Zoekweergave Israël [land]

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Israël [land]
Introductie

Israël [land] (officieel: Medinat Jisraeel, [Ivriet], Dawlat Isra'il [Arabisch], = Staat van Israël), republiek in Voor-Azië, officieel 21 946 vierkante kilometer (1998 reëel) (volgens de grenzen van 1949, dus exclusief de bezette gebieden en de Palestijnse Autonome Gebieden – Westelijke Jordaanoever, Gazastrook en Golanhoogte: tezamen 7375 km2), met 6 500 389 inwoners (2008 schatting); 320 personen per vierkante kilometer (2008 schatting). De hoofdstad is Jeruzalem (hoewel de diplomatieke vertegenwoordigingen van vrijwel alle landen in Tel Aviv zijn gevestigd). Munteenheid is de sjekel, verdeeld in 100 agorot. De nationale feestdag wordt gevierd op de 5de Ijar, Onafhankelijkheidsdag (Jom Ha’azmaoet); het land riep op 14 mei 1948 de onafhankelijkheid uit; de viering van deze datum kan volgens de joodse maankalender in april of mei vallen. De internetlandcode (TLD) is il.

Israël werd direct na oprichting in 1948 aangevallen door zijn Arabische buurlanden. Er volgden oorlogen in 1948, 1956, 1967, 1973, 1982 en 2006 en twee Palestijnse opstanden (1987-1993 en 2000-2005). Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 veroverde Israël de Golanhoogvlakte, de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en de Sinaï op respectievelijk Syrië, Jordanië en Egypte. Hierdoor kreeg Israël het bestuur over ruim een miljoen statenloze Palestijnen. Anno 2005 woonden er drie miljoen Palestijnen in deze gebieden.

In 1979 sloot Israël een vredesverdrag met Egypte waarbij het de Sinaï teruggaf. In 1994 volgde vrede met Jordanië, waarbij eveneens land werd teruggegeven. Na jaren van Palestijns verzet tegen de bezetting, die in 1987 uitmondde in de eerste Intifadah, leidden de Oslo-akkoorden van 1993 en 1995 tot de installatie van Palestijns zelfbestuur in de Gazastrook en delen van de Westelijke Jordaanoever: De Palestijnse Autoriteit (PA). In september 2000 brak een nieuwe Palestijnse opstand uit, de tweede Intifadah, en kwam het vredesproces tot stilstand.

1. Landschap, klimaat en natuur
1.1 Landschap en rivieren

Israël omvat van west naar oost drie landschappen: de kustvlakte, het westelijk bergland (‘westelijk’ in tegenstelling tot oostelijk, te weten het bergland in Jordanië) en de slenk van el Ghor. De kustvlakte wordt slechts onderbroken door het Karmelgebergte en van zuid naar noord onderscheiden in Sjeféla (= vlakte), de vlakte van Sharon en ten noorden van de Karmel het dal van Zevoeloen (Zebulon). De kust is een duinkust.

Het westelijk bergland, 700 tot 1000 m hoog, is onder te verdelen van zuid naar noord in het bergland van de Negev, dat van Judea, dat van Samaria en dat van Galilea. De laatste drie gebergten bestaan overwegend uit kalksteen en vertonen karstverschijnselen. Alleen de ondergrond van de Negev, die ca. 50% van de oppervlakte van het land beslaat, bestaat uit graniet. De hoogste verheffingen zijn de berg Hare Meron bij Zefad (1208 m) en de berg Ramon in het zuidwesten van de Negev (1035 m). Het westelijk bergland wordt ten zuidoosten van Haifa onderbroken door de Vlakte van Jizreël, die het Jordaandal met de Middellandse Zee verbindt. De diepe slenk van el Ghor (een uitloper van het in de Afardriehoek ontspringende riftsysteem) omvat in het noorden het Jordaandal en in het zuiden het dal van Araba. In het noorden ligt het oppervlak van Jam Kinneret op 209 m beneden de zeespiegel, meer zuidelijk dat van de Dode Zee op 394 m beneden de zeespiegel.

De enige grote rivier is de Jordaan, deels grensrivier met Jordanië. De overige rivieren in Israël, alle naar de Middellandse Zee stromend, zijn kort en voeren onregelmatig water.

1.2 Klimaat

West-Israël bezit een mediterraan klimaat met droge, hete zomers en zachte, vochtige winters. De in het oosten gelegen slenk van el Ghor ontvangt minder dan 200 mm regen per jaar en kent dus een woestijnklimaat. In de zomer lopen de temperaturen plaatselijk vaak op tot meer dan 40 °C, m.n. als uit het oosten de woestijnwind, de sirocco, waait. De zomerwarmte wordt overdag getemperd door de dagelijkse zeewind vanuit het westen; de afkoeling 's nachts is vaak zo sterk dat er dichte nevels en zware dauw optreden. De winterregen valt gewoonlijk in drie perioden: a. de vroege regen na de droge zomer in oktober en november; b. de winterregen, in hevige buien, afgewisseld door perioden met zonneschijn; c. de late (spade) regen in maart en april. De gemiddelde regenval per jaar bedraagt ca. 600 mm en neemt van noord naar zuid en van west naar oost af.

1.3 Plantengroei

Het westen van Israël behoort nog tot de mediterrane regio, waartoe hier uitsluitend altijdgroene bossen behoren. In de laagvlakte en op de duinen is dit het Oleo-Ceratonion met de Johannesbroodboom (Ceratonia siliqua) en Pistacia lentiscus. In het kustgebergte groeit op krijtgrond naaldbos van Aleppo-den (Pinus halepensis), oostwaarts uitstralend tot Jeruzalem en Galilea; op zandgrond bos en struweel van een eik (Quercus ithaburensis) dat op de rendzinabodem van de Karmel en tot in Galilea gemengd is met Styrax officinalis en Pistacia atlantica. Landinwaarts is in het gebergte een maquis-type op terra rossa de meest voorkomende plantengemeenschap. Allerwegen treft men in het mediterrane gebied, aangeplant en verwilderd, de oorspronkelijk uit Zuid-Amerika afkomstige Barbarijse vijg aan (Opuntia ficus-indica; ook wel vijgcactus genoemd, in Israël ‘sabra’ geheten). Naar het oosten gaat de vegetatie over in die van het steppegebied van de irano-toeranische regio; hier groeit het steppedoornstruweel van Zizyphus lotus, Z. spina-Christi en Acacia arabica. De oever van de Jordaan is vrijwel geheel verstoken van plantengroei. De kalkhalfwoestijn van Judea is in de zomer kaal en dor, in de winter echter groen, terwijl ze in het voorjaar één grote wilde bloementuin lijkt.

1.4 Dierenwereld

In historische tijd is de soortenrijkdom sterk verminderd, mede doordat de bossen door velerlei oorzaken (o.m. erosie als gevolg van onoordeelkundig rooien) vrijwel geheel zijn verdwenen en pas in recente tijd opnieuw worden aangeplant. De panter komt nog in zeer kleine aantallen voor, evenals de Syrische bruine beer. Van de andere recente soorten zijn te noemen de gestreepte hyena, de gewone jakhals, de gewone ichneumon of faraorat, een egel, een klipdas (in de Statenbijbel als konijntje aangeduid) en een blinde muis (Spalax microphthalmus). Tot de ca. 400 soorten tellende vogelwereld behoren o.m. de raaf, de kerkuil, de vale gier, de witte kwikstaart, een mus (Passer biblicus), patrijzen en kwartels, de kokmeeuw en de gewone pelikaan. Onder de ongewervelde dieren zijn vooral de insecten en woestijnslakken opvallend.

In de Negev-woestijn is het Hai-Barreservaat voor de bijbelse fauna (die men reeds eerder in de diergaarde van Tel Aviv had doen herleven) ingericht, o.m. door import van onagers, Arabische oryxen (een antilopesoort die wel als eenhoorn werd aangeduid) en struisvogels. In dit reservaat leven nog karakals, jakhalzen en wolven.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding

Israël telde in 2003 (incl. de geannexeerde Golanhoogvlakte) 6,4 miljoen inwoners, van wie 77,2% joden en 17,5% Palestijnen (1,2 miljoen). Oost-Jeruzalem telde 177 000 Israëlische inwoners (schatting 2003). De Westelijke Jordaanoever telde 2 163 667 inwoners (schatting juli 2002), van wie 187 000 joodse kolonisten. In Gaza woonden toot 2006 bijna 7000 joodse kolonisten op een bevolking van ruim 1,2 miljoen Palestijnen. De Israëlische bevolking is zeer ongelijk over het land verspreid: in het district Noord, ten noorden van Haifa, en in het district Zuid, ten zuiden van Jeruzalem, – tezamen 85% van de totale oppervlakte van het land – woont slechts ca. 27% van de totale bevolking. Israël is een van de meest geürbaniseerde staten ter wereld: ruim 92% van de bevolking woont in de steden. De Palestijnen wonen voor het merendeel op het platteland en in de steden van de door Israël bezette gebieden. Het aantal bewoners van de collectieve kibboets, in 1948 aanzienlijk groter dan dat van de coöperatieve mosjaviem, is sedertdien verschoven ten gunste van de mosjaviem.

