| Kant, Immanuel | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. Kritische periode |
| 2.1 Theoretische filosofie |
In zijn Kritik der reinen Vernunft stelt Kant een kritisch onderzoek in naar de draagwijdte van de menselijke kennis, d.w.z. zowel naar de zekerheid als naar de begrensdheid van de rede. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft Kant een volkomen nieuw uitgangspunt gekozen: in plaats van te veronderstellen dat de kennis zich naar de dingen richt, stelt hij nu dat de dingen zich naar het menselijk kennen richten. Dit standpunt hangt samen met zijn inzicht dat ruimte en tijd subjectieve kenvormen zijn, d.w.z. dat ze pas in het kennen aan de dingen worden toegevoegd. Dit wordt door hemzelf de ‘copernicaanse wending’ genoemd.
Om te weten welke kennis zeker is, moet men de wetten voor de kennis opsporen, zoals die in het kenvermogen zelf gegeven zijn. Omdat dit onderzoek de kenobjecten ‘transcendeert’, te boven gaat, noemt Kant het ‘transcendentaal’ (niet te verwarren met transcendent).
Kant gaat ervan uit dat kennis inderdaad mogelijk is en dat er een bepaalde hoeveelheid zekere kennis bestaat. Hij was immers sterk onder de indruk van de geldigheid van wiskunderegels en natuurwetten, en zoekt dezelfde geldigheid op het terrein van de metafysica.
Hiertoe voert hij het onderscheid a priori – a posteriori in: a priori is al datgene wat zeker is buiten alle ervaring om, a posteriori is de (niet absoluut-zekere) kennis uit de ervaring. In nauw verband hiermee ligt het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen: een analytisch oordeel analyseert uitsluitend de begripsinhoud en voegt er geen nieuwe kennis aan toe (de eik is een boom), een synthetisch oordeel kent nieuwe eigenschappen aan een begrip toe (de eik is oud).
Het ligt voor de hand dat a priori-kennis analytisch is en a posteriori-kennis synthetisch. Kant meent evenwel dat er ook synthetische oordelen a priori bestaan, waarvan hij voorbeelden in de wiskunde en de fysica ziet, zoals bijv. het causaliteitsbeginsel (alles heeft een oorzaak). Kants kritiek van het kenvermogen is er nu op gericht de a priori-elementen van de kennis aan het licht te brengen.
Deze blijken gelijk te zijn aan de voorwaarden waarmee men tot ervaringskennis komt. Deze voorwaarden zijn van tweeërlei aard en worden resp. in de ‘transcendentale esthetica’ en in de ‘transcendentale logica’ van de Kritik der reinen Vernunft behandeld.
In de eerste plaats gaat het om vormen van ons kenvermogen, waarin de gehele ervaring geplaatst wordt, nl. om ruimte en tijd. Ruimte en tijd zijn volgens Kant geen eigenschappen van de dingen, maar vormen van de aanschouwing.
In de tweede plaats gaat het om categorieën van ons verstand, begrippen die de ervaringskennis pas mogelijk maken, waarvan Kant een lijst van twaalf opstelt: eenheid, veelheid, alheid (kwantitatieve categorieën); realiteit, ontkenning en beperking (kwalitatieve categorieën); substantie, oorzakelijkheid en wisselwerking (categorieën van relatie); mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid (categorieën van modaliteit).
Gezamenlijk leveren deze twee ‘stammen’ van ons kenvermogen, aanschouwing en verstand, de mogelijkheden voor zekere kennis, wanneer zij betrokken zijn op de ervaarbare werkelijkheid. Het is evenwel onmogelijk te achterhalen hoe de werkelijkheid ‘op zichzelf’ is, het ‘Ding an sich’ is niet te kennen.
Onze kennis draagt derhalve een eindig karakter. Zij vervalt tot pure speculatie zodra het terrein van de ervaring wordt verlaten. Zo komt Kant dus tot een relativering van de traditionele metafysica. Wanneer de rede toch het terrein van de ervaring wenst te verlaten, komt deze hoogstens tot bepaalde richtinggevende ( ‘regulatieve’) ideeën, die geen constitutief karakter voor de kennis dragen. In de praktische filosofie blijken deze evenwel een groter gewicht te krijgen.
| 2.2 Praktische filosofie |
Ook in de praktische filosofie zoekt Kant de a priori-regels, die hun geldigheid niet aan de ervaring ontlenen. Het gevolg hiervan is dat de hoogste morele wet, die absoluut geldig is, uitsluitend een formeel principe kan zijn, omdat alle inhoud uit de ervaring voortkomt.
