Indiase muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Indiase muziek
Introductie

Indiase muziek, de muziek van het Voor-Indisch Schiereiland, omvat de muziek van India, Nepal, Pakistan en Bangladesh.

Hoewel de volksmuziek per regio verschilt, heeft de klassieke muziek van deze landen een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Deze kenmerken worden meestal onder de term Indiase muziek beschreven.

1. Geschiedenis

De oudste uitvoerige uiteenzettingen over de muziektheorie en instrumenten van India zijn te vinden in een werk over de toneelkunst, de Natyasastra van Bharata, gewoonlijk gedateerd rond het begin van onze jaartelling. De muziekinstrumenten worden beschreven in vier groepen, die overeenkomen met de in Europa pas in 1880 door V. Mahillon geponeerde indeling in chordofonen, aërofonen, membranofonen en idiofonen. Aan de hand van twee vina's (in die tijd waarschijnlijk boogharpen) demonstreert Bharata ook de verschillende intervallen en de bouwstenen daarvoor: de sruti's. De grootte wordt daarbij niet bepaald door snaardeling, maar op het gehoor (sanskriet: sruti = gehoorseenheid). De drie basisschalen sadjagrama, madhyamagrama en de – waarschijnlijk in Bharata's tijd al in onbruik geraakte – gandharagrama zijn opgebouwd uit intervallen van vier, drie en twee sruti's. De zeven basisnoten worden afgekort sa, ri (re in hedendaagse Noordindiase muziek), ga, ma, pa, dha, ni genoemd, vergelijkbaar met do, re, mi, fa, sol, la, si. Door steeds een andere noot van de basisschalen als beginpunt te nemen, vormt men de modale murchana's. Van deze murchana's worden jati's afgeleid, waarin de melodiepatronen zijn ondergebracht, die vanaf de 7de eeuw beschreven worden onder het begrip raga. Dit woord geeft aan dat de melodiepatronen ‘gekleurd’ zijn door bepaalde gevoelens, rasa's.

De moeilijkheid die zich voordoet bij het lezen van Indiase muziektheoretische werken, is, dat in de loop der tijden in Noord- en Zuid-India eenzelfde term verschillende begrippen dekt, of omgekeerd eenzelfde begrip met verschillende termen wordt aangeduid. Dit geldt bijv. voor de raga-namen en de daaraan verbonden muzikale inhouden, maar ook voor de term sruti, die in Zuid-India gebruikt wordt om één- of meermaal verhoogde variëteiten van eenzelfde toontrap aan te duiden, terwijl in het noorden deze term meestal wordt gebruikt voor een delicaat verschil in intonatie van een bepaalde toontrap.

In tegenstelling tot een algemeen verbreid misverstand komen in de huidige Indiase muziek geen echte kwarttonen voor als afzonderlijke toontrappen. De hoofdtonen liggen in feite dicht bij de twaalf westerse intervallen in het octaaf, maar zijn niet getempereerd. Alleen in versieringen en glijtonen, die een essentieel onderdeel vormen van de Indiase muziek, wordt gebruik gemaakt van de toonhoogten tussen twee toontrappen.

Hoewel beide gebaseerd zijn op dezelfde grondbeginselen, is de huidige muziek van Noord-India verschillend van die van Zuid-India. Men spreekt in dit verband van de Hindoestaanse en Karnatische tradities. De Hindoestaanse traditie wordt behalve in India ook gevolgd in Pakistan, Nepal en Bangladesh. Uit de bewaard gebleven geschriften kan niet worden opgemaakt of er al verschillen waren vóór de 13de eeuw, maar zij zijn wel aantoonbaar in de tijd daarna, toen tijdens de mohammedaanse overheersing vele invloeden van buitenaf in de bestaande muziek werden geassimileerd. Beroemd zijn in dit kader de musicus en dichter van Turkse afkomst Amir Khusrau aan het hof van Allauddin Khalji (1296–1316) in Delhi en de zanger en vinaspeler Tansen aan het hof van Akbar de Grote (1556–1605). Aan de vorstenhoven werd de basis gelegd voor hedendaagse zangstijlen als dhrupad en khyal en nog steeds worden zangers en instrumentalisten ingedeeld naar de lokale traditie (gharana) die zij volgen, bijv. de Gauri-, Khandara-, Nauhara- en Dagara-vani in de dhrupad-stijl en de Gwalior-, Agra-, Delhi-, Patiala-, Itrauli- en Kirana-gharana voor khyal.

De Karnatische muziek ontwikkelde zich op basis van een grote hoeveelheid religieuze liedcomposities. Het grootste deel van het huidige repertoire stamt uit de 18de en 19de eeuw en ontstond in en rond Tanjavur (Tanjore). Het is merkwaardig dat de drie beroemdste componisten van Zuid-India in hetzelfde dorpje Tiruvarur in het Tanjavurdistrict werden geboren en in dezelfde periode leefden. Het zijn Tyagaraja (1759–1847), Syama Sastri (1763–1827) en Muttusvami Diksitar (1776–1835).