De groei van de joodse bevolking in Israël is uitzonderlijk groot geweest. In de periode van 1948 tot 1980 was sprake van een toeneming van ruim 300%. Tot het begin van de jaren zeventig was dit in hoofdzaak een gevolg van de enorme immigratie. Nadien is de immigratie sterk verminderd (in 1987 overtrof het aantal emigranten dat van de immigranten). In 2002 bedroeg de netto migratie ruim 2‰. Vanaf het begin van de jaren negentig immigreerden grote getalen joden uit de Sovjet-Unie. De samenstelling van de joodse bevolking is zeer bont. Naar de herkomst zijn grosso modo acht groepen te onderscheiden: a. Een nogal heterogene categorie van joodse bewoners van Palestina van vóór de moderne immigratie (aliya). In 1882, het jaar waarin men de moderne joodse emigratie naar Palestina gewoonlijk laat beginnen, woonden er ca. 24 000 joden in Erets Jisraël. b. De ca. 150 000 joden die in vier golven tussen 1882 en 1931 het land als kolonisten binnenkwamen, zijn vooral uit Oost-Europese landen afkomstig. c. Een aantal van meer dan 300 000 joden uit Midden-Europa, m.n. Duitsland en de door Duitsland bezette gebieden, die in de jaren dertig en veertig hun geboorteland ontvluchtten. d. De joden die in de periode 1945–1948 het land legaal of illegaal binnenkwamen, overwegend joden die aan de nazi-vervolgingen waren ontkomen of ze (in concentratiekampen) hadden overleefd. e. De honderdduizenden joden van na 1948 die uit Irak, Jemen en Noord-Afrika het land binnenstroomden, in de jaren tachtig ook uit Iran en Ethiopië (de Falasha’s). f. De Sabra's, de in Israël geboren joden (inmiddels veruit de meerderheid van de bevolking). g. Oost-Europese immigranten van na 1957, vooral veel uit de Sovjet-Unie na 1989. h. Zionisten uit de Europese landen, Noord- en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Australië.

Het geboorteoverschot bedroeg in 2002 12,5‰ (geboortecijfer 18,9‰, sterftecijfer 6,2‰). Het geboortecijfer van de Palestijnse bevolking in Israël is groter dan dat van de joodse bevolkingsgroep, terwijl de sterftecijfers vrijwel gelijk zijn.

2.2 Taal

Er zijn twee officiële talen: het (modern) Hebreeuws en het Arabisch. Het modern Hebreeuws (ook wel Ivriet genoemd) wordt door vrijwel de gehele joodse bevolking gesproken. Een aantal groepen immigranten heeft daarnaast hun taal van herkomst behouden.

2.3 Religie

Van de bevolking is 77,2% joods, 15,2% moslim, 2,1% christen; 1,7% van de bevolking zijn druzen.

Het openbare leven in Israël wordt gedomineerd door de joodse godsdienst (zie jodendom). De sabbatsrust wordt verzekerd door de wetgeving, aangevuld door plaatselijke regelingen. De traditioneel orthodoxe opvatting van de thora met zijn ‘248 geboden en 365 verboden’ vormt een bron van moeilijkheden voor het openbare leven in de moderne tijd. Dat een orthodoxe minderheid van hooguit 30% van de joodse bevolking in zo sterke mate haar inzichten heeft kunnen doen prevaleren, heeft verschillende oorzaken.

Een groot aantal joden dat zelf weinig of niet godsdienstig is, vindt dat de joodse godsdienstige tradities in het openbare leven moeten worden gehandhaafd. Verder zou wijziging van de religieuze instituties consequenties met zich brengen voor de islamitische en christelijke bevolking. Voorts zijn de religieuze (politieke) partijen coalitiepartners in de regering, die overwegend slechts wensen hebben op het gebied van de godsdienst, het onderwijs en de cultuur. In de jaren negentig traden de tegenstellingen tussen orthodoxe joden en seculiere joden scherper naar buiten. In 1998 kwam het tot grote demonstraties van orthodoxe joden, die pleitten voor de vestiging van een religieus-joodse staat. Deze demonstraties riepen tegendemonstraties op van seculiere Israeli’s die betoogden voor een seculiere rechtsstaat.

Het Opperrabbinaat bestaat uit een Asjkenazische en een Sefardische opperrabbijn. De liberale joden genieten, althans in theorie, dezelfde faciliteiten als andere godsdienstige groepen bij de bouw van synagogen, maar hun rabbijnen worden nog altijd niet als zodanig erkend. Daarnaast bestaan er zeer kleine gemeenschappen Samaritanen en Karaïeten.

De Arabische bevolking belijdt overwegend de islamitische godsdienst. De Druzen hebben sedert 1957 eveneens de status van autonome religieuze gemeenschap (zie verder joden).

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting

Israël heeft geen geschreven constitutie, omdat de orthodoxe en vrijzinnige stromingen niet tot overeenstemming konden komen over principiële punten. In 1950 heeft de Knesset, het Israëlische parlement, besloten van tijd tot tijd zgn. fundamentele wetten aan te nemen, die tezamen de plaats van een grondwet moeten innemen.

De republiek Israël is een parlementaire democratie. Als haar staatshoofd fungeert een president. De uitvoerende macht berust bij de premier en de andere ministers, die samen de regering vormen; zij behoeven het vertrouwen van het parlement, de Knesset. De Knesset (120 leden) bezit wetgevende macht en wordt gekozen voor vier jaar, volgens een systeem van evenredig, direct en geheim kiesrecht, door alle staatsburgers die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Er is een kiesdrempel van 1%, waardoor de kleine, religieuze partijen onevenredig veel invloed hebben. De president, door de Knesset bij geheime stemming voor een periode van vijf jaar gekozen, benoemt de kabinetsformateur na consultatie van de vertegenwoordigers van de partijfracties in de Knesset. Sinds 1996 wordt de premier rechtstreeks gekozen. De leden van de rechterlijke macht worden door de president voor het leven benoemd op voordracht van een commissie waarin het Hoge Gerechtshof, de regering, het parlement en de balie vertegenwoordigd zijn. Voor leden van de religieuze rechtbanken – ook zij zijn staatsambtenaren – geldt een soortgelijke procedure. De ‘State Comptroller’ (ombudsman) wordt eveneens door de president benoemd, en wel op voordracht van een commissie van de Knesset; hij heeft een ambtsperiode van vijf jaar. Hij is verantwoordelijk tegenover de Knesset en niet tegenover de regering.

3.2 Bestuurlijke indeling

Het land is ingedeeld in zes districten (mehozot), die ieder weer in onderdistricten zijn opgedeeld. De gemeenteraden worden voor vier jaar gekozen. De bezette gebieden staan onder militair bestuur, dat door burgerbeambten wordt geadviseerd.

3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties

Israël is lid van de Verenigde Naties en van de meeste suborganisaties van de VN.

3.4 Politieke partijen en vakbonden

Tot de belangrijkste politieke groeperingen behoort het Likud-blok, waarin de Heroet-partij (Cheroet, opgericht in 1948; conservatief) en kleinere liberale en nationalistische partijen (zoals de Tsomet- en de Gescher-partij) samenwerken. Het Likud-blok is o.m. voorstander van een grotere overheidsinvloed in de ‘bevrijde’ (bezette) gebieden en een liberale markteconomie. Zij is tegen een soevereine Palestijnse staat, alsook tegen de ontruiming van de Golanhoogte en de Westelijke Jordaanoever. Likudleider en premier Ariel Sharon verliet in 2005 Likud om een eigen partij op te richten, Kadima (‘Voorwaarts’). Politiek nauw verbonden met de Likud zijn de Nationale Religieuze Partij (1956; voorstander van o.a. terugkeer naar de oude historische grenzen en van religieus geïnspireerd onderwijs) en de beide eveneens religieuze partijen Agoedat Israël (1921) en Poalei Agoedat Israël (1924). Sefardische dissidenten uit de Agoedat richtten in 1987 de Shaspartij op, die evenals de fundamentalistische Degel Hathorah, geen territoriale ambities koestert maar vooral religieuze programmapunten benadrukt. Ter rechterzijde bevindt zich voorts de ultra-nationalistische Moledet-partij, die annexatie van de bezette gebieden bepleit. De buiten de wet gestelde Kach-partij is nog extremer en voorstander van ‘transfer’ van de Palestijnse bevolking.

Tweede grote partij is de sociaal-democratische Ma’arach (de Israëlische Arbeiderspartij). Kern hiervan is de Mapai (1930) die in 1968 fuseerde met de Ahdut Haavoda-Poalei Zion (1944; Arbeiderszionisten) en de Rafi (1965). Laatstgenoemde partij ging in 1969 samen met de linkse MAPAM. Uit het samengaan van al deze partijen ontstond in 1968 de Ma’arach, die in de verkiezingen ook uitkomt met een zgn. Arabische lijst. MAPAM trad later weer uit de Arbeiderspartij en sloot zich met de Burgerrechtenbeweging Rats en de Sjinoei aan tot het Meretsblok. Andere kleine partijen ter linkerzijde zijn: de communistische Rekah-partij en de joods-Arabische Progressieve Lijst voor de Vrede. Exclusief Arabisch is de Arabische Democratische Partij. Nieuwe partijen zijn de Israel Ba’Aliya van N. Sjaransky, die de Sovjetemigranten representeert, en de Haderech ha-Shlishit (Derde Weg), een afsplitsing van de Arbeiderspartij, die tegen de teruggave van de Golanhoogte is. Van politiek gewicht waren voorts vanaf het einde van de jaren zeventig de Vrede Nu-beweging (Sjalom Achsjav) en de ultranationalistische Goesh Emoniem-beweging (het Blok der Getrouwen). Eerstgenoemde keerde zich krachtig tegen het overheidsbeleid in de bezette gebieden en wilde een soepele houding betonen tegenover de Arabische buren en de Palestijnse bevrijdingsbewegingen. Laatstgenoemde beweging stond het vestigen van nieuwe joodse nederzettingen in bezet gebied voor.

