Italiaanse muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Italiaanse muziek
1. Tot 1600

De overgeleverde muziekgeschiedenis van het Apennijnse schiereiland behoort tot de oudste in het gebied van de westerse cultuur. Gedeeltelijk heeft die overlevering plaatsgevonden via beschrijving, gedeeltelijk door genoteerde muziek. In grote trekken kan men de muziek in Italië tot 1600 onderscheiden in twee gebieden: eenstemmige, later een- en meerstemmige liturgische muziek, en een- en meerstemmige geestelijke niet-liturgische en wereldlijke vocale en instrumentale muziek.

De liturgische eenstemmige muziek bestond uit de voortzetting van de vroeg-christelijke gezangen, de Gregoriaanse muziek, en mondde uit in het Oud-Romeinse repertoire (afgesloten in 675), de notenschriften en melodieën van Milaan en Beneventum. In de 11de en 12de eeuw werden in Italië vele ordinariumgezangen geproduceerd. De muziektheorie vond haar belangrijkste geleerde en compilator in de 11de eeuw in Guido van Arezzo, die een zestonenreeks wist te fixeren en te noteren. Eenstemmig, niet-wereldlijk, maar niet liturgisch, waren de lauden, liederen die aansluiten op die van Franciscus van Assisi, die omstreeks 1300 bij vele broederschappen in Italië in gebruik kwamen. Verschillende handschriften, waaronder vooral het Laudarium van Cortona van belang is, bevatten een schat van melodieaanduidingen en teksten waarbij de taalgrens Latijn-Italiaans waarneembaar is.

Bij het ontstaan van de wereldlijke vocale muziek ging Italië niet voorop; de trovatori (belangrijkste vertegenwoordiger: Sordello da Goito) waren navolgers van de troubadours uit Frankrijk. Pelgrimsliederen moeten beschouwd worden als een mengproduct van geestelijke en wereldlijke eenstemmige muziek.

Wereldlijke instrumentale muziek moet in Italië al zeer vroeg hebben bestaan. Vele beschrijvingen wijzen erop dat deze het leven van alledag, maar vooral dat bij vreugdevolle en rouwplechtigheden heeft begeleid. Pas in de 12de eeuw kan men in Italië sporen vinden van meerstemmige muziek, driehonderd jaar nadat voor het eerst de gregoriaanse melodie door een tweede stem werd vergezeld. De meerstemmigheid, die in de 14de eeuw door de theoreticus Marchettus de Padua werd behandeld in zijn Lucidarium en Pomerium (ca. 1318–1319), ontwikkelde zich tussen 1300 en 1600 tegelijk in de liturgische composities en in het wereldlijke repertoire, zowel vocaal als instrumentaal. De liturgische polyfonie kreeg meerstemmige geestelijke niet-liturgische muziek naast zich; het centrum van de liturgische meerstemmigheid verplaatste zich (ook vanuit andere gebieden dan Italië) naar de Nederlanden, die in de 15de en 16de eeuw omgekeerd via hun componisten-koorleiders het muziekleven voedden, o.m. aan de vorstenhoven van Rimini (Malatesta), Milaan (Sforza), Ferrara (Este), Mantua (Gonzaga), Florence (De' Medici) en het Vaticaan (de pauselijke kapel). Een wisselwerking bleef niet uit. De eerste reacties op de ook door kerkelijke overheden gekritiseerde, zware meerstemmigheid kwamen op: er ontstond een tendens naar verstaanbaarheid via accentuering van een van de dooreengeweven stemmen. De wereldlijke muziek kreeg in deze stijl haar uiting in het madrigaal, dat in de 16de eeuw bij Claudio Monteverdi en Gesualdo da Venosa zijn meest imposante vertegenwoordigers vond, en in lichte, aan de verheven madrigalen tegengestelde uitingen van volksmuziek, de villanella, de frottola en de canzonetta, waarvan alleen de laatste geen verband houdt met de volksmuziek. Naast de statische polyfone en (met bevoordeelde melodiestem aldus genoemde) homofone composities en naast de statische wereldlijke en liturgische muziek, kwam vanaf de 15de eeuw de opera op, die via liturgisch spel en ballet en via het statische oratorium een dynamische, vormen-combinerende kunstuiting werd, in de muziekgeschiedenis van Italië essentieel vanaf ca. 1600.