Zoekweergave klooster

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

klooster
Introductie

klooster (v. Lat. claustrum = afgesloten ruimte), gebouw, meestal complex van gebouwen, dienend tot verblijfplaats van kloosterlingen. De indeling is in het algemeen gelijk aan die van de abdij; de gebouwen liggen dan gegroepeerd rond een kloosterhof, een veelal rechthoekig terrein aan drie zijden omgeven door een kloostergang (zie ook claustrum).

1. Godsdienstsociologisch

Volgens de godsdienstsociologie is het kloosterwezen een religieus groepsverschijnsel waarbij mensen zich verenigen om het godsdienstige ideaal op een strikte wijze na te streven, vrij van de compromissen van het gewone leven, en trouw aan de bredere gemeenschap of kerk. Vandaar dat diep religieuze mensen zich uit de wereld terugtrokken en zich, meestal rondom een eminente of charismatische figuur, organiseerden tot wederzijdse steun. Uit dit ideaal van zelfheiliging volgens de strikte eisen van de godsdienst komen verschillende levensvormen voort waarin kloosters of kloosterorden zich op grond van het religieuze ideaal aan de dienst van de mensen in de wereld wijden.

In alle grote wereldgodsdiensten zijn kloosters ontstaan. Het boeddhisme was zelfs oorspronkelijk een kloostergodsdienst en heeft zich pas later tot volksgodsdienst ontwikkeld. In de islam, waar de orthodoxie er niet gunstig tegenover staat (afwijzing van celibaat en mystiek), heeft het zich tegen alle weerstand in tot hoge bloei ontwikkeld (zie soefisme). In het oude China trokken vele volgelingen van het taoïsme zich uit de wereld terug om eenzaam met de natuur te leven. Dit leidde onder boeddhistische invloed tot eigen kloosterlijke instellingen.

2. Christelijk

Als bijzondere grondslag van het christelijke kloosterleven wordt het volgen van de evangelische raden van zuiverheid, armoede en gehoorzaamheid aangegeven. Deze zouden de drie bijzondere kenmerken zijn van de levenswijze die Christus heeft voorgeleefd en geprezen. Het zijn drie verzakingen: aan het huwelijk, aan het eigen bezit en, door de gehoorzaamheid, aan de volledig vrije beschikking over eigen beslissingen. Men verplicht zich tot het volgen van de raden door de drievoudige gelofte van de professie (kloostergeloften). Meestal worden die geloften na een tijdelijk engagement eeuwig. Dit wordt verantwoord door de aard zelf van een volledig engagement voor een absolute waarde.

Er zijn tussen kloosterinstellingen verschillen die louter juridisch zijn: ‘orden’ met plechtige geloften en ‘congregaties’ met eenvoudige geloften, klerikale die overwegend uit priesters en laïcale die overwegend uit lekenbroeders bestaan; exempte en andere, die óf van pauselijk óf van bisschoppelijk recht zijn. Meer in het wezen gegrond is het onderscheid tussen contemplatief, actief en gemengd kloosterleven. Bij het eerste is het doel, uitgedrukt in de organisatorische vormgeving, vooral het leven met God in het gebed, bij het tweede het apostolische leven voor God, terwijl het derde beide poogt te verzoenen door strengere clausuur en stilzwijgendheid dan bij de tweede levensvorm in het algemeen gebruikelijk is.

Zie voor de protestantse orden: ordewezen.