Na de verkiezingen van 28 maart 2006 waren de in totaal 120 zetels in het parlement (Knesset) als volgt verdeeld: Kadima 29, Arbeidspartij 19, Shas 12, Likud 12, Yisrael Beiteinu 11, Nationale Unie 9, Gil 7, Verenigd Thora-Jodendom 6, Merets 5, Verenigde Arabische Lijst 4, Hadash 3, Balad 3.

Een merkwaardige positie bekleedt de in 1920 opgerichte vakbond Histadroet die met ruim 1,65 miljoen leden (ca. 85% van de beroepsbevolking) en ca. 40 aangesloten vakverenigingen zowel de grootste vakbond is als een van de grootste werkgevers. In deze laatste hoedanigheid beheert de Histadroet via de overkoepelende organisatie Hevrat Ovdim (Algemene Coöperatieve Bond) een groot aantal ondernemingen op het gebied van de landbouw, industrie, handel, vervoer en bankwezen. In enkele ondernemingen nemen Histadroet en overheid samen deel.

4. Economie
4.1 Algemeen

De periode van 1950 tot 1973 werd gekenmerkt door een snelle expansie van de economie: jaarlijks nam het bruto nationaal product (bnp) met ca. 9% toe. Deze ontwikkeling was slechts mogelijk door grote kapitaalimport in de vorm van buitenlandse hulp en leningen, grote giften van joden buiten Israël, betalingen en leveranties in het kader van de Duitse herstelbetalingen en een verhoogde productiviteit. Na 1973 is de economische situatie echter in snel tempo verslechterd: in 1977 bedroeg de economische groei nog slechts 0,5%. Omstreeks 1982 was de economische groei vrijwel tot stilstand gekomen, daarna trad er een geleidelijk herstel in tot een groei van 5,2% in 1987, waarna de groei zakte tot nog maar 1% in 1989. Tot de belangrijkste economische problemen behoorden de hoge inflatie (58% in 1974, 440% in 1984, door een zeer strak bezuinigingsbeleid werd de inflatie daarna drastisch teruggedrongen tot 16% in 1987, in 1989 weer opgelopen tot bijna 21% over de periode 1985 tot 1994 gemiddeld 18%, over 1995–1996 8,3%, in 2002 5,7%), het chronische en grote tekort op de betalingsbalans (in 1995 ruim $ 11 miljard, in 2002 gedaald tot $ 3 miljard), de hoge defensielasten, de sterk gestegen schuld aan het buitenland (in 2001 opgelopen tot $ 42,8 miljard) en de werkloosheid (in 1995 6,4%, in 2002 10%, onder de Palestijnse Israëli’s oplopend tot 20%). Had men aanvankelijk bewust ernaar gestreefd inkomensverschillen zoveel mogelijk te beperken, vanaf ca. 1955 valt in de overheids- en andere publieke sectoren een toenemende ongelijkheid van inkomens te constateren. Dit leidde in de jaren zeventig, tezamen met de sterk gestegen kosten van levensonderhoud tot groeiende sociale onrust, wat o.a. tot uiting kwam in een groot aantal stakingen. In het begin van de jaren tachtig kreeg Israël te maken met een hollende inflatie en een snel stijgende werkloosheid. De in 1980 ingevoerde nieuwe munt (de sjekel) verminderde zo snel in waarde dat zij in 1986 moest worden vervangen door een nieuwe sjekel, die duizendmaal de waarde van de oude had. Krachtige bezuinigingen op overheidsuitgaven (defensie, beperking subsidies op voedsel, transport en energie, privatisering), ingrijpende devaluaties, belastingverhogingen en omvangrijke financiële bijstand van de Verenigde Staten zorgden sinds 1985 voor een snel economisch herstel. In 1988 en 1989 kwamen er echter nieuwe economische tegenslagen ten gevolge van de Intifadahh (verhoging defensielasten, verlies van afzet, tekort aan Palestijnse arbeid, teruggang van toerisme). Sinds het begin van de jaren negentig gaat de ontwikkeling weer opwaarts. De werkloosheid daalde van 11% in 1992 tot 6,5% in 1996, terwijl het bbp jaarlijks met 6 a 7% steeg, vooral dankzij de bouwsector. Deze gunstige economische cijfers zetten zich voort tot het uitbreken van de tweede Intifadah in september 2000. Daarna tekende de contouren zich af van een zware economische crisis. De hoge defensielasten, en de terugvallende inkomsten uit de toeristenindustrie drukten zwaar op de Israëlische begroting. Daarbij kreeg Israël, als high tech economie te maken met de internationale ineenstorting van de informatie-economie. De economische groei werd gestuit en in 2002 kromp de economie met een procent. De import nam af met bijna 18% en de export met ruim 14%; de investeringen zakten ruim 21%. De economische crisis bracht een aantal problemen aan het licht. Ten eerste de gapende kloof tussen rijk en arm, waarbij een kwart van de Israëlische kinderen benden de armoedegrens van 20 dollar per dag leeft. Ten tweede de financiële steun aan de nederzettingen die ten koste gaat aan de ontwikkelingssteden in Israël. Het saneren van de Israëlische economie betekende een scherpe aanval op de welvaartsstaat.

De samenstelling van het bnp was in 1994 als volgt (tussen haakjes de verdeling van de beroepsbevolking): landbouw 4% (3%), industrie, mijnbouw en bouwnijverheid 30% (28%), overheid, dienstverlening en transport 67% (69%). Bijna 40% van de beroepsbevolking wordt gevormd door vrouwen. In handel, ambacht en kleinbedrijf domineert het particulier eigendom.

4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij

De mosjaviem en de kibboetziem zijn de belangrijkste bedrijfsvorm in de landbouw. Veel van deze coöperatieve ondernemingen verkeerden echter in financiële moeilijkheden. Gezien de geringe jaarlijkse regenval is irrigatie van essentieel belang. Citrusvruchten zijn de voornaamste landbouwproducten. Van belang zijn ook tuinbouwgewassen als groenten en bloemen en voorts katoen, dadels, olijven, amandelen, druiven, avocado's (sterke productiestijging) en bananen. Graan wordt vooral verbouwd in de valleien van Jizreël en Harod.

De veehouderij omvat vooral schapen, geiten, rundvee en pluimvee (m.n. kippen). Bosbouw is, gezien de grote hydrologische waarde van de bossen, van uitzonderlijke betekenis. Ruim 600 km2 wordt door bos ingenomen. De visserij wordt in de Middellandse Zee en op de Atlantische Oceaan beoefend. Zoetwatervissen levert het Meer van Kinneret en de viskweekvijvers (karpers) in het vroegere Choelemeergebied.

4.3 Mijnbouw en energievoorziening

De Dode Zee bevat miljarden tonnen aan diverse zouten. In het moderne Sodom winnen de Dead Sea Works daaruit kaliumcarbonaat en broom, met behulp van aardgas dat gewonnen wordt bij Arad. Het kaliumcarbonaat wordt verwerkt in Sodom en Oron. Israël is de grootste exporteur van broom ter wereld. Verder is m.n. de Negev rijk aan mineralen (koper, fosfaat, marmer, gips en glaszand). De exploitatie van delfstoffen is overwegend in handen van de staat. Verreweg de belangrijkste energiebron is aardolie, die vrijwel volledig moet worden ingevoerd. Na de teruggave van de velden van Aboe Rodeis in 1975 en de Almavelden in 1979 aan Egypte hebben de Verenigde Staten de Israëlische aardolievoorziening gegarandeerd. Asjdod en Haifa (cap. 6 miljoen ton per jaar) beschikken over raffinaderijen. Er zijn kleine olievelden aangetroffen bij Asjdod en sinds 1988 worden de mogelijkheden van off-shore-winning onderzocht. Bij de Dode Zee wordt aardgas gewonnen. In 1979 is een op steenkool werkende centrale in Hadera in gebruik genomen. Veel waarde wordt gehecht aan de ontwikkeling van kernenergie. In 1976 werd met de Verenigde Staten een overeenkomst gesloten voor de bouw van twee kerncentrales (elk met een capaciteit van 900 MW; één bij Tel Aviv en de ander in de Negev), waarvan de eerste in 1986 in gebruik is genomen. Een kleine waterkrachtcentrale staat aan de Jarmoek, een zijrivier van de Jordaan. Veel huizen zijn uitgerust met voorzieningen die het mogelijk maken te profiteren van zonne-energie. Israël schenkt veel aandacht aan de ontwikkeling van alternatieve en schone energiebronnen.

4.4 Industrie

Schaarste aan grondstoffen en energie en de geringe binnenlandse markt vormen belangrijke belemmeringen voor de verdere industriële ontwikkeling. De snelst groeiende industriële sectoren zijn de kapitaalintensieve elektronische, chemische en metaalindustrie (waaronder de vliegtuigbouw en de wapenindustrie). Voedingsmiddelen en textielindustrie namen in betekenis af en namen in 1995 nog slechts 12% van de totale industriële productie voor hun rekening. Van belang zijn voorts de diamant-, de cement-, de houtverwerkende en de aardewerkindustrie. Belangrijke industriecentra zijn Tel Aviv, Haifa, Jeruzalem, Ramle, Asjkelon, Asjdod, Hadera en Petach Tikwa. De waarde van de industriële export, $ 18 miljoen in 1950, bedroeg in 1994 $ 15,9 miljard (ca. 91% van de totale exportwaarde), waarvan $ 4 miljard uit de diamantexport. De bouwnijverheid heeft in de afgelopen decennia grootse prestaties geleverd om de woningbouw gelijke tred te doen houden met de sterk toegenomen bevolking.

