt was zeer genereus; hij verrichtte baanbrekend werk voor de verbreiding van het werk van tijdgenoten, o.a. door hun composities te transcriberen voor piano. Als componist was hij steeds op zoek naar vernieuwingen. Tot de belangrijkste behoort de in de Bergsymfonie (1850) voor het eerst ontwikkelde motieftransformatietechniek waarmee hij samenhang en dramatiek concipieerde in vrije en eendelige vormen; hiermee brak hij met de klassieke vorm (zie hoofdvorm). Een wezenlijk aspect van deze techniek is het zelfstandig gebruik van de muzikale parameters; hiermee anticipeerde Liszt op compositietechnieken van de 20ste eeuw. In een aantal van zijn late werken doorbrak hij de grenzen van de tonaliteit. Veel van het late experimentele werk is tijdens zijn leven niet uitgegeven.

Liszt was de belangrijkste pianovirtuoos van de 19de eeuw. In zijn – veel nagevolgde – pianotechniek streefde hij met gebruikmaking van alle mogelijkheden van het instrument naar een verscheidenheid aan klankkleuren zoals een symfonieorkost die heeft. Zijn concept van programmamuziek verschilde van dat van Berlioz, Smetana, Dvořák en Saint-Saëns; hem stond de expressie van algemene ideeën meer voor ogen dan een realistische toonschildering.

Liszts geboortehuis in Raiding is als museum ingericht.

WERK: Orkest: 13 symfonische gedichten, o.a. Les préludes (1848), Tasso: lamento e trionfo (1849), Prometheus (1850), Mazeppa (1851), Orpheus (1854), Hunnenschlacht (1857); 2 programmatische symf.: Eine Faust-Symphonie in drei Charakterbildern (1854–1857), Symphonie zu Dantes Divina Commedia (1856); Trois Odes funèbres (1860); Zwei Episoden aus Lenaus Faust (1861; nr. 2 is de zgn. eerste Mephisto-Walzer). – Piano en orkest: I in Es (1849); II in A (1839; versch. bewerkingen tot 1861); Totentanz (1849; parafrase over Dies Irae). – Pianosolo: etudes; fantasieën; 19 Hongaarse rapsodieën (orkestversies deels van Liszt); walsen; variaties; transcripties (o.a. symf. van Beethoven); Apparitions (1834); Trois études de concert (1848); Consolations (1849); Sonate (1853); 2 Konzertetüden (1863); Années de Pèlerinage (4 bundels, 1835–1877). – Orgel: Präludium und Fuge über den Namen BACH (1855; tweede versie 1870). – Opera: Don Sanche ou le Château d'amour (1825). – Oratoria: Die Legende von der heiligen Elisabeth (1862); Christus (1867). – Declamatorium: Der traurige Mönch (1860; v. spreekstem en piano). – Voorts: cantates, missen, psalmen, wereldlijke koormuziek, kamer- en orgelmuziek, liederen.

UITG: Gesamm. Schriften, d. La Mara en L. Ramann (6 dln., 1880–1883; herdr. 1978), d. D. Altenburg (9 dln., 1988 vv.), d. Z. Gárdonyi e.a. (1990 vv.); Franz Liszts Briefe, d. La Mara (8 dln., 1893–1902); Letters of Franz Liszt (1894; nwe. uitg. 1970); The letters of Liszt to Marie zu Sayn-Wittgenstein, d. H.E. Hugo (1953).