3. Geschiedenis van het christelijk kloosterwezen
3.1 Tweede en derde eeuw

In de christelijke kerk was het kloosterleven aanvankelijk ‘monachaal’ in de zin van het Grieks ‘monachos’ (d.w.z. ‘alleen levend’, en dit werd oorspronkelijk begrepen als ‘slechts voor God levend’. In de eerste eeuwen werd dit binnen de beschermende muren van de eigen woning beoefend. Spoedig echter begon de uittocht naar de woestijn. Zoals tien eeuwen eerder in India mannen zich uit een gemeenschap, verstard door ritualisme, terugtrokken in de jungle en daar langzaam aan rond grote meesters de groepen vormden waarbinnen de upanishads zijn ontstaan, zo trokken op het einde van de 3de eeuw mannen zich uit de verstikkende atmosfeer van een decadente beschaving terug om in de woestijnen van Boven-Egypte, Libië en Syrië een leven van gebed en boete te leiden. Daar ontstonden vormen van uiterst strenge zelfkastijding. Weldra vormden zich groepen van leerlingen rond beroemde anachoreten (of eremieten). Pachomius was de eerste die hen in groepsverband samenbracht en organiseerde onder een bepaalde regel (zie coenobieten). Een tweede regel werd opgesteld door Basilius de Grote. De oosterse kerken kennen verder geen stichters van religieuze orden, maar alleen van kloosters, die alle een van de twee grote regels aannamen. Het kloosterleven is er tot nu toe louter contemplatief gebleven.

3.2 Middeleeuwen

In de 4de eeuw werd het kloosterleven in het westen bekend. Aanvankelijk waren er verschillende regels, maar zij waren in de 8ste en 9de eeuw vaak verdrongen door die van Benedictus van Nursia. Elk klooster was onafhankelijk, maar kwam daardoor gemakkelijk tot verval door innerlijke ontbinding en druk van wereldlijke machten. Daarom waren de hervormingen, die in de 10de eeuw begonnen, centraliserend. De meest bekende is die van Cluny. In 1098 stichtte Robertus van Molesmes de cisterciënzerorde met het doel de regel van Benedictus volgens de letter na te leven. Bernardus van Clairvaux herstelde in de 12deeeuw de autonomie van de kloosters, doch in federatief verband, geleid door generale kapittels. Er ontstonden ook andere orden, los van de benedictijnse regel, waaronder vnl. de kartuizers, de camaldulenzers en de coelestijnen, monniken die als kluizenaars in groepsverband leefden. De monniken hebben een grote invloed op de ontwikkeling van de westerse beschaving uitgeoefend. De abdijen, aanvankelijk centra van handenarbeid en landbouw, werden weldra haarden van cultuur: oude handschriften werden gekopieerd en er ontstonden kloosterscholen waarin de opbloei van de theologie van de latere eeuwen werd voorbereid. De nood van de tijd bracht de monniken er ook toe zich toe te leggen op de prediking, en zo werden zij meer en meer klerikaal, terwijl zij vroeger hoofdzakelijk uit leken bestonden.

Naast de monniken ontstonden reeds vroeg de reguliere kanunniken, onder invloed van het voorbeeld van Augustinus, die te Hippo zijn geestelijkheid rondom zich had geschaard in een leven van gebed, armoede, studie en zielzorg. Een regel, uit zijn geschriften samengesteld, werd later aangenomen door de geestelijkheid van collegiale en kathedrale kerken. Zo ontstonden, in tegenstelling tot de seculiere, ook reguliere kanunniken, die in gemeenschap leefden. Daaruit zijn verder orden voortgekomen, zoals de norbertijnen, de kruisheren e.a. Ook sommige bedelorden, o.m. de augustijnen en de dominicanen, namen de regel van Augustinus over.

In de tijd van de kruistochten ontstonden de ridderorden om de pelgrims te verzorgen en te verdedigen. Later vochten zij voor het behoud van het Heilige Land. De voornaamste waren de johannieterorde (later Orde van Malta), de tempeliers en de Duitse Orde.

3.3 Dertiende eeuw

Een radicale ommekeer brachten in de 13de eeuw de bedelorden. Hun ideaal was het leven van de apostelen, gekenmerkt door armoede en prediking. Een nieuwe vorm van hiërarchische organisatie ontstond hieruit met een indeling in provincies en kloosters onder één generale overste. Zij kwamen voort uit de geestelijke nood van een nieuwe maatschappij waarin de steden met hun groeiende cultuur de brandpunten waren. Spoedig hadden de bedelorden aan de opkomende universiteiten de grootste magistri, onder wie de dominicaan Thomas van Aquino en de franciscaan Bonaventura. De bedelorden verenigden een actief met een contemplatief leven waarvan zij de hoofdelementen uit oudere instellingen overnamen. Tot de bedelmonniken behoren behalve de franciscanen en dominicanen ook de augustijnen en karmelieten in de definitieve vorm die zij in de 13de eeuw verkregen.