4.5 Handel

Het aandeel van industrieproducten (mineralen, wapens, elektronica, textiel en voedingsmiddelen) in de totale exportwaarde steeg van 18% in 1949 tot ca. 90% in 1994. Geslepen diamanten vertegenwoordigden in 1994 25,9% van de exportwaarde, machines, metaalwaren en elektronica 33,9%. Het aandeel van landbouwproducten daalde in dezelfde periode van 64% tot 9%, waarbij m.n. citrusvruchten sterk terugliepen. Belangrijke invoerproducten zijn aardolie, machines, ruwe diamanten, wapens, graan, spijsolie en vetten. In 1975 werd met de EG een handelsverdrag gesloten waarin werd bepaald dat vanaf 1980 geen wederzijdse invoerbeperkende maatregelen met betrekking tot elkaars industrieproducten meer golden. In 1986 werd een vrijhandelsovereenkomst met de Verenigde Staten gesloten en in 1988 volgden nieuwe overeenkomsten met de EU. In 1994 ging 30% van de export naar de EU, 31,1% naar de Verenigde Staten, 5,8% naar Japan en 15% naar de ontwikkelingslanden. Van de Israëlische invoer kwam in hetzelfde jaar 49% uit de EG en 18% uit de Verenigde Staten. De handelsbalans vertoont een chronisch tekort.

4.6 Ontwikkelingssamenwerking

Nog afgezien van de Duitse herstelbetalingen (ca. driekwart van de overeengekomen DM 4 miljard is inmiddels overgemaakt) en de giften van joden buiten Israël heeft de joodse staat vanaf zijn stichting veel buitenlandse financiële steun genoten, m.n. van de Verenigde Staten (jaarlijks ca. $ 3 miljard, waarvan bijna de helft voor civiele doeleinden is bestemd). Daarnaast ontving Israël leningen van internationale financiële organisaties. De hulpverlening van Israël zelf bestaat vnl. uit technische hulp, m.n. op agrarisch gebied. Het accent ligt daarbij op de Afrikaanse landen. In de jaren zeventig was echter om politieke redenen een verminderde belangstelling vanuit deze landen voor Israëlische knowhow te constateren.

4.7 Bankwezen

De president van de centrale bank, de ‘Bank of Israel’ (opgericht in 1954), wordt op voordracht van het kabinet benoemd door de president van het land voor een periode van vijf jaar. Naast de centrale bank zijn er nog een dertigtal handelsbanken, waarvan Le’Umi Le’Israel, de Israel Discount Bank en Hapoalim de grootste zijn, kredietbanken en ca. 40 andere financiële instellingen.

4.8 Verkeer

De verkeerswegen die Eilat met Haifa verbinden, vormen een behoorlijke wegverbinding tussen de Rode Zee en de Middellandse Zee. Het wegennet omvat ruim 12 980 km. Er bestaat een aantal spoorlijnen (totale lengte 1275 km), maar de dichtheid is gering. Van belang voor de ontsluiting van de Negev is de spoorlijn zuidwaarts vanuit Beersjeba naar Eilat. Aangezien de spoorwegen echter zeer gevoelig zijn voor aanslagen, worden maar weinig goederen en personen per trein vervoerd. Het openbaar personenvervoer vindt vnl. plaats door middel van bussen. De exploitatie geschiedt uitsluitend door coöperaties, waarvan de chauffeurs aandeelhouders zijn. Veel gebruik wordt gemaakt van de sjeroet-taxi's, collectieve taxi's, waarin men slechts voor de eigen zitplaats betaalt. Opvallend kenmerk in de infrastructuur van de Bezette Gebieden is het netwerk van Israëlische wegen. Deze zijn niet toegankelijk voor Palestijnse bewoners en vormen een soort corridors tussen de verschillende joodse nederzettingen en het Israëlische grondgebied.

De Israëlische handelsvloot telde in 1993 59 schepen.

De grootste scheepvaartmaatschappij is de Zim; andere zijn de El-Jam en de Maritime Fruit Carriers. Ze zijn tot stand gekomen met steun van de regering en de Histadroet. Lange tijd beschikte Israël slechts over één moderne zeehaven, nl. Haifa (in 1989 60% van alle overslag). De verouderde haven van Jaffa-Tel Aviv is gesloten; in Asjdod, 30 km ten zuiden van Tel Aviv, is in 1965 een tweede Middellandse-Zeehaven gebouwd. In datzelfde jaar kwam ook de nieuwe zeehaven van Eilat tot stand. De internationale luchthaven is Ben Goerion in Lydda (Lod) bij Tel Aviv. De Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al onderhoudt vandaar luchtverbindingen met vier continenten. Ook buitenlandse luchtvaartmaatschappijen vliegen regelmatig op Ben Goerion. De overige (zeven) Israëlische vliegvelden hebben alleen betekenis voor het binnenlandse verkeer, verzorgd door de luchtvaartmaatschappij Arkia.

4.9 Economie in de Bezette Gebieden

De Palestijnse economie in de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook is sterk afhankelijk van Israël. In de jaren negentig was ruim 80% van de import afkomstig uit Israël en exporteerde de Palestijnse economie eveneens ruim 80% van de totale export naar Israël. Palestijnse arbeiders in Israël dragen voor ruim een kwart bij aan het bruto nationaal product doordat zij een deel van hun loon overmaken naar familieleden in de Palestijnse gebieden.

Kenmerk van de Palestijnse economie is de kleinschalige landbouw en productie (olijven, citrusvruchten). De economie is sterk afhankelijk van import. De Palestijnse economie is vooral kwetsbaar door de veiligheidspolitiek van Israël. Het sluiten van de grenzen door Israël belemmert een vrij personen- en goederenverkeer, dat desastreuze gevolgen voor de Palestijnse economie heeft. Ook heeft de Palestijnse economie te kampen met de barrières die Israël oplegt aan buitenlandse investeringen.

In veel opzichten vertoont de Palestijnse economie kenmerken van een ontwikkelingsland: slecht functionerende overheidsdiensten, weinig ontwikkelde infrastructuur, onduidelijke belastingwetgeving en gebrek aan een goed functionerend banksysteem. Aan de andere kant is de Palestijnse bevolking hoog opgeleid en zijn er veel geschoolde arbeidskrachten.

De tweede Intifadah die in september 2000 uitbrak had een desastreuze uitwerking op de Palestijnse economie. De vernietiging van de infrastructuur van de Palestijnse Nationale Autoriteit betekende een economie zonder staat. Ruim 700 000 Palestijnen stonden onder huisarrest in de Westelijke Jordaanoever. Internationale hulporganisaties stelden dat de onbereikbaarheid van Palestijnse steden en dorpen de voedselvoorziening en de medische zorg (bevallingen) dramatisch verslechterden. Volgens een rapport van USAID was 30% van de Palestijnse bevolking afhankelijk van voedseldistributie en raakten vooral kinderen chronisch ondervoed. Deze feiten kwamen bovenop alarmerende cijfers van maart 2002 van de Wereldbank over de Palestijnse economie. De Wereldbank becijferde dat de werkloosheid opliep tot 26%. Andere instanties,zoals Oxfam beraamde een werkloosheidscijfer van 60%. Het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens van 2 dollar per persoon leefde, bedroeg tussen de 45 en 50%. De Wereldbank waarschuwde voor een volledige ineenstorting van de Palestijnse economie als de afsluiting nog langer zou voortduren.

5. Toeristische gegevens

Israël is een internationaal pelgrimsoord en toeristenland. Het bezit heilige plaatsen voor verschillende godsdiensten, historische plaatsen, talrijke archeologische vindplaatsen, natuurschoon en badplaatsen. De belangrijkste bezienswaardigheden zijn te vinden in of bij: Jeruzalem, Akko, Bet Sjean, Bet Sjeariem, Caesarea (Palestinae), de Dode Zee, Haifa, Lod, de berg Masada bij Arad, Megiddo, Nazareth, de Negev, Ramla, Tel Aviv-Jaffa, Tiberias en het Jam Kinneret. Aan dit meer liggen interessante ruïnes: ten zuiden van Tiberias: Hammath (mozaïekvloer van 2de-eeuwse synagoge); ten noordoosten van Ginnosar: in Tabga, aan de voet van de Berg der Zaligsprekingen, overblijfselen van de Kerk van de Vermenigvuldiging (5de-eeuwse Byzantijnse mozaïekvloer); verder naar het noordoosten de deels gerestaureerde resten van de befaamde synagoge van Kapernaüm of Kafarnaüm (2de eeuw); en aan de zuidpunt de Kanaänitische en Romeinse ruïnes te Deganja (de oudste, in 1909 gestichte kibboets).

In Noord-Israël zijn verder bezienswaardig: de goed bewaard gebleven resten van de synagoge in Kefar Bar’am (2de–3de eeuw), de mozaïekvloer van de 6de-eeuwse synagoge in Bet Alfa met meer naar het oosten Bet Sean met prachtige mozaïeken en resten van in de jaren tachtig opgegraven Romeinse en Byzantijnse bouwresten, de kruisvaarderskastelen te Belvoir bij Gesher (gerestaureerd) en bij Naharija; de opgravingen vanaf het 2de millennium v.C. tot de Makkabeeïsche tijd in Tell Gezer bij Gezer (o.a. watertunnels uit ca. 1500 v.C.); voorts uit de bijbel bekende plaatsen zoals de berg Tabor (ten oosten van Nazareth) die een schitterend uitzicht biedt op de Vlakte van Jizreël; het kunstenaarsdorp met galeries En Hod op de berg Karmel, de kunstenaarswijk en de oude synagoges (ca. 16de eeuw) in Zefat; het museum voor moderne kunst in Netanja; de witte rotsen bij Rosj Hanikra met hun vele grotten vlak bij zee.

