Zoekweergave Kant, Immanuel

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Kant, Immanuel
Introductie

Kant, Immanuel (Koningsbergen [thans: Kaliningrad], 22 april 1724 – aldaar 12 febr. 1804), Duits wijsgeer, grondlegger van de nieuwere filosofie. Kant zocht, zoals traditioneel veel filosofen deden, naar een mogelijkheid om betrouwbare kennis te verkrijgen. In deze poging perkte hij het gebied van zekere of betrouwbare kennis (waarop men een filosofisch systeem kan bouwen) sterk in. Hij stelde onder andere dat de zoektocht naar een werkelijkheid die onafhankelijk van onze ervaring zou bestaan (metafysica), geen zin had. Deze werkelijkheid is er wel, maar we kunnen haar nooit kennen, aldus Kant. We nemen bijvoorbeeld altijd iets waar als bestaande in ruimte en tijd, terwijl ruimte en tijd kenmerken van onze waarnemingen zijn en niet van de dingen ‘an sich’. Ook begrijpt ons verstand de dingen altijd in bepaalde categorieën, zodat ze aan de dingen kwantiteit, kwaliteit, relaties en modaliteit (mogelijkheid, werkelijkheid of noodzakelijkheid) toekent. Hoe het object van onze kennis er zonder deze bepalingen uit zou zien, is niet te achterhalen. Vandaar dat Kant kan stellen dat het kennen zich niet naar het object richt maar dat het object zich naar (de vorm van) ons kennen richt. Deze redenering zet hij uiteen in zijn beroemde boek de Kritik der reinen Vernunft (1781; Ned. vert.: Kritiek van de zuivere rede, 2004).

Kant was de zoon van een zadelmaker, studeerde te Koningsbergen van 1740 tot 1746 theologie, filosofie en wis- en natuurkunde en werd huisleraar, totdat hij aan de universiteit van Koningsbergen verbonden werd, vanaf 1755 als privaatdocent en vanaf 1770 (tot zijn emeritaat in 1796) als hoogleraar in logica en metafysica.

Vanuit Koningsbergen heeft hij een enorme invloed uitgeoefend op het gehele moderne denken. Op latere leeftijd leidde Kant een teruggetrokken leven, dat gekenmerkt was door een strikte dagindeling en een ijzeren discipline. Zijn gehele leven werd trouwens bepaald door een morele strengheid, die voortvloeide uit het piëtistische milieu van zijn ouders.

Godsdienstig meelevend was Kant zeker niet en wegens zijn opvattingen over de godsdienst werd hem na publicatie van zijn godsdienstwijsgerig werk in 1793 een schrijfverbod over dit onderwerp opgelegd.

In zijn gehele werk zijn duidelijk twee perioden te onderscheiden, een traditionele waarin hij zich vooral bij de bestaande schoolfilosofie aansluit en die eindigt bij zijn inaugurele oratie, zijn toespraak bij zijn toetreding tot de universiteit (1770), en een tweede periode, de kritische, die na ruim tien jaar van nagenoeg stilzwijgen begint met het baanbrekende werk Kritik der reinen Vernunft (1781).

1. Voorkritische periode

Aanvankelijk was Kant overtuigd van de mogelijkheid van een redelijke metafysica, waarin met God als uitgangspunt alles in een causale samenhang kon worden geplaatst. Hij sloot zich hierin aan bij de ‘schoolfilosofie’ van Gottfried Wilhelm von Leibniz en Christian von Wolff, zij het dat hij hierin nuanceringen aanbracht. Hij maakte met name onderscheid tussen de mathematische en de filosofische methode.

Onder de indruk van de ontdekkingen van Isaac Newton hield Kant zich vooral met kosmologische problemen bezig (zie kosmologie). Hij stelde een theorie op ter verklaring van het ontstaan van ons zonnestelsel: dit zou op louter mechanische wijze zijn ontstaan uit een oernevel door middel van aantrekkende en afstotende krachten, gehoorzamend aan de gravitatie (zwaartekracht).

Deze theorie is later door Pierre Simon de Laplace, die Kants geschrift niet kende, opnieuw naar voren gebracht. Men spreekt daarom van de Kant-Laplace-theorie (zie zonnestelsel).

Naast dit rationalistische standpunt werd Kant onder invloed van het Engelse empirisme, vooral van David Hume, gebracht tot een sceptischer houding, met als gevolg een nadere bezinning op de mogelijkheden en de grenzen van de metafysische kennis (zie metafysica).

Hij deed een felle aanval op de Zweedse ‘ziener’ Emanuel Swedenborg wegens diens zgn. kennis van hogere werelden en betwijfelt daarmee tegelijk de waarde van veel metafysische kennis (1766).

Steeds meer kwam hij ertoe een duidelijk onderscheid te gaan maken tussen de door het verstand gekende en de door de zintuigen waargenomen wereld. Dit leidde o.a. tot het inzicht dat ruimte en tijd subjectieve kenvormen zijn, in tegenstelling tot zijn eerdere opvatting dat de ruimte een absolute realiteit bezit en los van het menselijk kennen bestaat (zie bijv. tijd [natuurfilosofie]). Zo kan men in de oratie van 1770 al de voorafschaduwing zien van het latere kritische standpunt.