3.4 Zestiende eeuw

De Contrareformatie gaf aanleiding tot nieuwe vormen: die van de reguliere clerici, die zich volledig wijdden aan het apostolaat, maar met behoud van plechtige geloften. Naast barnabieten, camillianen (zie Camillus de Lellis) en theatijnen waren vooral de jezuïeten belangrijk. Naar hun model ontstonden in de 18de eeuw nieuwe congregaties, die echter alleen nog eenvoudige geloften aflegden en zich volledig op bepaalde apostolische of caritatieve taken toelegden. Later ontstonden ook kloosterinstellingen zonder geloften (Witte Paters, Fathers of Mill Hill) en nog later seculiere instituten zonder publieke geloften, speciale kledij, of verplicht communauteitsleven. Eerst na de Tweede Wereldoorlog verkregen deze laatste van paus Pius XII een officieel statuut in de kerk. Zij zijn geen kloosterlingen in de eigenlijke zin meer.

3.5 Vrouwenkloosters

De ontwikkeling van de vrouwenkloosters verliep ongeveer parallel met die van de mannenkloosters. Bijna al de grote orden hebben een vrouwelijke pendant (tweede orde), zich toeleggend op het gebedsleven en meestal onder de leiding van de eerste orde. Sinds de 13de eeuw werden ook groepen gevormd van vrome vrouwen die samen leefden en zich wijdden aan goede werken (begijnen en tertiarissen, zie derde orde). Pius V legde aan alle vrouwenkloosters een strenge clausuur op, die hun verhinderde naar buiten werkzaam te zijn. Zo was Franciscus van Sales verplicht de visitandinnen, oorspronkelijk bedoeld om zieken te bezoeken, in slotzusters te veranderen. De wet werd echter niet streng toegepast en er ontstonden toch zustercongregaties voor opvoeding, wezenzorg en verpleging. Vooral na de Franse Revolutie, toen de monialen uit de slotkloosters verdreven waren, kwamen talloze nieuwe congregaties tot stand. Van de vele zustercongregaties stamt 90 procent uit de 19de eeuw.

4. Huidige tijd

Vanaf de jaren zestig ontstond in het kloosterleven een toenemend streven om niet het accent te leggen op de afscheiding van de wereld, maar veeleer een vruchtbare dialoog aan te gaan met de wereld binnen de grotere gemeenschap van een in de wereld geëngageerde kerk. Bij de herstructurering van het kloosterwezen werd gepoogd de sociale betekenis van de kloostergemeenschap beter tot uitdrukking te brengen, zowel naar binnen als naar buiten. Er werd gestreefd naar kleinere gemeenschappen waarin men minder anoniem naast elkaar en meer persoonlijk voor elkaar kan leven, alsook naar grotere vrijheid en gelijkheid binnen de kloostergemeenschap zelf. Ook naar buiten werd een grotere openheid en nabijheid gezocht. Desondanks is in de jaren tachtig de belangstelling van jongeren voor het kloosterleven in de westerse landen ernstig verflauwd en zijn verschillende orden en congregaties door vergrijzing van de leden in overlevingsproblemen geraakt.

Wel ontstond eind jaren negentig van de vorige eeuw nieuwe belangstelling van leken (niet-religieuzen) voor de kloosterlijke manier van leven. In een aantal gevallen werd nieuw leven geblazen in derde orde-instituten die leken de mogelijkheid geven aansluiting te krijgen bij de spiritualiteit en het leven van kloosterorden of congregaties. Veel kloosters spelen in op de hernieuwde belangstelling en houden open dagen en stellen gastenverblijven ter beschikking voor bezoekers, die in contact met de wereld van religieuzen tijdelijk een plaats van rust en bezinning vinden.