In Midden- en Zuid-Israël zijn voorts van toeristische betekenis: het natuurreservaat bij En Gedi; de woestijn Negev met centrum Beersjeba (bedoeïenenmarkt) en in de omgeving de opgegraven Byzantijnse-Nabateeïsche steden Avdat, Sjivta en Madaba (alle ca. 6de eeuw). Interessant is de badplaats Eilat met koraaleilanden en het zeeobservatorium voor de kust, met een museum voor moderne kunst en een zeemuseum, en een spectaculair omliggend woestijnlandschap met het dierenreservaat Hai Bar. In Zuidwest-Israël vindt men in de badplaats Asjkelon een park met oudheidkundige vondsten en o.a. een beschilderde Romeinse grafkelder, bij de kibboets Nirim resten van een 5de–6de-eeuwse synagoge (mozaïekvloer), bij de badplaats Herzlija een kruisvaarderskasteel, en in de kibboets Jad Mordechay een museum gewijd aan de uitroeiing van de joden in de Tweede Wereldoorlog.

Vanuit Israël worden ook veelal de in de Palestijnse gebieden gelegen steden Betlehem en Jericho bezocht en voorts Chirbet Qumran bij Bet Ha’Arava waar de Dode-Zeerollen zijn gevonden en opgravingen zijn verricht in wat misschien een vroeger woongebied van de Essenen is geweest.

6. Geschiedenis
6.1 Ontstaan

Op 15 mei 1948 riep David Ben Goerion in Palestina de staat Israël uit, waarmee een einde kwam aan het 26 jaar oude Britse mandaat over Palestina. Door de activiteiten van het zionisme was de oorspronkelijke joodse gemeenschap sterk gegroeid. Deze groei van de Jisjoev, zoals de joodse gemeenschap in Palestina voor 1948 heet, vertaalde zich in het aankopen van grond en het verdringen van Palestijnse boeren. Dit conflict om grond is de kern van het Palestijns-Israëlisch conflict, dat zich in vele ideologische gedaanten presenteerde (zie ook joden). Als oplossing van het aldus ontstane conflict stelde een Britse onderzoekscommissie in 1937 voor het land te verdelen in een joodse en een Arabische staat en een internationaal district. Alhoewel de Britse regering het plan verwierp, bleven de joden aandringen op de oprichting van een joodse staat, vooral onder de invloed van de catastrofe die hen in de Tweede Wereldoorlog trof (zie holocaust). Toen de naoorlogse regering van Groot-Brittannië de joodse eisen tot immigratie weigerde in te willigen, ontstond er een opstand, die haar ten slotte dwong het probleem aan de Verenigde Naties voor te leggen. Een commissie namens de Verenigde Naties beval opnieuw een deling van Palestina aan en dit plan werd op 29 november 1947 door de Assemblée aangenomen. Onmiddellijk ontstond er een burgeroorlog tussen Arabieren en joden, waarbij de laatsten na aanvankelijke tegenslagen en grote verliezen, de overhand begonnen te krijgen. Onder de indruk van het bloedige conflict en de tegenwerking van Groot-Brittannië wilden de Verenigde Naties het delingsbesluit ongedaan maken, maar het inmiddels gevormde Voorlopige Bestuur van de joodse gemeenschap, die 600 000 zielen telde, riep op 14 mei 1948 de joodse staat Israël uit.

6.2 Israëlisch-Arabische Oorlog

De laatste Britse troepen verlieten op 15 mei het land en op dezelfde dag vielen zeven Arabische staten Israël aan. Het Israëlische leger, geformeerd uit de reeds bestaande verzetsorganisaties, waarvan de Hagana de belangrijkste was, wist vrijwel alle door joden bewoonde gebieden en een groot deel van de gemengde steden te behouden of te veroveren. Met een onderbreking van een maand duurden de gevechten voort tot begin 1949, toen er onder bemiddeling van de VN wapenstilstandsverdragen werden gesloten op het eiland Rhodos, met Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië. Israël had inmiddels een groter gebied veroverd dan het bij de oorspronkelijke verdeling was toegewezen. Driekwart miljoen Palestijnen waren uit het voormalige Palestina gevlucht of door Israëlische troepen de grens overgezet. Zij waren gedwongen zich te vestigen in vluchtelingenkampen in Jordanië (inclusief voor 1967 de Westelijke Jordaanoever), Libanon en de door Egypte ingelijfde Gazastrook. De jonge Israëlische staat werd geconfronteerd met een Arabische economische boycot en het sluiten van waterwegen voor Israëlische schepen.

6.3 Ben-Goerion

Israëls eerste minister-president en jarenlang de dominerende figuur was David Ben-Goerion (1948–1953; 1955–1963). Hij was de leider van de grootste partij, de socialistische Mapai, die bij verscheidene verkiezingen voor het parlement 40 tot 47 zetels (van de 120) behaalde. Verder waren er nog 10 tot 13 middelgrote en kleine partijen: uiterst linkse, liberale, nationalistische en religieuze. Ondanks de grote verscheidenheid van partijen was er een politieke stabiliteit, daar er bij de verkiezingen weinig verschuivingen optraden. Er werden pogingen gedaan tot het vormen van grotere groeperingen, welke pogingen resulteerden in een socialistisch blok en een liberaal-nationalistisch blok. Mettertijd werden ook enkele Arabieren in het parlement opgenomen; sommigen ter vertegenwoordiging van specifiek Arabische partijen.

De religieuze partijen kregen veel invloed. In ruil voor hun regeringsdeelname werd een religieuze institutionalisering van het openbare leven bewerkstelligd. In deze eerste fase van de nieuwe staat was de immigratie van honderdduizenden joden een belangrijk fenomeen. De door de Palestijnen achtergelaten woningen en boerderijen kregen nieuwe bewoners. Onder Ben-Goerion begon de staatsvorming. Industrialisatie en mechanisatie van de landbouw zorgden voor een welvaartsstaat naar westers voorbeeld.

6.4 Suezcrisis

Het belangrijkste probleem dat Israël bleef bezighouden, was de verhouding tot de Arabische staten. Vooral na de revolutie in Egypte (1952) begon de situatie dreigend te worden, omdat de Egyptische president Nasser ernaar streefde de nederlaag van 1948 ongedaan te maken. In 1955 nam de spanning toe, doordat Egypte wapens geleverd kreeg uit communistische landen. Het toenemen van Palestijnse infiltraties in Israël, de militaire verbonden tussen Egypte en Arabische landen, het sluiten van het Suezkanaal en de Straat van Tiran (toegang tot de Golf van Akaba) voor Israëlische schepen, waartegen Israël al jarenlang geprotesteerd had, waren de oorzaak van grote bezorgdheid. Toen Nasser het Suezkanaal nationaliseerde en in conflict raakte met de Westerse mogendheden, besloot Israël tot de aanval over te gaan (zie ook Suezcrisis). In zes dagen veroverde het leger onder bevel van Mosje Dajan het schiereiland Sinaï (29 oktober 1956). Onder druk van de Verenigde Naties, waarin de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie samenwerkten en met sancties dreigden, trok Israël in maart 1957 zijn troepen terug, waarbij het echter bedong dat de Straat van Tiran voor de scheepvaart vanuit Eilat open zou blijven en dat daar en in de Gazastrook troepen van de Verenigde Naties gelegerd zouden worden om de status quo te handhaven (zie ook Midden-Oosten 3. Periode 1949–1967).

In 1960 raakte premier Ben-Goerion in conflict met een groot aantal partijgenoten, hetgeen in 1963 leidde tot zijn aftreden. Hij werd opgevolgd door de minister van Financiën Levi Esjkol (1963–1969).

6.5 Zesdaagse Oorlog

In mei 1967 werd de situatie voor Israël kritiek. De troepen van Egypte, Syrië, Jordanië, Irak en Koeweit werden in paraatheid gebracht en Nasser eiste en verkreeg de aftocht van de troepen van de Verenigde Naties. Hij verklaarde tevens geen schepen meer door te zullen laten. De Jordaanse koning, Hoessein, sloot vervolgens een verbond met Nasser. Pogingen op internationaal niveau een oplossing van de crisis te bereiken, mislukten. Het inmiddels gevormde nationale kabinet (waarin Mosje Dajan minister van Defensie was geworden) besloot daarop de aanval op Egypte en Syrië te openen (5 juni 1967). Hierop verklaarden de Arabische staten zich solidair met Egypte en Jordanië. Het Israëlische leger onder opperbevelhebber Jitschak Rabin bleek verreweg superieur; in zes dagen werden de Sinaï, het gehele gebied ten westen van de Jordaan met inbegrip van het gedeelte van Jeruzalem dat nog in Arabische handen was, en de Hoogvlakte van Golan veroverd.

Op 10 juni 1967 werd door bemiddeling van de Veiligheidsraad (zie Verenigde Naties) het vuren gestaakt, waarmee een eind kwam aan de Zesdaagse Oorlog (ook wel Juni-oorlog).

