Zoekweergave Ligeti, György Sándor

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Ligeti, György Sándor

Ligeti, György Sándor (Dicsöszentmárton, Transsylvanië, thans Tîrnăveni, Roemenië, 28 mei 1923 – Wenen 12 juni 2006), Oostenrijks componist van Hongaarse afkomst, studeerde aan de muziekacademie te Boedapest, waar hij in 1950 theorieleraar werd. In 1956, na de Hongaarse opstand, ging hij naar Wenen. Van 1957 tot 1958 was hij in Keulen medewerker aan de studio voor elektronische muziek van de WDR. Hij doceerde aan de Darmstädter Ferienkurse, aan de muziekacademie te Stockholm en aan de universiteit van Stanford. Sinds 1973 woont hij in Hamburg waar hij les geeft aan de Staatliche Musikhochschule.

Voor de spectaculaire ontwikkeling van Ligeti's componeren na 1956 is zijn kennismaking met het werk van Boulez en Stockhausen in Darmstadt en Keulen van de grootste betekenis geweest. Anders dan Boulez en Stockhausen heeft Ligeti zich echter nooit op theoretische beginselverklaringen vastgelegd. Hij neigde er meer toe elk bestaand componeersysteem in twijfel te trekken, om daaruit alleen het voor hem zelf bruikbare te behouden. Hierdoor heeft zijn muziek vaak nieuwe impulsen gegeven aan het compositorische denken van deze tijd.

Hoewel elk stuk van Ligeti in principe een eigen probleem stelt, wordt doorgaans een aantal idiomatische kenmerken met zijn naam in verband gebracht dat zich vooral in de jaren zestig deed gelden. Het belangrijkste daarvan is de zgn. micropolyfonie: dichte klankweefsels waarin de constituerende stemmen hun individualiteit verliezen (Atmosphères, v. orkest, 1961). Mede onder invloed van de ontwikkelingen op het gebied van de elektronische synthese verruimde Ligeti de mogelijkheden van de vocale en instrumentale muziek en ontwikkelde hij akoestisch voortgebrachte ruisklanken die in grafische partituren werden vastgelegd (Volumina, v. orgel, 1961–1962, bew. 1962–1964). Hij heeft zich daarnaast beziggehouden met een theater waarin muziek, spraak en beweging gelijkwaardige parameters vormen (Aventures, 1962; Nouvelles Aventures, 1962–1965).

Aan het eind van de jaren zestig werkte Ligeti met een complex contrapunt in Requiem (1963-1965) en Lux aeterna (1966). Requiem won in 1967 de Bonn Beethoven Prijs. In 1968 kwam Stanley Kubricks film 2001: A Space Odyssey uit, met gedeelten van Lux aeterna als soundtrack.

Ligeti's latere ontwikkeling toont een steeds grotere stilistische diversiteit, waarbij reeds bestaande kaders niet geschuwd werden. Zo wijst zijn opera Le grand macabre (première 1978; n. M. de Ghelderode), over de theatrale experimenten uit de jaren zestig heen, terug naar de traditie. Hetzelfde geldt voor het trio voor hoorn, viool en piano (1983), dat niet alleen door de bezetting, maar ook door de ritmische complexiteit en het gebruik van typische doorwerkingstechnieken aansluit bij Brahms, overigens zonder diens werk letterlijk te citeren. Daarnaast worden ook folkloristische en populaire stijlen aangehaald (Hungarian rock, 1978). In geen van deze gevallen is er sprake van een nostalgisch terugblikken, noch van een moedwillig populariseren. Herkenbare elementen worden niet als zodanig geëvoceerd, maar fungeren slechts als compositorisch vertrekpunt. In 2003 kreeg Ligeti de Adornoprijs toegekend.

WERK (behalve de genoemde): Métamorphoses nocturnes (Strijkkwartet nr. 1, 1953); 2 liederen: Nacht en Morgen (1956; v. koor a cappella); Artikulation (1958; elektron.); Apparitions (1958–1959; v. ork.); Trois bagatelles (1961; v. piano); Poème symphonique (1962; 100 metronomen); Fragment (1964; v. kamerork.); Requiem (1963–1965; soli, koor en orkest); celloconc. (1966); Lux Aeterna (1966; v. 16-stemmig koor a cappella); Lontano (1967; v. ork.); Etude nr. 1, ‘Harmonies’ (1967; v. orgel); 10 Stücke (1968; v. blaaskwint.); Strijkkwartet nr. 2 (1968); Continuum (1968; v. klavecimbel); Ramifications (1968–1969; v. 12-stemmig strijkork.); Etude nr. 2, ‘Coulée’ (1969; v. orgel); Kammerkonzert (1969, rev. 1970; v. 13 instr.); Melodien (1971; v. ork.); dubbelconc. voor fluit, hobo en ork. (1972); San Francisco polyphony (1974; v. ork.); Le Grand Macabre (1974-1977; opera; M. Meschke en Ligeti); Monument, Selbstportät, Bewegung (1976; 2 piano's); Rondeau (‘ein-Mann-Theater’; 1976) trio voor viool, hoorn en piano (1982); Drei Phantasien nach F. Hölderlin (1982; koor a cappella); Etudes pour piano no 1–3 (1985–1993); pianoconcert (1986); Nonsense Madrigals 1–6 (1988–1993; 6 stemmen); vioolconcert (1989-1993); Mysteries of the macabre (1992; trompet en ens.); Altvioolsonate (1994). – Geschriften: Pierre Boulez, in: Die Reihe, IV (1958); Wandlungen der musikal. Form, ibidem, VII (1960); Zustände, Ereignisse, Wandlungen, in: Melos (1967), blz. 165–169; Three aspects of New Music (1968; m. W. Lutoslawski en I. Lidholm); Fragen und Antworten von mir selbst, in: Melos (1971), blz. 509–516; Musik und Technik in: Batel, kleinen, qunter en Salbert; Computermusik (Laaber, 1987).