| jazz | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Jaren dertig en veertig |
De jazz ontwikkelde zich op twee wijzen. Allereerst werden de solistische prestaties gecompliceerder door harmonische uitbreidingen. Belangrijk in dit opzicht zijn de tenorsaxofonisten Coleman Bean Hawkins en Lester Young, de trompettist Roy Eldridge en de gitarist Charlie Christian. In de tweede plaats werd het concept van de big-band-jazz ontwikkeld, mede op basis van wat Jelly Roll Morton al had voorbereid. Voor beide ontwikkelingen was een grotere technische vaardigheid vereist, nauw samenhangend met het element van de professionalisering. Deze professionalisering werd, ondanks de economische depressie van de jaren dertig, mogelijk doordat de danszalen van de grote hotels in toenemende mate een beroep deden op zwarte jazzorkesten. Kansas City werd het centrum van deze ontwikkelingen, met als belangrijkste orkest dat van Count Basie.
Deze Kansas City-stijl werd in de tweede helft van de jaren dertig gepopulariseerd door Benny Goodman en zijn arrangeur Fletcher Henderson De trompet uit de New Orleans-muziek werd versterkt tot een volledige trompetsectie, de klarinet werd opgenomen in een saxofoonsectie en de trombone in een trombonesectie. Gearrangeerde orkestpassages werden afgewisseld door soli; soms ondersteunde het orkest de solist met kleine repeterende motiefjes. De belangrijkste bandleider/componist was Duke Ellington. Zijn werk is overigens niet beperkt tot de onderhavige periode, maar strekt zich, ook in stilistisch opzicht, uit tot ver na de hoogtijdagen van de bop. Als geen ander heeft Ellington compositorische en improvisatorische elementen weten te combineren. Hij ontwikkelde zijn werken mede op basis van de muzikale karakteristieken van zijn orkestleden, zoals Johnnie Hodges, Juan Tizol, Bubber Miley, Cootie Williams, Lawrence Brown en anderen. Ellington was tevens de eerste jazzmuzikant die langere orkestwerken schreef. Andere vooraanstaande orkesten waren die van Chick Webb, Benny Carter en Jimmy Lunceford.
Tegen het einde van de jaren dertig verschoof het centrum van de jazz steeds meer naar New York. Hier werd op basis van de pianistische ragtime een pianostijl ontwikkeld die wel met de naam stride-muziek wordt aangeduid en waarvan de belangrijkste vertegenwoordigers Fats Waller, James Pete Johnson en Willie ‘the Lion’ Smith waren. In de eerste helft van de jaren veertig ontstond in New York door de incorporatie van blues-elementen in big-band-jazz de zgn. ‘Harlem jump’, een vigoureuze muziek die van invloed is geweest op het ontstaan van rhythm and blues en daardoor op de rock 'n roll. Lionel Hampton en zijn orkest zijn de bekendste vertolkers geworden van deze muziek.