6.6 Resolutie Veiligheidsraad

Op 22 november 1967 nam de Veiligheidsraad een resolutie aan (nr. 242) die uitging van terugtrekking door Israël uit de door dit land bezette gebieden en van de soevereiniteit en territoriale onschendbaarheid van elke staat in het Midden-Oosten. Verscheidene vredespogingen liepen stuk. Israël weigerde zich uit de Bezette Gebieden terug te trekken en installeerde een militair bestuur. De Arabische staten weigerden Israël te erkennen. Na 1967 kreeg Israël in toenemende mate te maken met gewelddadige invallen van verschillende Palestijnse bevrijdingsorganisaties vanuit Jordanië en na 1970 vanuit Libanon. Israël reageerde met keiharde vergeldingsacties. In de Bezette Gebieden was het Palestijns verzet in militaire zin geen bedreiging. Hoewel zeker linkse Israëlische kringen terugtrekking uit de Bezette Gebieden voorstonden in ruil voor vrede, werden de Bezette Gebieden door kolonisatie en infrastructuur steeds meer vervlochten met de Israëlische maatschappij en economie.

6.7 Jom Kippoer-oorlog

Om de impasse inzake de bezette gebieden te doorbreken, gingen Syrië en Egypte op 6 oktober 1973 (de joodse feestdag Jom Kippoer) over tot een gecombineerde aanval op Israël. Na aanvankelijk Arabisch succes slaagde het Israëlische leger er in de Syrische troepen terug te drijven tot achter de bestandslijn van 1967 en een bruggenhoofd in Egypte te vormen op de westelijke oever van het Suezkanaal. Op 22 oktober nam de Veiligheidsraad een resolutie aan inzake een bestand, waarna het vuren werd gestaakt. Deze Oktoberoorlog of Jom Kippoer-oorlog had intussen binnen Israël zelf grote politieke beroering teweeggebracht: onmiddellijk na het staakt-het-vuren werd heftige kritiek geleverd op de regering. In maart 1974 vormde mevrouw Golda Meir, die in februari 1969 de overleden premier Esjkol was opgevolgd, een nieuwe coalitieregering; in april echter kondigde zij haar aftreden aan. Generaal Rabin werd premier van een nieuw coalitiekabinet, waarin Mosje Dajan en de minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban niet terugkeerden: zij werden vervangen door resp. Shimon Peres en Jigal Allon (vice-premier onder Meir). In de loop van 1974 werden met Egypte en Syrië troepenscheidingsakkoorden gesloten, waarbij Israël zich terugtrok uit de gebieden die het in de Oktoberoorlog had bezet. Na Amerikaanse bemiddeling werd ten aanzien van de Sinaï in september 1975 een nieuwe overeenkomst bereikt: Israël trok zijn troepen verder terug naar het oosten, waarbij het o.m. de olievelden bij Aboe Rodeis prijsgaf.

Intussen geraakte Israël, vooral door de hantering van het ‘oliewapen’ door de Arabische landen (zie aardolie §1.2 Strategische betekenis van aardolie), in toenemende mate geïsoleerd. Ook werd het betrokken in de Libanese burgeroorlog; Israël voerde vergeldings- en preventieve acties tegen de Palestijnen uit op Libanees grondgebied.

6.8 De jaren tachtig

In 1977 werden de parlementsverkiezingen niet, zoals gebruikelijk, gewonnen door de Arbeiderspartij maar door de conservatieve Likud-partij onder Menachem Begin. Deze vormde een coalitie met Jigal Jadin van de nieuw opgerichte Democratische Beweging. Belangrijke achtergrond van het verlies van de Arbeiderspartij was de nasleep van de Oktoberoorlog. Weliswaar had Israël zich uiteindelijk militair staande gehouden, maar de mythe van onoverwinnelijkheid was gebroken. De oorlog had bovendien een economische crisis tot gevolg, die leidde tot emigratie, een gevoelig issue in de Israëlische politiek. Voorts waren de verschillende regeringen van de Arbeiderspartij weinig consistent tegenover de kolonisatie-acties van het rechts-religieuze Goesj Emoniem (Blok der Getrouwen) in de Bezette Gebieden, die Palestijns verzet uitlokten. Bij gemeenteraadsverkiezingen in 1976 stemde de gepolitiseerde Palestijnse bevolking massaal op de PLO, terwijl de Israëlische Palestijnen zich in toenemende mate solidair verklaarden met de Palestijnen in de Bezette Gebieden. Eind 1977 was er een vredesinitiatief van president Sadat van Egypte, die in november naar Israël kwam voor een bezoek aan Begin. In 1978 kwam onder bemiddeling van de Amerikaanse president Carter te Camp David een ‘raamovereenkomst’ tot stand, die o.m. in een vredesverdrag tussen beide mogendheden en overdracht van de Sinaï door Israël aan Egypte voorzag (zie Camp David-akkoorden). Met dit laatste werd in 1979 een begin gemaakt. In maart van dat jaar kwam een vredesverdrag met Egypte tot stand. Dat de regering-Begin haar beleid inzake het stichten van joodse nederzettingen in de bezette gebieden voortzette, veroorzaakte binnenlandse tegenstellingen (Mosje Dajan, minister van Buitenlandse Zaken, trad zelfs af) en belemmerde een verdergaande toenadering tussen Israël en Egypte. Een crisis dreigde toen het parlement in augustus 1980 een wet aannam waarbij Jeruzalem tot de ene en ondeelbare hoofdstad werd verklaard. Op 7 juni 1981 voerde de Israëlische luchtmacht een aanval uit op een kerncentrale in Irak, waarvan men vermoedde dat zij gebruikt werd voor de ontwikkeling van atoombommen.

De verkiezingen van 30 juni 1981 werden gewonnen door het Likud-blok. Begin vormde zijn tweede kabinet met o.a. generaal Sharon op Defensie. Naast de intensivering van het nederzettingenbeleid in bezet gebied en de onverzoenlijke houding van de regering-Begin jegens de Arabische wereld leidde de annexatie van de Hoogvlakte van Golan (14 december 1981) tot scherpe internationale kritiek.

Door Amerikaanse bemiddeling was in juli 1981 een stilzwijgend bestand met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) in Libanon overeengekomen. Sinds 1978 hield Israël in Zuid-Libanon een ‘veiligheidszone’ bezet. Na een aanslag op de Israëlische ambassadeur in Londen trokken Israëlische troepen op 6 juni 1982 andermaal Libanon binnen. Deze operatie ‘Vrede voor Galilea’ mondde echter al snel uit in een grootscheepse invasie en de belegering van Beiroet, waar Israël de aftocht van de PLO-strijders afdwong (zie Midden-Oosten en Libanon). De Libanese oorlog ontmoette intern in Israël veel kritiek, vooral toen Israëls Libanese bondgenoten in de Palestijnse kampen Sabra en Shatila een massamoord aanrichtten (september 1982). Deze Libanese milities hadden vooraf toestemming gekregen van Israëlische troepen om de Palestijnse kampen binnen te trekken. Grote demonstraties leidden tot een onderzoek door de commissie-Kahan, dat resulteerde in het aftreden van minister Sharon. Inmiddels leed het Israëlische leger in Libanon steeds meer verliezen, o.a. door bomaanslagen, en zegde Libanon een akkoord met Israël (17 mei 1983) weer op in maart 1984.

De politieke polarisatie in Israël nam toe. Tegenover de Vrede Nu-beweging stonden joodse nationalistische groeperingen (Goesh Emoniem). Een joodse ondergrondse beweging pleegde terreurdaden tegen Palestijnse leiders in bezet gebied. Ondertussen was ook de economische toestand (inflatie en werkloosheid) zeer zorgwekkend.

In augustus 1983 trad premier Begin af en nam zijn minister van Buitenlandse Zaken Jitschak Sjamir de leiding van het kabinet over. Vervroegde verkiezingen in maart 1984 leverden een patstelling op voor het Likud-blok en de Arbeiderspartij, waarop zij een regering van ‘nationale eenheid’ vormden, waarin eerst de socialist Shimon Peres (1984–1986) en vervolgens Likud-leider Sjamir (1986–1988) premier zouden zijn. Deze regering besloot, afgezien van de veiligheidszone, tot een volledige terugtrekking uit Libanon (juni 1985). Met een diep ingrijpend saneringsbeleid wist dit kabinet de economische toestand te verbeteren.

In 1984 kwamen via een geheime luchtbrug 10 000 joden uit Ethiopië (Falasha's) naar Israël.

Op de groeiende onrust in de bezette gebieden reageerde Israël met harde strafmaatregelen, deportaties, verschijningsverboden en schoolsluitingen. Naast PLO-aanhangers manifesteerden zich ook steeds meer islamitische fundamentalisten (Hamas; zie ook fundamentalisme [islam]). Op 8 december 1987 brak in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever de Palestijnse opstand (Intifadah) uit. Ondanks harde maatregelen bleek het leger niet in staat hieraan het hoofd te bieden. Mede door de internationale publiciteit kwam er steeds meer druk op Israël, o.a. uit de Verenigde Staten, om vorderingen te maken in het vredesproces. De groeiende verdeeldheid hierover in Israël zelf kwam tot uiting bij de verkiezingen van 1 november 1988, waarbij zowel het Likud-blok als de Arbeiderspartij zetels verloor aan radicale partijen ter rechter- en linkerzijde. In de daarop door Sjamir gevormde nieuwe regering van ‘nationale eenheid’ (kernkabinet Sjamir, Peres, Arens en Rabin) bleven echter de oude meningsverschillen onverkort bestaan.

