Zoekweergave Indianen

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Indianen
Introductie

Indianen, naam van de oorspronkelijke bevolking van Amerika. Zij kregen deze naam door de misvatting van Columbus, die, toen hij Amerikaanse bodem betrad, veronderstelde Indië, het doel van zijn reis, te hebben bereikt. De benaming 'roodhuiden' ontstond door het gebruik van rode verf als lichaamsbeschildering bij ceremonies en oorlogvoering. In het Engelse taalgebied wordt soms de term Amerindians gebruikt. De Indianen behoren tot het mongolide ras. Lichaamskenmerken zijn een lichtgele tot donker geelbruine huidkleur, sluik zwart haar, oogplooi, hoge jukbeenderen en spaarzame baardgroei. Het oorsprongsgebied van de Indianen ligt in Noordoost- en Oostcentraal-Azië. Gedurende de laatste ijstijd trokken kleine groepjes jagers via de landbrug tussen Siberië en Alaska oostwaarts op zoek naar nieuwe jachtgebieden.

Ten tijde van Columbus werden in Amerika ca. 3500 à 4000 talen gesproken. Deze zijn door linguïsten in taalfamilies ingedeeld, maar er bestaat geen algemene overeenstemming over de classificatie. Vele Indianenvolken probeerden door middel van tekens en symbolen gebeurtenissen vast te leggen. Dit gebeurde o.a. op steen, hout en op huiden. De Olmeken, Maya en Zapoteken en Azteken bezaten geschreven talen, die nog slechts ten dele zijn ontcijferd.

1. Cultuurgebieden

Een uniforme Indiaanse cultuur heeft nooit bestaan: de samenlevingsvormen varieerden van primitieve culturen van woestijnbewoners tot hoogontwikkelde theocratieën.

1.1 Noord-Amerika

Het subarctisch gebied, dat bijna geheel Canada en Alaska bedekt, werd bevolkt door Athapascan- en Algonkin-stammen. Zij leefden vnl. van jacht en visvangst (o.a. eland, kariboe, zalm). De jacht werd zowel individueel als collectief beoefend. Vrouwen verzamelden plantaardig voedsel. Deze nomadische volken woonden in kleine groepjes en woonden in de zomer in met huiden bedekte hutten en 's winters in met aarde bedekte huizen. In de smalle strook van de noordwestkust was zalm de voornaamste voedselbron. Door de aanleg van grote voedselvoorraden kwam vrije tijd beschikbaar, waardoor zich een complexe cultuur ontwikkelde die zich kenmerkte door een hiërarchische sociale organisatie en een uitgebreid ritueel (o.a. de potlatch-ceremoniën, bedoeld om prestige te verwerven). Deze Indianen, vooral beroemd om hun houtsnijwerk (o.a. totempalen en maskers), woonden in grote, van cederplanken gebouwde meergezinshuizen onder leiding van familiehoofden. Zij kenden zowel een slavenkaste (vaak krijgsgevangenen) als een politieke en religieuze elite. Het woestijnachtige Grote Bekken bood een karig bestaan aan o.a. de Paiute en Shoshone, die vnl. van klein wild, insecten en plantaardig voedsel leefden. Zij trokken in gezinsverband door hun gebied, steeds op zoek naar voedsel. In meer vruchtbare gebieden werd op kleine schaal landbouw beoefend. Het hoofdvoedsel van de Indianen uit Californië bestond uit koeken en pap, gemaakt van meel van gemalen eikels. Het menu werd verder aangevuld met de opbrengst van jacht, visvangst en het verzamelen van vruchten, noten en knollen. Zij woonden in semi-permanente dorpen en het politiek leiderschap kende religieuze aspecten. Op beperkte schaal trof men ambachtelijke specialisatie aan.