Met handhaving van de traditionele moraal en de daarin vervatte stelregels legt Kant het fundament van de morele wet in de categorische imperatief. Deze imperatief heet categorisch in tegenstelling tot alle andere imperatieven, die slechts hypothetisch zijn, d.w.z. zij geven aan wat de voorwaarden zijn om een bepaald doel te kunnen verwezenlijken, maar hebben alleen gelding voor zover het doel gewenst is. De categorische imperatief daarentegen geldt uit zichzelf, ongeacht het doel dat men zich op een bepaald moment stelt.
Op verschillende wijzen heeft Kant deze imperatief geformuleerd; o.a. ‘handel slechts volgens die stelregel, waarvan u tegelijk kunt willen dat deze tot algemene wet wordt’; ‘handel zo, dat u de mensheid zowel in uw persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit alleen als middel hanteert’. Ongeacht het feit of men neigingen heeft een bepaald gedrag te volgen, blijft alleen de plicht gelden.
De zedelijkheid is autonoom, d.w.z. stelt a priori de wet op, zonder aan neigingen van welke aard ook onderworpen te zijn, wat altijd heteronomie zou betekenen. Om de zedelijkheid te laten functioneren, zijn drie voorwaarden, postulaten, onmisbaar: God, als garant van de zedewet; vrijheid voor de mens om zedelijke beslissingen te nemen; onsterfelijkheid als situatie waarin alle aardse onrechtvaardigheden kunnen worden vereffend.
Deze postulaten zijn bepaald geen bewijzen, want m.n. alle godsbewijzen zijn in Kants denksysteem volledig ontzenuwd. Ze betekenen immers altijd dat men ervaringsbegrippen op een ongeoorloofde wijze toepast op een verondersteld wezen buiten de ervaring.
De religie als zodanig heeft voor Kant trouwens vnl. waarde als ondersteuning van de moraal: religie is het beschouwen van de plichten alsof het goddelijke geboden zijn.
| 2.3 Overige werken |
De streng doorgevoerde causale (oorzakelijke) natuuropvatting had er bij Kant toe geleid dat de begrippen van doel en doelmatigheid op de achtergrond geraakt waren. Hieraan besteedt hij grote aandacht in zijn Kritik der Urteilskraft, zowel op het terrein van de natuur als van de kunst.
In de natuur heeft de teleologische beschouwingswijze, die verschijnselen ziet als gericht op een oorzaak, bestaansrecht naast de causale, in het bijzonder in verband met de levensverschijnselen, al kan deze de causale verklaring nooit vervangen. Het kunstwerk wordt ook gekenmerkt door een innerlijke doelmatigheid, afgestemd op onze beleving van het schone en verhevene.
In zijn colleges hield Kant zich met de meest uiteenlopende filosofische onderwerpen bezig, waarvan verschillende in boeken hun neerslag hebben gevonden, zoals een wijsgerige antropologie en een logica. Vermeldenswaard is ook nog een studie die onderzocht welke voorwaarden de mensheid moet vervullen om tot een ‘eeuwige vrede’ te komen.
WERK: Gedanken von der wahren Schätzung der lebendigen Kräfte (1747); Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels (1755); Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Daseins Gottes (1763); Beobachtungen über das Gefühl des Schönen und Erhabenen (1764); Träume eines Geistersehers, erläutert durch Träume der Metaphysik (1766; kritiek op Swedenborg); De mundi sensibilis atque intelligibilis forma et principiis (1770); Kritik der reinen Vernunft (1781, 21787); Prolegomena zu einer jeden künftigen Metaphysik, die als Wissenschaft wird auftreten können (1783); Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785); Metaphysische Anfangsgründe der Naturwissenschaft (1786); Kritik der praktischen Vernunft (1788); Kritik der Urteilskraft (1790); Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft (1793); Zum ewigen Frieden (1795); Die Metaphysik der Sitten (1797); Der Streit der Fakultäten (1798); Anthropologie (1800); Vorlesungen über Logik (1800); Vorlesungen über Pädagogik (1803).
UITG: Akademie-Ausgabe der Kön. Preuss. Akad. der Wiss. (1902 vv.; 29 dln. verschenen); beknopter uitgaven verzorgd door: K. Vorländer (10 dln., 1904 vv.), E. Cassirer (11 dln., 1912–1922). Ned. vert.: Over schoonheid (= dl. 1 v. Kritik d. Urteilskraft, 1978; m. inl. en aant. d. J.-P. Rondas en J. de Visscher); De eeuwige vrede (1981, inl. en aant. d. B. Delfgauw); Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn maar deugt niet voor de praktijk (1987; m. inl. en aant. d. B. Delfgauw); Wat is Verlichting (1988; inl. en aant. d. B. Delfgauw); De idee der geschiedenis (1988; inl. en aant. d. B. Delfgauw); Over filosofie: de eerste inl. tot de Kritik der Urteilskraft (1988; m. inl. en aant. d. B. Raymaekers) .