| Indiase muziek | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. Algemene kenmerken |
De verschillen tussen de hedendaagse Hindoestaanse (H) en Karnatische (K) muziek betreffen vooral de stijl, de muzikale vormen en de muziekinstrumenten. In beide tradities gaat het echter in principe om een vorm van ‘kamermuziek’, waarbij sprake is van samenspel van één of meer melodievoerende stemmen (unisono, alternerend of imiterend, niet polyfoon), één of meer ritme-instrumenten en één of meer instrumenten voor het voortdurend laten klinken van de grondtoon met octaaf en eventueel kwint, kwart of andere intervallen.
Als melodievoerende instrumenten worden gebruikt: getokkelde snaarinstrumenten: Noord-Indiase vina of rudra bin en vichitra bin, sitar, sarod, Zuid-Indiase vina of sarasvati vina en gottuvadyam; gestreken snaarinstrumenten: sarangi, dilruba, esraj, tarshahnai (H), westerse viool (H en K); blaasinstrumenten met een dubbel riet: Shahnai (H) en nagasvaram (K); bamboe dwarsfluiten: bansri (H) en venu (K); slaginstrumenten: tablatarang en jalatarang (resp. afgestemde trommen en kommetjes water, H).
Ritme-instrumenten, die ook soliërend kunnen optreden, zijn: tweevellige trommen: pakhavaj (H), mrdangam (K) en tavil (speciaal bij nagasvaram, K); ketel- en potvormige enkelvellige trommenparen, zoals tabla, bestaande uit tabla of dahina en bayan (H), en naghara, bestaande uit dhama en jhil (speciaal bij shahnai, H). Voorts een kleine tamboerijn, kanjira (K), een aardewerk pot, ghatam (K), en verschillende soorten bekkentjes (H en K). Voor de grondtoon wordt de vier-, vijf- of zessnarige tanpura het meest gebruikt (H en K), maar ook speciale versies van een klein harmonium en recentelijk ook elektronische hulpmiddelen (H en K). Bij de shahnai en nagasvaram houdt men de grondtoon aan op continu geblazen soortgelijke instrumenten.
De melodievoerende stem is bij voorkeur de menselijke stem, niet alleen vanwege haar grote veelzijdigheid, maar ook omdat in vocale muziek teksten kunnen worden gebruikt. De zangstem wordt meestal begeleid en ‘op de voet gevolgd’ (bij improvisaties) door een strijkinstrument: sarangi, dilruba of tarshahnai (H), westerse viool (H en K) of een klein harmonium (H) en ondersteund op een citer, svaramandal (H). Er is geen absolute toonhoogte voor de grondtoon. Een zanger kiest dan ook de toonhoogte die het best bij zijn stembereik past, terwijl bij een instrumentalist de toonhoogte afhangt van de bouw van zijn instrument. Alle intervallen ontlenen hun waarde aan de relatie tot de grondtoon en bij uitbreiding de kwint of kwart daarvan. Een harmonieleer zoals in het Westen komt in India niet voor. De melodische lijn is het belangrijkste. Incidenteel wordt echter wel bewust gebruikgemaakt van ‘akkoordachtige’ samenklanken met bijv. open bourdonsnaren. Composities worden gewoonlijk van leraar op leerling mondeling overgeleverd, maar zijn met name in de laatste honderd jaar ook wel met meer of minder details genoteerd, vooral in de Karnatische muziek. Composities dienen meestal als uitgangspunt voor improvisaties en variaties, altijd op basis van de gekozen raga (H: rag, K: raga of ragam). Omdat er geen westers equivalent bestaat voor het begrip raga, moet worden volstaan met een omschrijving van een aantal kenmerken. Een raga is een door de traditie overgeleverd complex van melodische elementen, waarbij niet alleen wordt aangegeven welke noten gebruikt mogen worden en in welke volgorde, maar ook welke stemming daaraan is verbonden, behorend bij een bepaald uur van de dag of nacht, of passend bij een bepaald seizoen. Wat het notenmateriaal betreft: een raga kan per octaaf vijf tot zeven basisnoten hebben, waarbij uitgezonderd de grondtoon en de kwint; één of meer van deze noten, zowel in normale als in verhoogde of verlaagde positie, kunnen voorkomen. Meestal mogen sommige van deze noten alleen in opgaande, andere alleen in neergaande lijn worden gebruikt. Ook moeten bepaalde noten worden benadrukt of van speciale, voor de raga karakteristieke versieringen worden voorzien. Van de duizenden raga's, bekend uit oude manuscripten en theoretische werken, zijn er tegenwoordig enkele honderden in gebruik, waarvan slechts enkele tientallen het meest worden uitgevoerd. Hoewel er in de loop der tijden vele verschillende classificatiesystemen zijn geweest voor de raga's, verwijst men in de Hindoestaanse muziek meestal naar de tien that's, zoals beschreven door Pandit V.N. Bhatkhande (1860–1936), en zijn de Karnatische raga's onder te brengen in een zeer consequent systeem van 72 melakarta's of basisschalen, waarvan de vroegste versie al in 1620 beschreven is.
Composities en de daarin verwerkte improvisaties zijn gebaseerd op maatschema's, tala's (H: tal, K: tala of talam). Het woord tala verwijst naar de handklap, waarmee men een ritmisch accent kan aangeven. Deze maatschema's worden niet alleen bepaald door het aantal teleenheden en de verdeling van zware en lichte accenten, maar ook door de bijbehorende aanslagwijzen op de trommen. Hetzelfde basisschema zal bovendien anders worden gerealiseerd al naargelang het tempo hoger of lager ligt. Het na melodische en/of ritmische variaties en improvisaties terugkomen op een hoofdaccent (sam) of een ander, tevoren bepaald punt in de maatcyclus, is een zeer boeiend aspect van een Indiaas concert. Er zijn ook vele ritmische composities bekend, vooral in de meest populaire tala's. De composities worden geleerd en onthouden door het reciteren van de lettergrepen die de verschillende aanslagen op de trommen weergeven. Het bekendste maatschema uit Noord-India is tintal, een cyclus van 16 teleenheden, onderverdeeld in vier groepen van vier, met een hoofdaccent op de eerste tel en twee nevenaccenten op de vijfde en dertiende tel. In Zuid-India komt aditalam het meest voor, met acht teleenheden en accenten op de eerste, vijfde en zevende tel. In beide tradities gebruikt men ook vele oneven maatsoorten.