Kelten
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Kelten
2. De Romeinse tijd

Reeds in de eeuw van de grootste uitbreiding begon het Keltische gebied weer in te krimpen door het opdringen van de Romeinen uit het zuiden, Puniërs uit het zuidwesten, vervolgens van de Germanen uit het noordoosten en Daciërs uit het oosten. Tussen 283 en 191 overwonnen de Romeinen de Gallische volken van Boven-Italië (Senonen, Cenomani, Insubriërs en Boii); na hun overwinning op de Arverni in 121 stichtten zij hun eerste kolonies in het Rhônedal. Het Iberisch Schiereiland werd door de Carthagers (238–219) en vervolgens door de Romeinen (201–133) veroverd. Het Thracische Rijk bezweek in 193; in 196 onderwierpen de Romeinen ook de Galaten, wie zij echter tot 25 een zekere onafhankelijkheid lieten, en in 129 Illyrië. Na de Cimbrisch-Teutoonse volksverhuizingen (113–101) was de Rijn de grens tussen Galliërs en Germanen geworden, waarover ca. 65 de Sueven onder Ariovistus trokken. Caesar wierp hen terug, maar veroverde het gehele Transalpijnse Gallia (58–50). In het oosten drongen de Daciërs ca. 81 de Boii terug, die vervolgens ook voor de Marcomannen uit Bohemen weken. Tussen 19 en 9 bereikten de Romeinen de Donaugrens. Bij het begin van onze jaartelling waren er op het vasteland geen onafhankelijke Kelten meer.