Israël [land]
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Israël [land]
6. Geschiedenis
6.1 Ontstaan

Op 15 mei 1948 riep David Ben Goerion in Palestina de staat Israël uit, waarmee een einde kwam aan het 26 jaar oude Britse mandaat over Palestina. Door de activiteiten van het zionisme was de oorspronkelijke joodse gemeenschap sterk gegroeid. Deze groei van de Jisjoev, zoals de joodse gemeenschap in Palestina voor 1948 heet, vertaalde zich in het aankopen van grond en het verdringen van Palestijnse boeren. Dit conflict om grond is de kern van het Palestijns-Israëlisch conflict, dat zich in vele ideologische gedaanten presenteerde (zie ook joden). Als oplossing van het aldus ontstane conflict stelde een Britse onderzoekscommissie in 1937 voor het land te verdelen in een joodse en een Arabische staat en een internationaal district. Alhoewel de Britse regering het plan verwierp, bleven de joden aandringen op de oprichting van een joodse staat, vooral onder de invloed van de catastrofe die hen in de Tweede Wereldoorlog trof (zie holocaust). Toen de naoorlogse regering van Groot-Brittannië de joodse eisen tot immigratie weigerde in te willigen, ontstond er een opstand, die haar ten slotte dwong het probleem aan de Verenigde Naties voor te leggen. Een commissie namens de Verenigde Naties beval opnieuw een deling van Palestina aan en dit plan werd op 29 november 1947 door de Assemblée aangenomen. Onmiddellijk ontstond er een burgeroorlog tussen Arabieren en joden, waarbij de laatsten na aanvankelijke tegenslagen en grote verliezen, de overhand begonnen te krijgen. Onder de indruk van het bloedige conflict en de tegenwerking van Groot-Brittannië wilden de Verenigde Naties het delingsbesluit ongedaan maken, maar het inmiddels gevormde Voorlopige Bestuur van de joodse gemeenschap, die 600 000 zielen telde, riep op 14 mei 1948 de joodse staat Israël uit.

6.2 Israëlisch-Arabische Oorlog

De laatste Britse troepen verlieten op 15 mei het land en op dezelfde dag vielen zeven Arabische staten Israël aan. Het Israëlische leger, geformeerd uit de reeds bestaande verzetsorganisaties, waarvan de Hagana de belangrijkste was, wist vrijwel alle door joden bewoonde gebieden en een groot deel van de gemengde steden te behouden of te veroveren. Met een onderbreking van een maand duurden de gevechten voort tot begin 1949, toen er onder bemiddeling van de VN wapenstilstandsverdragen werden gesloten op het eiland Rhodos, met Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië. Israël had inmiddels een groter gebied veroverd dan het bij de oorspronkelijke verdeling was toegewezen. Driekwart miljoen Palestijnen waren uit het voormalige Palestina gevlucht of door Israëlische troepen de grens overgezet. Zij waren gedwongen zich te vestigen in vluchtelingenkampen in Jordanië (inclusief voor 1967 de Westelijke Jordaanoever), Libanon en de door Egypte ingelijfde Gazastrook. De jonge Israëlische staat werd geconfronteerd met een Arabische economische boycot en het sluiten van waterwegen voor Israëlische schepen.

6.3 Ben-Goerion

Israëls eerste minister-president en jarenlang de dominerende figuur was David Ben-Goerion (1948–1953; 1955–1963). Hij was de leider van de grootste partij, de socialistische Mapai, die bij verscheidene verkiezingen voor het parlement 40 tot 47 zetels (van de 120) behaalde. Verder waren er nog 10 tot 13 middelgrote en kleine partijen: uiterst linkse, liberale, nationalistische en religieuze. Ondanks de grote verscheidenheid van partijen was er een politieke stabiliteit, daar er bij de verkiezingen weinig verschuivingen optraden. Er werden pogingen gedaan tot het vormen van grotere groeperingen, welke pogingen resulteerden in een socialistisch blok en een liberaal-nationalistisch blok. Mettertijd werden ook enkele Arabieren in het parlement opgenomen; sommigen ter vertegenwoordiging van specifiek Arabische partijen.