In de ethische werken is een duidelijke continuïteit aanwezig tussen de twee perioden: ook in de eerste tijd legde Kant al zeer de nadruk op de mens als vrij en onsterfelijk wezen, onderworpen aan een strenge zedenwet.

2. Kritische periode
2.1 Theoretische filosofie

In zijn Kritik der reinen Vernunft stelt Kant een kritisch onderzoek in naar de draagwijdte van de menselijke kennis, d.w.z. zowel naar de zekerheid als naar de begrensdheid van de rede. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft Kant een volkomen nieuw uitgangspunt gekozen: in plaats van te veronderstellen dat de kennis zich naar de dingen richt, stelt hij nu dat de dingen zich naar het menselijk kennen richten. Dit standpunt hangt samen met zijn inzicht dat ruimte en tijd subjectieve kenvormen zijn, d.w.z. dat ze pas in het kennen aan de dingen worden toegevoegd. Dit wordt door hemzelf de ‘copernicaanse wending’ genoemd.

Om te weten welke kennis zeker is, moet men de wetten voor de kennis opsporen, zoals die in het kenvermogen zelf gegeven zijn. Omdat dit onderzoek de kenobjecten ‘transcendeert’, te boven gaat, noemt Kant het ‘transcendentaal’ (niet te verwarren met transcendent).

Kant gaat ervan uit dat kennis inderdaad mogelijk is en dat er een bepaalde hoeveelheid zekere kennis bestaat. Hij was immers sterk onder de indruk van de geldigheid van wiskunderegels en natuurwetten, en zoekt dezelfde geldigheid op het terrein van de metafysica.

Hiertoe voert hij het onderscheid a priori – a posteriori in: a priori is al datgene wat zeker is buiten alle ervaring om, a posteriori is de (niet absoluut-zekere) kennis uit de ervaring. In nauw verband hiermee ligt het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen: een analytisch oordeel analyseert uitsluitend de begripsinhoud en voegt er geen nieuwe kennis aan toe (de eik is een boom), een synthetisch oordeel kent nieuwe eigenschappen aan een begrip toe (de eik is oud).

Het ligt voor de hand dat a priori-kennis analytisch is en a posteriori-kennis synthetisch. Kant meent evenwel dat er ook synthetische oordelen a priori bestaan, waarvan hij voorbeelden in de wiskunde en de fysica ziet, zoals bijv. het causaliteitsbeginsel (alles heeft een oorzaak). Kants kritiek van het kenvermogen is er nu op gericht de a priori-elementen van de kennis aan het licht te brengen.

Deze blijken gelijk te zijn aan de voorwaarden waarmee men tot ervaringskennis komt. Deze voorwaarden zijn van tweeërlei aard en worden resp. in de ‘transcendentale esthetica’ en in de ‘transcendentale logica’ van de Kritik der reinen Vernunft behandeld.

In de eerste plaats gaat het om vormen van ons kenvermogen, waarin de gehele ervaring geplaatst wordt, nl. om ruimte en tijd. Ruimte en tijd zijn volgens Kant geen eigenschappen van de dingen, maar vormen van de aanschouwing.

In de tweede plaats gaat het om categorieën van ons verstand, begrippen die de ervaringskennis pas mogelijk maken, waarvan Kant een lijst van twaalf opstelt: eenheid, veelheid, alheid (kwantitatieve categorieën); realiteit, ontkenning en beperking (kwalitatieve categorieën); substantie, oorzakelijkheid en wisselwerking (categorieën van relatie); mogelijkheid, werkelijkheid en noodzakelijkheid (categorieën van modaliteit).

Gezamenlijk leveren deze twee ‘stammen’ van ons kenvermogen, aanschouwing en verstand, de mogelijkheden voor zekere kennis, wanneer zij betrokken zijn op de ervaarbare werkelijkheid. Het is evenwel onmogelijk te achterhalen hoe de werkelijkheid ‘op zichzelf’ is, het ‘Ding an sich’ is niet te kennen.

Onze kennis draagt derhalve een eindig karakter. Zij vervalt tot pure speculatie zodra het terrein van de ervaring wordt verlaten. Zo komt Kant dus tot een relativering van de traditionele metafysica. Wanneer de rede toch het terrein van de ervaring wenst te verlaten, komt deze hoogstens tot bepaalde richtinggevende ( ‘regulatieve’) ideeën, die geen constitutief karakter voor de kennis dragen. In de praktische filosofie blijken deze evenwel een groter gewicht te krijgen.

2.2 Praktische filosofie

Ook in de praktische filosofie zoekt Kant de a priori-regels, die hun geldigheid niet aan de ervaring ontlenen. Het gevolg hiervan is dat de hoogste morele wet, die absoluut geldig is, uitsluitend een formeel principe kan zijn, omdat alle inhoud uit de ervaring voortkomt.

