| klooster | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Geschiedenis van het christelijk kloosterwezen |
| 3.1 Tweede en derde eeuw |
In de christelijke kerk was het kloosterleven aanvankelijk ‘monachaal’ in de zin van het Grieks ‘monachos’ (d.w.z. ‘alleen levend’, en dit werd oorspronkelijk begrepen als ‘slechts voor God levend’. In de eerste eeuwen werd dit binnen de beschermende muren van de eigen woning beoefend. Spoedig echter begon de uittocht naar de woestijn. Zoals tien eeuwen eerder in India mannen zich uit een gemeenschap, verstard door ritualisme, terugtrokken in de jungle en daar langzaam aan rond grote meesters de groepen vormden waarbinnen de upanishads zijn ontstaan, zo trokken op het einde van de 3de eeuw mannen zich uit de verstikkende atmosfeer van een decadente beschaving terug om in de woestijnen van Boven-Egypte, Libië en Syrië een leven van gebed en boete te leiden. Daar ontstonden vormen van uiterst strenge zelfkastijding. Weldra vormden zich groepen van leerlingen rond beroemde anachoreten (of eremieten). Pachomius was de eerste die hen in groepsverband samenbracht en organiseerde onder een bepaalde regel (zie coenobieten). Een tweede regel werd opgesteld door Basilius de Grote. De oosterse kerken kennen verder geen stichters van religieuze orden, maar alleen van kloosters, die alle een van de twee grote regels aannamen. Het kloosterleven is er tot nu toe louter contemplatief gebleven.
| 3.2 Middeleeuwen |
In de 4de eeuw werd het kloosterleven in het westen bekend. Aanvankelijk waren er verschillende regels, maar zij waren in de 8ste en 9de eeuw vaak verdrongen door die van Benedictus van Nursia. Elk klooster was onafhankelijk, maar kwam daardoor gemakkelijk tot verval door innerlijke ontbinding en druk van wereldlijke machten. Daarom waren de hervormingen, die in de 10de eeuw begonnen, centraliserend. De meest bekende is die van Cluny. In 1098 stichtte Robertus van Molesmes de cisterciënzerorde met het doel de regel van Benedictus volgens de letter na te leven. Bernardus van Clairvaux herstelde in de 12deeeuw de autonomie van de kloosters, doch in federatief verband, geleid door generale kapittels. Er ontstonden ook andere orden, los van de benedictijnse regel, waaronder vnl. de kartuizers, de camaldulenzers en de coelestijnen, monniken die als kluizenaars in groepsverband leefden. De monniken hebben een grote invloed op de ontwikkeling van de westerse beschaving uitgeoefend. De abdijen, aanvankelijk centra van handenarbeid en landbouw, werden weldra haarden van cultuur: oude handschriften werden gekopieerd en er ontstonden kloosterscholen waarin de opbloei van de theologie van de latere eeuwen werd voorbereid. De nood van de tijd bracht de monniken er ook toe zich toe te leggen op de prediking, en zo werden zij meer en meer klerikaal, terwijl zij vroeger hoofdzakelijk uit leken bestonden.
Naast de monniken ontstonden reeds vroeg de reguliere kanunniken, onder invloed van het voorbeeld van Augustinus, die te Hippo zijn geestelijkheid rondom zich had geschaard in een leven van gebed, armoede, studie en zielzorg. Een regel, uit zijn geschriften samengesteld, werd later aangenomen door de geestelijkheid van collegiale en kathedrale kerken. Zo ontstonden, in tegenstelling tot de seculiere, ook reguliere kanunniken, die in gemeenschap leefden. Daaruit zijn verder orden voortgekomen, zoals de norbertijnen, de kruisheren e.a. Ook sommige bedelorden, o.m. de augustijnen en de dominicanen, namen de regel van Augustinus over.
In de tijd van de kruistochten ontstonden de ridderorden om de pelgrims te verzorgen en te verdedigen. Later vochten zij voor het behoud van het Heilige Land. De voornaamste waren de johannieterorde (later Orde van Malta), de tempeliers en de Duitse Orde.
| 3.3 Dertiende eeuw |
Een radicale ommekeer brachten in de 13de eeuw de bedelorden. Hun ideaal was het leven van de apostelen, gekenmerkt door armoede en prediking. Een nieuwe vorm van hiërarchische organisatie ontstond hieruit met een indeling in provincies en kloosters onder één generale overste. Zij kwamen voort uit de geestelijke nood van een nieuwe maatschappij waarin de steden met hun groeiende cultuur de brandpunten waren. Spoedig hadden de bedelorden aan de opkomende universiteiten de grootste magistri, onder wie de dominicaan Thomas van Aquino en de franciscaan Bonaventura. De bedelorden verenigden een actief met een contemplatief leven waarvan zij de hoofdelementen uit oudere instellingen overnamen. Tot de bedelmonniken behoren behalve de franciscanen en dominicanen ook de augustijnen en karmelieten in de definitieve vorm die zij in de 13de eeuw verkregen.
| 3.4 Zestiende eeuw |
De Contrareformatie gaf aanleiding tot nieuwe vormen: die van de reguliere clerici, die zich volledig wijdden aan het apostolaat, maar met behoud van plechtige geloften. Naast barnabieten, camillianen (zie Camillus de Lellis) en theatijnen waren vooral de jezuïeten belangrijk. Naar hun model ontstonden in de 18de eeuw nieuwe congregaties, die echter alleen nog eenvoudige geloften aflegden en zich volledig op bepaalde apostolische of caritatieve taken toelegden. Later ontstonden ook kloosterinstellingen zonder geloften (Witte Paters, Fathers of Mill Hill) en nog later seculiere instituten zonder publieke geloften, speciale kledij, of verplicht communauteitsleven. Eerst na de Tweede Wereldoorlog verkregen deze laatste van paus Pius XII een officieel statuut in de kerk. Zij zijn geen kloosterlingen in de eigenlijke zin meer.
| 3.5 Vrouwenkloosters |
De ontwikkeling van de vrouwenkloosters verliep ongeveer parallel met die van de mannenkloosters. Bijna al de grote orden hebben een vrouwelijke pendant (tweede orde), zich toeleggend op het gebedsleven en meestal onder de leiding van de eerste orde. Sinds de 13de eeuw werden ook groepen gevormd van vrome vrouwen die samen leefden en zich wijdden aan goede werken (begijnen en tertiarissen, zie derde orde). Pius V legde aan alle vrouwenkloosters een strenge clausuur op, die hun verhinderde naar buiten werkzaam te zijn. Zo was Franciscus van Sales verplicht de visitandinnen, oorspronkelijk bedoeld om zieken te bezoeken, in slotzusters te veranderen. De wet werd echter niet streng toegepast en er ontstonden toch zustercongregaties voor opvoeding, wezenzorg en verpleging. Vooral na de Franse Revolutie, toen de monialen uit de slotkloosters verdreven waren, kwamen talloze nieuwe congregaties tot stand. Van de vele zustercongregaties stamt 90 procent uit de 19de eeuw.