De religieuze partijen kregen veel invloed. In ruil voor hun regeringsdeelname werd een religieuze institutionalisering van het openbare leven bewerkstelligd. In deze eerste fase van de nieuwe staat was de immigratie van honderdduizenden joden een belangrijk fenomeen. De door de Palestijnen achtergelaten woningen en boerderijen kregen nieuwe bewoners. Onder Ben-Goerion begon de staatsvorming. Industrialisatie en mechanisatie van de landbouw zorgden voor een welvaartsstaat naar westers voorbeeld.

6.4 Suezcrisis

Het belangrijkste probleem dat Israël bleef bezighouden, was de verhouding tot de Arabische staten. Vooral na de revolutie in Egypte (1952) begon de situatie dreigend te worden, omdat de Egyptische president Nasser ernaar streefde de nederlaag van 1948 ongedaan te maken. In 1955 nam de spanning toe, doordat Egypte wapens geleverd kreeg uit communistische landen. Het toenemen van Palestijnse infiltraties in Israël, de militaire verbonden tussen Egypte en Arabische landen, het sluiten van het Suezkanaal en de Straat van Tiran (toegang tot de Golf van Akaba) voor Israëlische schepen, waartegen Israël al jarenlang geprotesteerd had, waren de oorzaak van grote bezorgdheid. Toen Nasser het Suezkanaal nationaliseerde en in conflict raakte met de Westerse mogendheden, besloot Israël tot de aanval over te gaan (zie ook Suezcrisis). In zes dagen veroverde het leger onder bevel van Mosje Dajan het schiereiland Sinaï (29 oktober 1956). Onder druk van de Verenigde Naties, waarin de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie samenwerkten en met sancties dreigden, trok Israël in maart 1957 zijn troepen terug, waarbij het echter bedong dat de Straat van Tiran voor de scheepvaart vanuit Eilat open zou blijven en dat daar en in de Gazastrook troepen van de Verenigde Naties gelegerd zouden worden om de status quo te handhaven (zie ook Midden-Oosten 3. Periode 1949–1967).

In 1960 raakte premier Ben-Goerion in conflict met een groot aantal partijgenoten, hetgeen in 1963 leidde tot zijn aftreden. Hij werd opgevolgd door de minister van Financiën Levi Esjkol (1963–1969).

6.5 Zesdaagse Oorlog

In mei 1967 werd de situatie voor Israël kritiek. De troepen van Egypte, Syrië, Jordanië, Irak en Koeweit werden in paraatheid gebracht en Nasser eiste en verkreeg de aftocht van de troepen van de Verenigde Naties. Hij verklaarde tevens geen schepen meer door te zullen laten. De Jordaanse koning, Hoessein, sloot vervolgens een verbond met Nasser. Pogingen op internationaal niveau een oplossing van de crisis te bereiken, mislukten. Het inmiddels gevormde nationale kabinet (waarin Mosje Dajan minister van Defensie was geworden) besloot daarop de aanval op Egypte en Syrië te openen (5 juni 1967). Hierop verklaarden de Arabische staten zich solidair met Egypte en Jordanië. Het Israëlische leger onder opperbevelhebber Jitschak Rabin bleek verreweg superieur; in zes dagen werden de Sinaï, het gehele gebied ten westen van de Jordaan met inbegrip van het gedeelte van Jeruzalem dat nog in Arabische handen was, en de Hoogvlakte van Golan veroverd.

Op 10 juni 1967 werd door bemiddeling van de Veiligheidsraad (zie Verenigde Naties) het vuren gestaakt, waarmee een eind kwam aan de Zesdaagse Oorlog (ook wel Juni-oorlog).