Hoewel enige malen ernstig op de proef gesteld (Libanon-oorlog, spionageschandalen), bleef de nauwe strategische, politieke en economische samenwerking met de Verenigde Staten bestaan. Met de Sovjet-Unie en de toenmalige andere communistische landen in Oost-Europa werden in de jaren tachtig geleidelijk de banden hersteld, wat tot uiting kwam in o.a. een toenemende immigratie van Russische joden.

6.9 De jaren negentig

In het najaar van 1989 deden Egypte (de ‘tien punten’ van Mubarak) en de Verenigde Staten (het plan-Baker) vergeefse pogingen de impasse in het overleg over de bezette gebieden te doorbreken. Op 15 maart 1990 kwam het kabinet Sjamir-Peres ten val ten gevolge van de weigering van Sjamir het Baker-plan expliciet te aanvaarden. Na een moeizame kabinetsformatie wist Sjamir ten slotte in juni 1990 een coalitie te vormen van zijn Likud-blok met een aantal religieuze en nationalistische partijen.

Na het begin van de Tweede Golfoorlog op 17 januari 1991 probeerde Irak Israël bij de strijd te betrekken door Israëlische steden (waaronder Tel Aviv en Haifa) met Scudraketten (met conventionele lading) te bestoken, waarbij enige doden vielen, maar voornamelijk materiële schade werd aangericht. Op aandrang van de Amerikaanse regering besloot Israël af te zien van vergeldingsacties teneinde de anti-Iraakse coalitie niet in problemen te brengen.

Tijdens de Tweede Golfoorlog was in de bezette gebieden een uitgaansverbod van kracht. Na de oorlog (februari 1991) laaide de Intifadah weer op. Mede onder druk van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, nam Israël deel aan een vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid (30 oktober–2 november 1991). De Palestijnen die deel uitmaakten van de Palestijns-Jordaanse delegatie, kregen bij hun terugkeer een heldenontvangst. Op 13 juli 1992 werd Sjamir vervangen door Jitschak Rabin. De nieuwe regering ging contacten met de PLO niet uit de weg, wat op 13 september 1993 in Washington resulteerde in een akkoord over beperkt Palestijns zelfbestuur in Gaza en Jericho (zie ook Palestijnse Nationale Autoriteit). Dit zgn. Akkoord van Oslo schiep nieuwe mogelijkheden voor een verbetering van de relatie met Syrië, Jordanië en Libanon en werd in 1995 gevolgd door het Oslo-2-akkoord, dat voorzag in een gefaseerde Israëlische terugtrekking uit de belangrijkste steden op de Westelijke Jordaanoever (zie ook Oslo-akkoorden).

In maart 1993 koos de Knesset Ezer Weizman van de Arbeiderspartij tot president als opvolger van Chaim Herzog. In december werd een akkoord getekend met het Vaticaan over het aangaan van diplomatieke betrekkingen.

Midden 1994 tekenden de Israëlische premier Rabin en koning Hoessein van Jordanië de zgn. Verklaring van Washington, waarbij formeel een einde kwam aan de staat van oorlog tussen beide landen. De onderhandelingen met Syrië bleven moeizaam verlopen. De voornaamste struikelblokken vormden de veiligheidsmaatregelen bij een Israëlische aftocht uit de Golanhoogte en de ‘diepte’ van de te sluiten vrede.

In november 1995 werd premier Rabin in Tel Aviv vermoord door een jonge Israëlische nationalist. De nieuwe regeringsleider Shimon Peres, die het vredesproces voortzette, leed eind mei 1996 bij de parlementsverkiezingen en bij de eerste directe verkiezing van een nieuwe premier een zeer kleine nederlaag tegen Likud-leider Benjamin Netanyahu. Laatstgenoemde vormde een rechtsreligieuze coalitieregering en beloofde het vredesproces met de PLO en de Arabische landen voort te zetten. Bij de eerder in 1996 gehouden verkiezingen voor een Palestijnse Raad en een Palestijnse president, die het bestuur in de Gazastrook en in verschillende steden en gebieden op de Westbank van de Israëlische militairen overnamen, zoals was overeengekomen in het Oslo-2-akkoord, werd Arafat met ruime meerderheid tot president gekozen. In de loop van 1996 ontstond in Israël grote politieke verdeeldheid over het vredesproces. De oorzaken daarvan waren de zelfmoordaanslagen van de Hamas en het beleid van Netanyahu, die de vrede-voor-landfilosofie van Rabin en Peres terzijde schoof en op basis van een vrede-voor-veiligheidstrategie de onderhandelingen met de PLO onder grote buitenlandse druk schoorvoetend voortzette. Netanyahu kondigde de bouw van nieuwe joodse nederzettingen aan en weigerde aanvankelijk in te stemmen met de terugtrekking van het Israëlische leger uit Hebron, waarover begin 1997 na Amerikaanse druk alsnog overeenstemming werd bereikt. De spanningen tussen Israël en de PLO liepen snel op en ook de broze relatie met de Arabische landen werd door de harde Israëlische standpunten op de proef gesteld.

Het vredesproces raakte verder in het slop toen Netanyahu in februari 1997 de bouw aankondigde van de joodse woonwijk Har Homa in Oost-Jeruzalem. In september van dat jaar werd begonnen met de bouw van nieuwe joodse nederzettingen in Efrat, op de Westelijke Jordaanoever. De Verenigde Staten gaven in oktober 1997 openlijk blijk van hun afkeuring over het beleid van de regering-Netanyahu. Ook binnen de Arabische wereld en de EU nam de onvrede toe over de Israëlische politiek. In november werd onder grote Amerikaanse druk het overleg hervat tussen Israël en Palestijnse delegaties over de verdere uitwerking van de gebiedsoverdracht. In Israël zelf boette Netanyahu's prestige in door onder meer een beschuldiging jegens corruptie, een mislukte moordaanslag op een Hamas-leider door de Israëlische geheime dienst en door een eigenzinnige poging van Netanyahu het verkiezingsreglement van Likud naar zijn hand te zetten. Ook binnenslands groeide het verzet tegen de Israëlische aanwezigheid in Libanon, waar het leger verschillende aanvallen uitvoerde op de pro-Iraanse Hezbollah. In juni 1997 koos de Arbeiderspartij de voormalige chef-staf Ehud Barak tot partijleider, als opvolger van Shimon Peres.

In de Palestijnse Autonome Gebieden (Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) verslechterde de algemene leefsituatie aanzienlijk door de collectieve strafmaatregelen van Israël naar aanleiding van de bomaanslagen door Hamas. 70 000 Palestijnen konden door de grenssluitingen niet naar hun werk. Ook de Palestijnse leider Arafat verloor aan prestige door het vastlopen van het vredesproces en de toenemende corruptie in Palestijnse kring. Hamas-leider Ahmed Yassin kwam in oktober 1997 vrij bij een gevangenenruil, waarbij ook de Mossadagenten betrokken waren die eerder dat jaar een mislukte aanslag hadden gepleegd op een Hamas-leider in Amman.

Amerikaanse druk op Netanyahu leidde uiteindelijk tot het akkoord van Wye Plantation dat onder leiding van de Amerikaanse president Clinton in oktober 1998 werd gesloten door Arafat en Netanyahu. De Jordaanse koning Hoessein, die ter behandeling van kanker in de Verenigde Staten verbleef, had zich actief bemoeid met de totstandkoming van het akkoord. Het akkoord bepaalde dat Israël zich uit 13,1 procent van de Westelijke Jordaanoever zou terugtrekken. Arafat beloofde op zijn beurt harder op te treden tegen terroristische aanslagen van Hamas en voorts om het Palestijns Handvest te herzien. Het Israëlische nederzettingenbeleid bleek de uitvoering van Wye Plantation in de weg te staan.

Eind 1998 viel Netanyahu’s kabinet. Er werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven voor parlement en premier in mei 1999. Likud koos Netanyahu opnieuw tot kandidaat-premier en lijsttrekker.

De parlementsverkiezingen van medio mei 1999 gaven een sterk verlies voor de Likud-partij te zien; deze zakte van 32 zetels teug naar 19. Een grote winnaar was de ultra–orthodoxe Shaspartij, die 10 zetels won. De Arbeiderspartij bleef de grootste, al liep haar zetelaantal terug van 34 naar 27. Netanyahu trok zich onmiddellijk terug als premier. De nieuwe premier werd Ehud Barak van de Arbeiderspartij. Netanyahu trad ook af als partijleider en werd opgevolgd door oudgediende Ariel Sharon.

Tijdens zijn campagne had Barak beloofd het vredesproces met Syrië en de Palestijnen uit het slop te trekken. Hij baarde opzien met zijn concrete toezegging dat onder zijn bewind het Israëlische leger binnen één jaar Libanon verlaten zou hebben. Barak beloofde voorts dat over de teruggave van de Golan aan Syrië en terugtrekking van het Israëlische leger uit Zuid-Libanon een referendum de doorslag zou geven.

In Baraks brede regeringscoalitie, die op 6 juli 1999 werd beëdigd, werden samen met Israël-Eén religieus-orthodoxe partijen als Shas, de Thorapartij en de Nationale Religieuze Partij, en de seculier linkse Burgerrechtenpartij van Sarid opgenomen.

