Italiaanse muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Italiaanse muziek
2. De 17de en 18de eeuw

Tegen het einde van de 16de eeuw vormden zich, eerst in Florence, later ook elders in Italië, groepen musici, dichters, filosofen en theoretici, die in de muziek duidelijkheid, verstaanbaarheid en eenvoud in expressie via subtiele middelen wensten te realiseren. De groep Camerata, die te Florence tussen 1580 en 1589 bijeenkwam ten huize van graaf Bardi, vormde ten aanzien van de ontwikkeling van de muziek, gedreven door actuele geestelijke stromingen, stilistische fijngevoeligheid en praktische zin – en bij dit laatste sterk beïnvloed door de kerk, die zich niet meer kon verenigen met de onverstaanbaarheid van de polyfone liturgische gezangen – een basis die voor een lange tijd en voor een gebied zo groot als de muziekwereld van die tijd in haar geheel van eminent belang zou worden. In de eerste plaats schiep deze reactie op de extreme polyfonie de muzikale mogelijkheden voor de opera, die in haar eerste uitingen een perfect samengaan van een ongecompliceerde muzikale stemvoering en van een woordelijk verstaanbare tekst onvoorwaardelijk nodig had. Ook in de statische muziekbeoefening echter nam de monodie het op tegen de polyfonie, samen met de opera, eerst in Florence, daarna ook in Rome en Venetië. Niet zelden werden de beide contrasterende stijlen jarenlang tegelijk vertegenwoordigd door een en dezelfde componist (bijv. Monteverdi). Inmiddels publiceerde Giulio Caccini in 1602 een bundel madrigalen in de nieuwe stijl onder de uitdagende titel Nuove musiche. In 1609 verscheen Varie musiche van Jacopo Peri, die in 1597 de eerste opera in de muziekgeschiedenis het licht had doen zien. Zowel aria's als recitatieven (de laatste na enige jaren ook ‘accompagnati’) gingen op in de opera of bleven in haar onmiddellijke invloedssfeer.

De instrumentale muziek (afgezien van de volks- en straatmuziek die al eeuwenlang het leven in Italië moeten hebben begeleid) was in de loop van de 16de eeuw tot ontplooiing gekomen via de luit, daarna via toetsinstrumenten. De eerste werken voor orgel, evenals die voor luit niet genoteerd in notenschrift, maar in tabulaturen, waren sterk beïnvloed door de vocale meerstemmigheid van die tijd. De ricercari van Spinaccino leveren daarvan een bewijs, maar ook de latere ricercari van Girolamo Cavazzoni (Intavolatura, 1542). Andrea en Giovanni Gabrieli beoefenden aan het begin van de ontwikkelingstijd van een oorspronkelijke instrumentale stijl te Venetië deze componeerwijze. Fantasia, canzona en sonate deden hun intrede, de laatste vorm met een toekomst van eeuwen, zij het in sterk veranderde betekenissen. Zoals de vocale monodie zich had gepresenteerd om vervolgens op te gaan in de opera, zo kwam kort na 1600 de sonate als proeve van instrumentale monodie de geschiedenis van de instrumentale muziek in Italië inleiden. Het orgel bleef, afgezien van zijn begeleidende functie, een eigen historie maken, die via intonazione en toccata naar Italiës vroege hoogte- en eindpunt van de orgelgeschiedenis zou leiden: Frescobaldi. Na Giovanni Gabrieli's eerste instrumentale monodische werken kwam in 1613 Salomone Rossi met de eerste triosonate, voor twee violen met basso continuo. Biagio Marini publiceerde in 1617 de Affetti Musicali, waarin de eerste sonate voor één viool met basso continuo voorkomt, en daarmee was een van Italiës belangrijkste bijdragen aan de muziekgeschiedenis van de 17de eeuw geleverd. De viool zou voor eeuwen bepalend zijn in de internationale ontwikkeling van de instrumentale muziek. De sonate da chiesa (ook in de kerk als tussenspel gebruikt) en de sonate da camera (vanaf 1637) versmolten in de loop van honderd jaar. Daaruit kwam na de vijfdelige vioolsonate (Legrenzi) en het vioolconcert (Torelli; eerste specimen 1698), waarin al de vierdelige vorm is bereikt, het concerto grosso voort (Geminiani; Albinoni; Veracini). Een wisselwerking tussen deze sterk op de viool gerichte compositiewijzen en de vioolbouw, die hiermee gelijke tred wilde houden, leverde behalve een gigantisch oeuvre van werken in bovengenoemde compositievormen ook een bloeiende industrie van strijkinstrumenten op, waarbij de stad Cremona en de vioolbouwerfamilies Amati, Guarneri en Stradivari grote bekendheid verwierven. Soloconcert, solosonate en kamermuziekcombinaties werden in de 18de eeuw geleidelijk ook geschreven voor andere instrumenten. Sammartini, Nardini en later in de eeuw Luigi Boccherini, schepper van het strijkkwintet, zetten deze traditie in Italië voort.

Een merkwaardig lot viel het toetsinstrument ten deel. Ca. 1700 bracht Bernardo Pasquini de vioolsonate over op het klavier, en Domenico Scarlatti bracht dit genre voor klavecimbel kwantitatief en kwalitatief tot grote bloei. De instrumentale opera-ouverture ontwikkelde zich in de loop van de 17de en 18de eeuw uit de opera-ouverture via enige tussenfasen naar de definitieve vorm die haar in Duitsland gegeven werd: de klassieke symfonie. Met deze emigratie en met die van de klaviersonate, die door Domenico Alberti naar Wenen werd gebracht, was de rol van Italië in de instrumentale muziek tijdelijk uitgespeeld. De opera overheerste het muziekleven.