6.6 Resolutie Veiligheidsraad

Op 22 november 1967 nam de Veiligheidsraad een resolutie aan (nr. 242) die uitging van terugtrekking door Israël uit de door dit land bezette gebieden en van de soevereiniteit en territoriale onschendbaarheid van elke staat in het Midden-Oosten. Verscheidene vredespogingen liepen stuk. Israël weigerde zich uit de Bezette Gebieden terug te trekken en installeerde een militair bestuur. De Arabische staten weigerden Israël te erkennen. Na 1967 kreeg Israël in toenemende mate te maken met gewelddadige invallen van verschillende Palestijnse bevrijdingsorganisaties vanuit Jordanië en na 1970 vanuit Libanon. Israël reageerde met keiharde vergeldingsacties. In de Bezette Gebieden was het Palestijns verzet in militaire zin geen bedreiging. Hoewel zeker linkse Israëlische kringen terugtrekking uit de Bezette Gebieden voorstonden in ruil voor vrede, werden de Bezette Gebieden door kolonisatie en infrastructuur steeds meer vervlochten met de Israëlische maatschappij en economie.

6.7 Jom Kippoer-oorlog

Om de impasse inzake de bezette gebieden te doorbreken, gingen Syrië en Egypte op 6 oktober 1973 (de joodse feestdag Jom Kippoer) over tot een gecombineerde aanval op Israël. Na aanvankelijk Arabisch succes slaagde het Israëlische leger er in de Syrische troepen terug te drijven tot achter de bestandslijn van 1967 en een bruggenhoofd in Egypte te vormen op de westelijke oever van het Suezkanaal. Op 22 oktober nam de Veiligheidsraad een resolutie aan inzake een bestand, waarna het vuren werd gestaakt. Deze Oktoberoorlog of Jom Kippoer-oorlog had intussen binnen Israël zelf grote politieke beroering teweeggebracht: onmiddellijk na het staakt-het-vuren werd heftige kritiek geleverd op de regering. In maart 1974 vormde mevrouw Golda Meir, die in februari 1969 de overleden premier Esjkol was opgevolgd, een nieuwe coalitieregering; in april echter kondigde zij haar aftreden aan. Generaal Rabin werd premier van een nieuw coalitiekabinet, waarin Mosje Dajan en de minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban niet terugkeerden: zij werden vervangen door resp. Shimon Peres en Jigal Allon (vice-premier onder Meir). In de loop van 1974 werden met Egypte en Syrië troepenscheidingsakkoorden gesloten, waarbij Israël zich terugtrok uit de gebieden die het in de Oktoberoorlog had bezet. Na Amerikaanse bemiddeling werd ten aanzien van de Sinaï in september 1975 een nieuwe overeenkomst bereikt: Israël trok zijn troepen verder terug naar het oosten, waarbij het o.m. de olievelden bij Aboe Rodeis prijsgaf.

Intussen geraakte Israël, vooral door de hantering van het ‘oliewapen’ door de Arabische landen (zie aardolie §1.2 Strategische betekenis van aardolie), in toenemende mate geïsoleerd. Ook werd het betrokken in de Libanese burgeroorlog; Israël voerde vergeldings- en preventieve acties tegen de Palestijnen uit op Libanees grondgebied.

6.8 De jaren tachtig

In 1977 werden de parlementsverkiezingen niet, zoals gebruikelijk, gewonnen door de Arbeiderspartij maar door de conservatieve Likud-partij onder Menachem Begin. Deze vormde een coalitie met Jigal Jadin van de nieuw opgerichte Democratische Beweging. Belangrijke achtergrond van het verlies van de Arbeiderspartij was de nasleep van de Oktoberoorlog. Weliswaar had Israël zich uiteindelijk militair staande gehouden, maar de mythe van onoverwinnelijkheid was gebroken. De oorlog had bovendien een economische crisis tot gevolg, die leidde tot emigratie, een gevoelig issue in de Israëlische politiek. Voorts waren de verschillende regeringen van de Arbeiderspartij weinig consistent tegenover de kolonisatie-acties van het rechts-religieuze Goesj Emoniem (Blok der Getrouwen) in de Bezette Gebieden, die Palestijns verzet uitlokten. Bij gemeenteraadsverkiezingen in 1976 stemde de gepolitiseerde Palestijnse bevolking massaal op de PLO, terwijl de Israëlische Palestijnen zich in toenemende mate solidair verklaarden met de Palestijnen in de Bezette Gebieden. Eind 1977 was er een vredesinitiatief van president Sadat van Egypte, die in november naar Israël kwam voor een bezoek aan Begin. In 1978 kwam onder bemiddeling van de Amerikaanse president Carter te Camp David een ‘raamovereenkomst’ tot stand, die o.m. in een vredesverdrag tussen beide mogendheden en overdracht van de Sinaï door Israël aan Egypte voorzag (zie Camp David-akkoorden). Met dit laatste werd in 1979 een begin gemaakt. In maart van dat jaar kwam een vredesverdrag met Egypte tot stand. Dat de regering-Begin haar beleid inzake het stichten van joodse nederzettingen in de bezette gebieden voortzette, veroorzaakte binnenlandse tegenstellingen (Mosje Dajan, minister van Buitenlandse Zaken, trad zelfs af) en belemmerde een verdergaande toenadering tussen Israël en Egypte. Een crisis dreigde toen het parlement in augustus 1980 een wet aannam waarbij Jeruzalem tot de ene en ondeelbare hoofdstad werd verklaard. Op 7 juni 1981 voerde de Israëlische luchtmacht een aanval uit op een kerncentrale in Irak, waarvan men vermoedde dat zij gebruikt werd voor de ontwikkeling van atoombommen.