Na interventies van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Albright, en de Egyptische president, Mubarak, sloten Barak en Arafat op 4 september 1999 een nieuw akkoord. In dit ‘Wye-2’ verplichtte Israël zich er o.m. toe dat 18,1% van bezet land op de Westelijke Jordaanoever in drie fases onder Palestijns gezag zou komen en dat ten minste 350 Palestijnse gevangenen zouden worden vrijgelaten. Op 1 oktober 2000 moest de bouw van een nieuwe haven in Gaza beginnen en een nieuwe zuidelijke verbindingsweg tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever worden geopend. Een noordelijke verbindingsweg zou in februari 2000 gereed moeten zijn. De belangrijkste toevoeging in Wye-2 was een blauwdruk voor een alomvattende vrede tussen Israël en de Palestijnen, die op 13 februari 2000 afgerond zou moeten zijn en de basis moest vormen van een definitieve vredesregeling in september 2000. Hierna begon Israël met de uitvoering van het akkoord. In twee fases werden 350 Palestijnse gevangenen vrijgelaten en op 4 oktober 1999 werden protocollen voor de verbindingsweg tussen Gaza en Hebron ondertekend. In januari 2000 werd tussen Israël en de Palestijnen een akkoord gesloten over de overdracht van land op de Westelijke Jordaanoever.

De onderhandelingen over de blauwdruk voor vrede, die in september 1999 waren begonnen, verliepen slecht. Vooral de status van Jeruzalem was een heikel punt. Uit protest tegen de voortgaande bouw van joodse nederzettingen staakten de Palestijnen de onderhandelingen begin december. Een geheime topontmoeting tussen Barak en Arafat, op 22 december 1999 in het Palestijnse Ramallah, bracht het vastgelopen vredesproces weer op gang.

7. De 21ste eeuw
7.1 Tweede Intifadah

Israël trok zich in 2000 terug uit Zuid-Libanon, dat het sinds 1982 bezet had gehouden. De Verenigde Naties installeerden troepen langs de grens. Hezbollah vatte de terugtrekking op als een overwinning, vooral omdat haar aanvallen op het aan Israël gelieerde Zuid-Libanese Leger succesvol waren geweest.

Eind september 2000 brak een nieuwe Palestijnse opstand uit, de tweede Intifadah. Directe aanleiding tot de gewelddadigheden vormde een bezoek van de rechtse Israëlische oppositieleider Ariel Sharon aan de Tempelberg in Jeruzalem op 28 september. Aan de vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen kwam een voorlopig einde. Mede door de Intifadah werd de toch al wankele positie van premier Ehud Barak onhoudbaar; hij trad in december af. De daarop volgende premiersverkiezingen in februari 2001 werden gewonnen door Sharon, die een kabinet vormde van nationale eenheid van Likud, de Arbeidspartij, de ultraorthodoxe Shas en vijf kleinere religieuze partijen.

De strijd escaleerde na de verkiezing van Sharon. Israël bestookte gebouwen van veiligheidsdiensten van de Palestijnse leider Yasser Arafat. Onderhandelingspogingen liepen vast op het geweld en Israëlische aankondigingen van nieuwe nederzettingen. Palestijnse zelfmoordaanslagen door vooral Hamas en de Israëlische inzet van F-16’s, helikopters en tanks en de liquidaties van Palestijnse leiders maakten een oplossing onwaarschijnlijk. Na 11 september 2001 kregen de Palestijnen steun uit onverwachte hoek toen de Amerikaanse president Bush sprak over een Palestijnse staat naast Israël, zeer tot ongenoegen van Sharon. Amerikaanse en Europese druk leidden tot Israëlische terugtrekking uit de door de Palestijnse Autoriteit bestuurde gebieden; Arafat gaf instructies de gevechten te staken, maar Hamas en de Islamitische Jihad gaven hieraan geen gehoor. Eind september kwamen Arafat en de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres een staakt-het-vuren overeen, dat echter nog geen maand stand hield. In december begon Israël met de belegering van Arafats hoofdkwartier in Ramallah op de Westelijke Jordaanoever.

Het geweld duurde in 2002 voort, met vele Palestijnse aanslagen en Israëlische legeracties. Sharon verklaarde dat het offensief zou voortduren tot de vernietiging van Arafats ‘terreurinfrastructuur’. Palestijnen benadrukten dat de civiele infrastructuur werd vernietigd, waarmee een eind kwam aan de Palestijnse staat-in-opbouw en daarmee aan het vredesproces. Vooral in Nabloes en Jenin vonden zware gevechten plaats, waarbij enorme schade werd aangericht. Onder buitengewoon zware Amerikaanse druk besloot Sharon uiteindelijk toch Arafats omsingeling op te geven in ruil voor de opsluiting in Palestijnse gevangenissen van de zes van moord op een Israëlische minister verdachte Palestijnen. Op 2 mei kwam Arafat als triomfator naar buiten. Mede omdat Hamas doorging met het organiseren van zelfmoordaanslagen, werd alom getwijfeld aan Arafats leiderschap. Israël omsingelde opnieuw zijn hoofdkwartier om Arafat tot vertrek te bewegen, maar staakte die actie opnieuw na internationale druk.

De Arbeidspartij trok zich in oktober 2002 terug uit de regering, uit protest tegen de financiële steun aan nieuwe nederzettingen in bezet gebied. Vlak voor de verkiezingen in 2003 werden Israëlische plaatsen vanuit de Gazastrook door aanhangers van Hamas beschoten met raketten. Daarop volgde in de nacht van 25 op 26 januari de grootste Israëlische militaire inval sinds het begin van de tweede Intifadah, waarbij 13 Palestijnen werden gedood. De Palestijnse gebieden werden volledig afgesloten. Likud won de verkiezingen en vormde een coalitie met twee kleinere rechtse partijen.

Het Palestijnse parlement stemde in maart 2003 voor de aanstelling van een premier, die de almacht van Arafat over het Palestijnse bestuur moest beknotten. De als gematigd bekendstaande Mahmoud Abbas werd kort daarop benoemd.

Eind april 2003 presenteerden de Verenigde Staten de zgn. ‘routekaart’: het ‘stappenplan naar vrede’, die moest leiden tot een Palestijnse staat in 2005. De ‘routekaart’ bestond uit drie fasen. In de eerste fase moest het Palestijnse geweld beëindigd worden en moest Israël zich terugtrekken uit de Palestijnse steden en het gebied van de Palestijnse Nationale Autoriteit (PNA) en een aantal nederzettingen ontruimen. De Palestijnse Nationale Autoriteit accepteerde het plan, het Israëlische kabinet stelde voorwaarden. Zo moesten de Palestijnen het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar Israël afzweren. De cyclus van liquidaties en zelfmoordaanslagen kwam snel weer op gang en het vredesproces raakte op de achtergrond.

Israël zette de aanleg voort van de afscheidingslinie, een door premier Barak gestart bouwproject. De 600 km lange ‘muur’ bestond grotendeels uit een metershoog hekwerk; vooral in stedelijke gebieden was het daadwerkelijk een hoge betonnen muur, volgens Israël noodzakelijk om beschietingen te voorkomen. De afscheiding week op veel plekken af van de Groene Lijn uit 1967 en doorkliefde zo bezet Palestijns gebied, wat volgens een VN-rapport ernstige humanitaire gevolgen had voor een derde van de Palestijnse bevolking, omdat zij werden afgesneden van de buitenwereld en soms van hun eigen landerijen.

Het afscheidingshek en de acties van het leger leidden in 2004 en 2005 tot een aanzienlijke daling van het aantal Palestijnse aanslagen. Wel slaagde Hamas er in enkele zelfmoordaanslagen te plegen. De spirituele leider van Hamas, sjeik Ahmed Yassin, werd in maart 2004 door een Israëlische raketaanval gedood. Het aantal Palestijnse beschietingen vanuit Gaza op doelen in Israël nam wel toe.

7.2 Terugtrekking uit Gaza

Premier Sharon presenteerde in februari 2004 een plan tot terugtrekking uit de Gazastrook en ontmanteling van de joodse nederzettingen aldaar. Ondanks veel protest van vooral orthodoxe joden en binnen zijn eigen Likudpartij zette Sharon door. Zijn oorspronkelijke regeringscoalitie viel uiteen en er werden in de daaropvolgende maanden en in 2005 geregeld nieuwe coalities gevormd. In augustus 2005 begon het leger met de gedwongen verwijdering van de overgebleven Israëlische burgers uit de Gazastrook. Na een week werd het gebied overgedragen aan de Palestijnen.

Binnen Likud nam de steun voor Sharon alsmaar verder af. Hij stapte hierop in november 2005 uit de partij en richtte een nieuwe partij op, Kadima. Diverse Likudleden volgden Sharon, en ook leden van de Arbeidspartij stapten over naar de nieuwe partij. Sharon zelf werd echter getroffen door een reeks hersenbloedingen, die hem het werken onmogelijk maakten. Vice-premier Ehud Olmert nam zijn taken over en leidde Kadima naar een zege bij de parlementsverkiezingen in maart 2006. Olmert vormde een coalitie van zijn centrumrechtse Kadima, de Arbeidspartij, de Gepensioneerdenpartij en de joods-fundamentalistische Shaspartij. De nieuwe regering was ondermeer van plan tientallen nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te ontruimen, maar draaide dat plan terug na Palestijnse acties vanuit de Gazastrook.

7.3 Nieuwe oorlog in Libanon

De ontvoering van twee Israëlische militairen vormde in juli 2006 de directe aanleiding voor een grootschalig offensief tegen Hezbollah, de beweging die Zuid-Libanon feitelijk controleerde. Met luchtaanvallen werden Hezbollahdoelen in ondermeer Beiroet bestookt, terwijl grondtroepen Zuid-Libanon binnentrokken om jacht te maken op Hezbollahstrijders. Op haar beurt bestookte Hezbollah doelen in Noord-Israël. Na vijf weken werd een staakt-het-vuren overeengekomen en trok Israël zich onverrichterzake terug.