| Italiaanse muziek | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. De 19de en 20ste eeuw |
De Franse Revolutie had een verschuiving in het internationale muziekleven tot gevolg, met als resultaat dat de Franse (Grétry, Gossec) en de Duitse (Beethoven, Weber) (revolutie)opera de hegemonie van de Italiaanse opera begon te doorbreken. De ‘muziekopera’ van de Napolitaanse school werd vervangen door een vorm waarin de handeling centraal staat. De al eerder door Gluck in Parijs op de opera toegepaste hervormingen drongen in Italië slechts langzaam door. De eerste componist die de Italiaanse opera met nieuwe middelen verrijkte, was Simon Mayr (van Duitse afkomst, 1763–1845). De opera buffa, een synthese tussen Napolitaanse elementen en de nieuwe muziekdramatische stijl, vond haar voornaamste vertegenwoordiger in Rossini, wiens Il barbiere di Siviglia (1816) ook van invloed is geweest op de vroeg 19de-eeuwse buffa-componisten Donizetti en Vincenzo Bellini. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde de Italiaanse opera nieuwe nationale vormen en inhouden die tevens op internationaal niveau van invloed waren. Giuseppe Verdi is de schepper van de patriottische opera, die gedeeltelijk ook elementen van de opera buffa in zich opnam (Falstaff, 1893). Onder invloed van het naturalistische theater ontstond geleidelijk de ‘verismo’-stijl (Ital. ‘vero’ = waar, echt), die in muziek en tekst dramatische elementen met belcanto en naturalistische effecten tracht te verenigen.
Hoewel de belangrijkste componisten uit de 19de eeuw ook kerk-, concert- en kamermuziek schreven, stond de opera op de voorgrond. Pas rond de eeuwwisseling trachtten jonge componisten het monopolie van de opera te doorbreken. Zij grepen terug op o.m. de muziek van de 16de tot 18de eeuw. Gian Francesco Malipiero sloot in zijn instrumentale muziek (Tre danze antiche, 1910) aan bij de heldere stijl van Monteverdi, wiens verzameld werk hij uitgaf. Naast hem trachtten ook Ottorino Respighi, Ildebrando Pizzetti en Alfredo Casella aansluiting te vinden bij de barokke tradities. De invloed van het neoclassicisme en de twaalftoontechniek manifesteerde zich pas in de volgende generatie. Goffredo Petrassi gaf het neoclassicisme een gedeeltelijk neobarokke inhoud (Partita, 1934) en Luigi Dallapiccola, die ook de operatraditie van zijn land radicaal vernieuwde (Il prigionero, 1950) integreerde de technische en esthetische verworvenheden van de Tweede Weense School in een duidelijk Italiaanse, melodieuze stijl. Het futurisme (Luigi Russolo, Balila Pratella) heeft geen blijvende invloed uitgeoefend.
De generatie van de omstreeks 1920 geboren Italiaanse componisten trad na 1945 op de voorgrond. De voornaamste vertegenwoordigers (Bruno Maderna, zijn leerling Luigi Nono, en Luciano Berio) sloten allen aan bij de in de jaren vijftig ontstane seriële muziek en de elektronische muziek, maar ontwikkelden ieder een zeer persoonlijke stijl. Bij de volgende generatie hebben vooral Sylvano Bussotti, Niccolò Castiglioni en Franco Donatoni internationaal de aandacht getrokken van de jongste generatie (geb. 1945–1955): Hubert Stuppner, Luca Lombardi, Lorenzo Ferrero en Mauro Cardi.