De verkiezingen van 30 juni 1981 werden gewonnen door het Likud-blok. Begin vormde zijn tweede kabinet met o.a. generaal Sharon op Defensie. Naast de intensivering van het nederzettingenbeleid in bezet gebied en de onverzoenlijke houding van de regering-Begin jegens de Arabische wereld leidde de annexatie van de Hoogvlakte van Golan (14 december 1981) tot scherpe internationale kritiek.

Door Amerikaanse bemiddeling was in juli 1981 een stilzwijgend bestand met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) in Libanon overeengekomen. Sinds 1978 hield Israël in Zuid-Libanon een ‘veiligheidszone’ bezet. Na een aanslag op de Israëlische ambassadeur in Londen trokken Israëlische troepen op 6 juni 1982 andermaal Libanon binnen. Deze operatie ‘Vrede voor Galilea’ mondde echter al snel uit in een grootscheepse invasie en de belegering van Beiroet, waar Israël de aftocht van de PLO-strijders afdwong (zie Midden-Oosten en Libanon). De Libanese oorlog ontmoette intern in Israël veel kritiek, vooral toen Israëls Libanese bondgenoten in de Palestijnse kampen Sabra en Shatila een massamoord aanrichtten (september 1982). Deze Libanese milities hadden vooraf toestemming gekregen van Israëlische troepen om de Palestijnse kampen binnen te trekken. Grote demonstraties leidden tot een onderzoek door de commissie-Kahan, dat resulteerde in het aftreden van minister Sharon. Inmiddels leed het Israëlische leger in Libanon steeds meer verliezen, o.a. door bomaanslagen, en zegde Libanon een akkoord met Israël (17 mei 1983) weer op in maart 1984.

De politieke polarisatie in Israël nam toe. Tegenover de Vrede Nu-beweging stonden joodse nationalistische groeperingen (Goesh Emoniem). Een joodse ondergrondse beweging pleegde terreurdaden tegen Palestijnse leiders in bezet gebied. Ondertussen was ook de economische toestand (inflatie en werkloosheid) zeer zorgwekkend.

In augustus 1983 trad premier Begin af en nam zijn minister van Buitenlandse Zaken Jitschak Sjamir de leiding van het kabinet over. Vervroegde verkiezingen in maart 1984 leverden een patstelling op voor het Likud-blok en de Arbeiderspartij, waarop zij een regering van ‘nationale eenheid’ vormden, waarin eerst de socialist Shimon Peres (1984–1986) en vervolgens Likud-leider Sjamir (1986–1988) premier zouden zijn. Deze regering besloot, afgezien van de veiligheidszone, tot een volledige terugtrekking uit Libanon (juni 1985). Met een diep ingrijpend saneringsbeleid wist dit kabinet de economische toestand te verbeteren.

In 1984 kwamen via een geheime luchtbrug 10 000 joden uit Ethiopië (Falasha's) naar Israël.