Met handhaving van de traditionele moraal en de daarin vervatte stelregels legt Kant het fundament van de morele wet in de categorische imperatief. Deze imperatief heet categorisch in tegenstelling tot alle andere imperatieven, die slechts hypothetisch zijn, d.w.z. zij geven aan wat de voorwaarden zijn om een bepaald doel te kunnen verwezenlijken, maar hebben alleen gelding voor zover het doel gewenst is. De categorische imperatief daarentegen geldt uit zichzelf, ongeacht het doel dat men zich op een bepaald moment stelt.

Op verschillende wijzen heeft Kant deze imperatief geformuleerd; o.a. ‘handel slechts volgens die stelregel, waarvan u tegelijk kunt willen dat deze tot algemene wet wordt’; ‘handel zo, dat u de mensheid zowel in uw persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit alleen als middel hanteert’. Ongeacht het feit of men neigingen heeft een bepaald gedrag te volgen, blijft alleen de plicht gelden.

De zedelijkheid is autonoom, d.w.z. stelt a priori de wet op, zonder aan neigingen van welke aard ook onderworpen te zijn, wat altijd heteronomie zou betekenen. Om de zedelijkheid te laten functioneren, zijn drie voorwaarden, postulaten, onmisbaar: God, als garant van de zedewet; vrijheid voor de mens om zedelijke beslissingen te nemen; onsterfelijkheid als situatie waarin alle aardse onrechtvaardigheden kunnen worden vereffend.

Deze postulaten zijn bepaald geen bewijzen, want m.n. alle godsbewijzen zijn in Kants denksysteem volledig ontzenuwd. Ze betekenen immers altijd dat men ervaringsbegrippen op een ongeoorloofde wijze toepast op een verondersteld wezen buiten de ervaring.

De religie als zodanig heeft voor Kant trouwens vnl. waarde als ondersteuning van de moraal: religie is het beschouwen van de plichten alsof het goddelijke geboden zijn.

2.3 Overige werken

De streng doorgevoerde causale (oorzakelijke) natuuropvatting had er bij Kant toe geleid dat de begrippen van doel en doelmatigheid op de achtergrond geraakt waren. Hieraan besteedt hij grote aandacht in zijn Kritik der Urteilskraft, zowel op het terrein van de natuur als van de kunst.

In de natuur heeft de teleologische beschouwingswijze, die verschijnselen ziet als gericht op een oorzaak, bestaansrecht naast de causale, in het bijzonder in verband met de levensverschijnselen, al kan deze de causale verklaring nooit vervangen. Het kunstwerk wordt ook gekenmerkt door een innerlijke doelmatigheid, afgestemd op onze beleving van het schone en verhevene.

In zijn colleges hield Kant zich met de meest uiteenlopende filosofische onderwerpen bezig, waarvan verschillende in boeken hun neerslag hebben gevonden, zoals een wijsgerige antropologie en een logica. Vermeldenswaard is ook nog een studie die onderzocht welke voorwaarden de mensheid moet vervullen om tot een ‘eeuwige vrede’ te komen.

WERK: Gedanken von der wahren Schätzung der lebendigen Kräfte (1747); Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels (1755); Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Daseins Gottes (1763); Beobachtungen über das Gefühl des Schönen und Erhabenen (1764); Träume eines Geistersehers, erläutert durch Träume der Metaphysik (1766; kritiek op Swedenborg); De mundi sensibilis atque intelligibilis forma et principiis (1770); Kritik der reinen Vernunft (1781, 21787); Prolegomena zu einer jeden künftigen Metaphysik, die als Wissenschaft wird auftreten können (1783); Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785); Metaphysische Anfangsgründe der Naturwissenschaft (1786); Kritik der praktischen Vernunft (1788); Kritik der Urteilskraft (1790); Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft (1793); Zum ewigen Frieden (1795); Die Metaphysik der Sitten (1797); Der Streit der Fakultäten (1798); Anthropologie (1800); Vorlesungen über Logik (1800); Vorlesungen über Pädagogik (1803).

UITG: Akademie-Ausgabe der Kön. Preuss. Akad. der Wiss. (1902 vv.; 29 dln. verschenen); beknopter uitgaven verzorgd door: K. Vorländer (10 dln., 1904 vv.), E. Cassirer (11 dln., 1912–1922). Ned. vert.: Over schoonheid (= dl. 1 v. Kritik d. Urteilskraft, 1978; m. inl. en aant. d. J.-P. Rondas en J. de Visscher); De eeuwige vrede (1981, inl. en aant. d. B. Delfgauw); Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn maar deugt niet voor de praktijk (1987; m. inl. en aant. d. B. Delfgauw); Wat is Verlichting (1988; inl. en aant. d. B. Delfgauw); De idee der geschiedenis (1988; inl. en aant. d. B. Delfgauw); Over filosofie: de eerste inl. tot de Kritik der Urteilskraft (1988; m. inl. en aant. d. B. Raymaekers) .