| klavichord | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
klavichord (v. Lat. clavis = sleutel, chorda = snaar), langwerpig vierkant toetsinstrument. De toon wordt voortgebracht door middel van een metalen plaatje (tangent), dat achter op de toets is aangebracht en bij het neerdrukken van de toets tegen de snaar slaat, die op de plaats van aanraking eigenlijk wordt bekort. Het trillende snaargedeelte is dat tussen tangent en de kam waarover de snaar loopt. De plaats waar de tangent de snaar raakt, bepaalt de lengte van het trillende snaardeel en dus de toonhoogte. Het toetsenbord bevindt zich aan de lange zijde van de rechthoek. De toon werd eerst door één snaar voortgebracht, doch ter wille van een groter volume ging men ertoe over voor één toon meer snaren aan te brengen (snarenkoor). In de 14de eeuw kwamen reeds tweekorige en in de 15de eeuw driekorige exemplaren voor. Bij driekorige exemplaren werden in de bas vaak twee snaren normaal gestemd en de derde een octaaf hoger, om deze te laten meeklinken (aliquotsnaar). Vanaf de 17de eeuw werden er grotere (zgn. vrije) klavichorden gebouwd.
| 1. Typen |
Er zijn twee typen te onderscheiden: het gebonden klavichord en het vrije klavichord. Bij het gebonden klavichord kon één snaar door meer tangenten bespeeld worden, door de aanraking over verschillende plaatsen verkreeg men verschillende tonen. Uiteraard was het dan alleen mogelijk de tonen ná elkaar ten gehore te brengen. Bij het gebonden klavichord had men dus meer toetsen dan snaren. Het vrije klavichord had voor iedere toon een snaar.
Het gebonden klavichord was kleiner van bouw en toonomvang. Het werd vaak op een tafel geplaatst (16de en 17de eeuw). Het vrije klavichord werd zo groot dat men het op poten ging bouwen, terwijl het een toonomvang kreeg van ca. vijf octaven. Vaak bevond zich naast de klaviatuur een kastje voor het opbergen van de stemsleutel en de muziek. Het instrument was geliefd om zijn zangrijke toon en om de mogelijkheid door middel van de aanslag de toon enigszins te kunnen beïnvloeden. Men kon de toon laten vibreren (zgn. Bebung); men kon de toonhoogte enigszins wijzigen door de sterkte van de aanslag, evenals de toonsterkte. Het klavichord had nog een voordeel ten opzichte van het klavecimbel. De toetsen werden minder diep ingedrukt, waardoor versieringen gemakkelijker en tevens duidelijker uitgevoerd konden worden.