Op de groeiende onrust in de bezette gebieden reageerde Israël met harde strafmaatregelen, deportaties, verschijningsverboden en schoolsluitingen. Naast PLO-aanhangers manifesteerden zich ook steeds meer islamitische fundamentalisten (Hamas; zie ook fundamentalisme [islam]). Op 8 december 1987 brak in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever de Palestijnse opstand (Intifadah) uit. Ondanks harde maatregelen bleek het leger niet in staat hieraan het hoofd te bieden. Mede door de internationale publiciteit kwam er steeds meer druk op Israël, o.a. uit de Verenigde Staten, om vorderingen te maken in het vredesproces. De groeiende verdeeldheid hierover in Israël zelf kwam tot uiting bij de verkiezingen van 1 november 1988, waarbij zowel het Likud-blok als de Arbeiderspartij zetels verloor aan radicale partijen ter rechter- en linkerzijde. In de daarop door Sjamir gevormde nieuwe regering van ‘nationale eenheid’ (kernkabinet Sjamir, Peres, Arens en Rabin) bleven echter de oude meningsverschillen onverkort bestaan.

Hoewel enige malen ernstig op de proef gesteld (Libanon-oorlog, spionageschandalen), bleef de nauwe strategische, politieke en economische samenwerking met de Verenigde Staten bestaan. Met de Sovjet-Unie en de toenmalige andere communistische landen in Oost-Europa werden in de jaren tachtig geleidelijk de banden hersteld, wat tot uiting kwam in o.a. een toenemende immigratie van Russische joden.

6.9 De jaren negentig

In het najaar van 1989 deden Egypte (de ‘tien punten’ van Mubarak) en de Verenigde Staten (het plan-Baker) vergeefse pogingen de impasse in het overleg over de bezette gebieden te doorbreken. Op 15 maart 1990 kwam het kabinet Sjamir-Peres ten val ten gevolge van de weigering van Sjamir het Baker-plan expliciet te aanvaarden. Na een moeizame kabinetsformatie wist Sjamir ten slotte in juni 1990 een coalitie te vormen van zijn Likud-blok met een aantal religieuze en nationalistische partijen.

Na het begin van de Tweede Golfoorlog op 17 januari 1991 probeerde Irak Israël bij de strijd te betrekken door Israëlische steden (waaronder Tel Aviv en Haifa) met Scudraketten (met conventionele lading) te bestoken, waarbij enige doden vielen, maar voornamelijk materiële schade werd aangericht. Op aandrang van de Amerikaanse regering besloot Israël af te zien van vergeldingsacties teneinde de anti-Iraakse coalitie niet in problemen te brengen.

Tijdens de Tweede Golfoorlog was in de bezette gebieden een uitgaansverbod van kracht. Na de oorlog (februari 1991) laaide de Intifadah weer op. Mede onder druk van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, nam Israël deel aan een vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid (30 oktober–2 november 1991). De Palestijnen die deel uitmaakten van de Palestijns-Jordaanse delegatie, kregen bij hun terugkeer een heldenontvangst. Op 13 juli 1992 werd Sjamir vervangen door Jitschak Rabin. De nieuwe regering ging contacten met de PLO niet uit de weg, wat op 13 september 1993 in Washington resulteerde in een akkoord over beperkt Palestijns zelfbestuur in Gaza en Jericho (zie ook Palestijnse Nationale Autoriteit). Dit zgn. Akkoord van Oslo schiep nieuwe mogelijkheden voor een verbetering van de relatie met Syrië, Jordanië en Libanon en werd in 1995 gevolgd door het Oslo-2-akkoord, dat voorzag in een gefaseerde Israëlische terugtrekking uit de belangrijkste steden op de Westelijke Jordaanoever (zie ook Oslo-akkoorden).

In maart 1993 koos de Knesset Ezer Weizman van de Arbeiderspartij tot president als opvolger van Chaim Herzog. In december werd een akkoord getekend met het Vaticaan over het aangaan van diplomatieke betrekkingen.

Midden 1994 tekenden de Israëlische premier Rabin en koning Hoessein van Jordanië de zgn. Verklaring van Washington, waarbij formeel een einde kwam aan de staat van oorlog tussen beide landen. De onderhandelingen met Syrië bleven moeizaam verlopen. De voornaamste struikelblokken vormden de veiligheidsmaatregelen bij een Israëlische aftocht uit de Golanhoogte en de ‘diepte’ van de te sluiten vrede.

In november 1995 werd premier Rabin in Tel Aviv vermoord door een jonge Israëlische nationalist. De nieuwe regeringsleider Shimon Peres, die het vredesproces voortzette, leed eind mei 1996 bij de parlementsverkiezingen en bij de eerste directe verkiezing van een nieuwe premier een zeer kleine nederlaag tegen Likud-leider Benjamin Netanyahu. Laatstgenoemde vormde een rechtsreligieuze coalitieregering en beloofde het vredesproces met de PLO en de Arabische landen voort te zetten. Bij de eerder in 1996 gehouden verkiezingen voor een Palestijnse Raad en een Palestijnse president, die het bestuur in de Gazastrook en in verschillende steden en gebieden op de Westbank van de Israëlische militairen overnamen, zoals was overeengekomen in het Oslo-2-akkoord, werd Arafat met ruime meerderheid tot president gekozen. In de loop van 1996 ontstond in Israël grote politieke verdeeldheid over het vredesproces. De oorzaken daarvan waren de zelfmoordaanslagen van de Hamas en het beleid van Netanyahu, die de vrede-voor-landfilosofie van Rabin en Peres terzijde schoof en op basis van een vrede-voor-veiligheidstrategie de onderhandelingen met de PLO onder grote buitenlandse druk schoorvoetend voortzette. Netanyahu kondigde de bouw van nieuwe joodse nederzettingen aan en weigerde aanvankelijk in te stemmen met de terugtrekking van het Israëlische leger uit Hebron, waarover begin 1997 na Amerikaanse druk alsnog overeenstemming werd bereikt. De spanningen tussen Israël en de PLO liepen snel op en ook de broze relatie met de Arabische landen werd door de harde Israëlische standpunten op de proef gesteld.

Het vredesproces raakte verder in het slop toen Netanyahu in februari 1997 de bouw aankondigde van de joodse woonwijk Har Homa in Oost-Jeruzalem. In september van dat jaar werd begonnen met de bouw van nieuwe joodse nederzettingen in Efrat, op de Westelijke Jordaanoever. De Verenigde Staten gaven in oktober 1997 openlijk blijk van hun afkeuring over het beleid van de regering-Netanyahu. Ook binnen de Arabische wereld en de EU nam de onvrede toe over de Israëlische politiek. In november werd onder grote Amerikaanse druk het overleg hervat tussen Israël en Palestijnse delegaties over de verdere uitwerking van de gebiedsoverdracht. In Israël zelf boette Netanyahu's prestige in door onder meer een beschuldiging jegens corruptie, een mislukte moordaanslag op een Hamas-leider door de Israëlische geheime dienst en door een eigenzinnige poging van Netanyahu het verkiezingsreglement van Likud naar zijn hand te zetten. Ook binnenslands groeide het verzet tegen de Israëlische aanwezigheid in Libanon, waar het leger verschillende aanvallen uitvoerde op de pro-Iraanse Hezbollah. In juni 1997 koos de Arbeiderspartij de voormalige chef-staf Ehud Barak tot partijleider, als opvolger van Shimon Peres.

In de Palestijnse Autonome Gebieden (Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) verslechterde de algemene leefsituatie aanzienlijk door de collectieve strafmaatregelen van Israël naar aanleiding van de bomaanslagen door Hamas. 70 000 Palestijnen konden door de grenssluitingen niet naar hun werk. Ook de Palestijnse leider Arafat verloor aan prestige door het vastlopen van het vredesproces en de toenemende corruptie in Palestijnse kring. Hamas-leider Ahmed Yassin kwam in oktober 1997 vrij bij een gevangenenruil, waarbij ook de Mossadagenten betrokken waren die eerder dat jaar een mislukte aanslag hadden gepleegd op een Hamas-leider in Amman.

Amerikaanse druk op Netanyahu leidde uiteindelijk tot het akkoord van Wye Plantation dat onder leiding van de Amerikaanse president Clinton in oktober 1998 werd gesloten door Arafat en Netanyahu. De Jordaanse koning Hoessein, die ter behandeling van kanker in de Verenigde Staten verbleef, had zich actief bemoeid met de totstandkoming van het akkoord. Het akkoord bepaalde dat Israël zich uit 13,1 procent van de Westelijke Jordaanoever zou terugtrekken. Arafat beloofde op zijn beurt harder op te treden tegen terroristische aanslagen van Hamas en voorts om het Palestijns Handvest te herzien. Het Israëlische nederzettingenbeleid bleek de uitvoering van Wye Plantation in de weg te staan.

Eind 1998 viel Netanyahu’s kabinet. Er werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven voor parlement en premier in mei 1999. Likud koos Netanyahu opnieuw tot kandidaat-premier en lijsttrekker.

De parlementsverkiezingen van medio mei 1999 gaven een sterk verlies voor de Likud-partij te zien; deze zakte van 32 zetels teug naar 19. Een grote winnaar was de ultra–orthodoxe Shaspartij, die 10 zetels won. De Arbeiderspartij bleef de grootste, al liep haar zetelaantal terug van 34 naar 27. Netanyahu trok zich onmiddellijk terug als premier. De nieuwe premier werd Ehud Barak van de Arbeiderspartij. Netanyahu trad ook af als partijleider en werd opgevolgd door oudgediende Ariel Sharon.

Tijdens zijn campagne had Barak beloofd het vredesproces met Syrië en de Palestijnen uit het slop te trekken. Hij baarde opzien met zijn concrete toezegging dat onder zijn bewind het Israëlische leger binnen één jaar Libanon verlaten zou hebben. Barak beloofde voorts dat over de teruggave van de Golan aan Syrië en terugtrekking van het Israëlische leger uit Zuid-Libanon een referendum de doorslag zou geven.

In Baraks brede regeringscoalitie, die op 6 juli 1999 werd beëdigd, werden samen met Israël-Eén religieus-orthodoxe partijen als Shas, de Thorapartij en de Nationale Religieuze Partij, en de seculier linkse Burgerrechtenpartij van Sarid opgenomen.

Na interventies van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Albright, en de Egyptische president, Mubarak, sloten Barak en Arafat op 4 september 1999 een nieuw akkoord. In dit ‘Wye-2’ verplichtte Israël zich er o.m. toe dat 18,1% van bezet land op de Westelijke Jordaanoever in drie fases onder Palestijns gezag zou komen en dat ten minste 350 Palestijnse gevangenen zouden worden vrijgelaten. Op 1 oktober 2000 moest de bouw van een nieuwe haven in Gaza beginnen en een nieuwe zuidelijke verbindingsweg tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever worden geopend. Een noordelijke verbindingsweg zou in februari 2000 gereed moeten zijn. De belangrijkste toevoeging in Wye-2 was een blauwdruk voor een alomvattende vrede tussen Israël en de Palestijnen, die op 13 februari 2000 afgerond zou moeten zijn en de basis moest vormen van een definitieve vredesregeling in september 2000. Hierna begon Israël met de uitvoering van het akkoord. In twee fases werden 350 Palestijnse gevangenen vrijgelaten en op 4 oktober 1999 werden protocollen voor de verbindingsweg tussen Gaza en Hebron ondertekend. In januari 2000 werd tussen Israël en de Palestijnen een akkoord gesloten over de overdracht van land op de Westelijke Jordaanoever.

De onderhandelingen over de blauwdruk voor vrede, die in september 1999 waren begonnen, verliepen slecht. Vooral de status van Jeruzalem was een heikel punt. Uit protest tegen de voortgaande bouw van joodse nederzettingen staakten de Palestijnen de onderhandelingen begin december. Een geheime topontmoeting tussen Barak en Arafat, op 22 december 1999 in het Palestijnse Ramallah, bracht het vastgelopen vredesproces weer op gang.