De Pueblo, Hopi en Zuni uit het zuidwesten waren akkerbouwers, die hun velden door irrigatiekanalen bevloeiden. Zij woonden in lemen, terrasvormig aangelegde dorpen (pueblo's). Politiek en religieus leiderschap vielen samen in de persoon van de hoofdman (cacique). Hun ceremonieel was uiterst complex en uitgebreid. Een tweede groep werd gevormd door de Navaho en Apache: jagers die soms landbouw beoefenden of de pueblo's overvielen om de maïsvoorraden te plunderen. Zij waren nomaden. Hun behuizing bestond uit hutten van hout, gras en leem. De derde groep, waartoe o.a. de Pai-Indianen behoorden, bestond uit jagers en verzamelaars. Zij legden in rivierdalen ook velden aan, die door hoge waterstanden automatisch bevloeid werden. De Indianen van het Binnenlands Plateau (o.a. Kutenai en Nez Percé) beschikten over verschillende voedselbronnen: de mannen maakten jacht op herten en bizons en waren verantwoordelijk voor de visvangst, terwijl de vrouwen camasknollen en bitterroots verzamelden. Vele culturele invloeden uit aangrenzende cultuurgebieden droegen bij tot de heterogeniteit van samenlevingsvormen in dit gebied. De bereden bizonjagers van de grasvlakten zijn het meest vertrouwde Indiaanse beeld voor velen geworden. Behalve deze Prairie-Indianen woonden ook Indiaanse boeren in hun half onderaardse huizen langs de rivieren. Beide groepen verhandelden de opbrengst van jacht en oogst met elkaar, hoewel de jagers ook herhaaldelijk de dorpen van de boeren overvielen. De vlakte-Indianen kenden veel mannengenootschappen (o.a. die van de krijgers, medicijnmannen en ordebewakers). Status en prestige waren gebaseerd op succes bij de jacht en de oorlogvoering. Drie cultureel verschillende groepen woonden in het noordoosten: de Irokezen, de kust-Algonkin en de volken van de Grote Meren. Laatstgenoemden waren meestal semi-nomadische jagers, die soms op kleine schaal landbouw beoefenden, met uitzondering van de Huron, die primair landbouwers waren. Ook de kust-Algonkin voorzagen door jacht en landbouw in hun levensonderhoud. Zij woonden in met boombast bedekte hutten. De landbouwers uit het zuidoosten woonden in versterkte dorpen. In het centrum lagen een tempelgebouw en de woningen van de priesters en hoofdlieden, evenals een veld voor balspelen. Kleine nederzettingen lagen verspreid in de bossen bij de velden. Vermoed wordt dat invloeden vanuit Mexico zich in dit gebied deden gelden.

1.2 Latijns-Amerika

In Midden-Amerika woonden oorspronkelijk nomadische jagers, vissers en verzamelaars, maar ca. 6000 v.C. begon de landbouw zich te ontwikkelen. De grote agrarische productiviteit maakte een grotere groei van de bevolking mogelijk en er ontstonden grote nederzettingen, bestuurd door semi-religieuze leiders. Het ambacht ontwikkelde zich in snel tempo. Een aantal volken en culturen kwam tot ontwikkeling:Olmeken, Zapoteken, Teotihuacan, Totonaken, Tolteken enChichimeken. Er ontstonden grote religieuze centra en de priesters kregen steeds meer politieke invloed. Imposante stenen tempelcomplexen werden onder hun leiding gebouwd, waarbij arbeid en kapitaal werden geleverd door onderworpen volken. In Yucatán ontwikkelde zich de Maya-cultuur. De Azteken in het dal van Mexico namen daarna de macht over en breidden hun invloedssfeer verder uit vanuit Tenochtitlan, totdat de Spanjaarden in de 16de eeuw aan deze hegemonie een abrupt einde maakten.

Ook de oudste bewoners van het Circum-Caribisch gebied waren nomadische jagers. De kustvolken concentreerden zich op de visvangst. Door invloeden uit Midden-Amerika en de Centrale Andes kon maïs het nieuwe cultuurgewas worden. Militaire veroveringen deden kleine rijken (Quimbaya,Chibcha) ontstaan, waarin krijgsgevangenen een slavenkaste vormden. Dorpen sloten allianties met elkaar onder leiding van een cacique. Een priesterklasse was verantwoordelijk voor het ceremonieel, waarin vooral de jaguaraanbidding een belangrijke plaats innam. De stammen in het tropisch regenwoud van Zuid-Amerika (o.a. de Mundurucu, Tupi, Jivaro en Guaraní) waren kleine landbouwers, die maniok, maïs en bananen aanplantten op kleine, kaal gehakte percelen in de jungle. Als de bodem uitgeput raakte trok men verder. Voor de jacht werd gebruik gemaakt van pijl en boog (de pijlen vaak in curare gedoopt) en blaasroer. Van het meel van maniok werden koeken gebakken en een alcoholische drank gedistilleerd. De dorpen waren meestal aangelegd rond een plein en bestonden soms alleen uit een groot huis. Mannenbonden droegen zorg voor initiaties en dankceremonies voor het gewas.

Het gebied van de Andes kende een dichte Indiaanse bevolking. Ook hier bestond voor de komst van de Spanjaarden een hoge beschaving, al kende deze geen schrift. Er waren stedelijke centra, een ontwikkelde landbouw met irrigatie en een goed transportsysteem. De politieke organisatie werd gekenmerkt door een hiërarchische opbouw, verbonden met een sterk centraal gezag in handen van de Inka(het staatshoofd) en diens adellijke omgeving. Oorlog werd gevoerd teneinde uitbreiding van het grondgebied van de staat te verkrijgen. De godenwereld en, in verband daarmee, de priesterstand, waren eveneens hiërarchisch georganiseerd. Het officiële ritueel vond plaats in de grote tempels. Van de opbrengst van de grond was een derde bestemd voor de Zon (als godheid gedacht), een derde voor de Inka en een derde voor de bevolking.

Als laatste groep kunnen genoemd worden de marginale nomaden, die verspreid over Latijns-Amerika leven. Zij voorzagen, of voorzien nog steeds, in hun levensonderhoud door jacht, visvangst en het verzamelen van plantaardig voedsel. Hun materiële cultuur is erg eenvoudig. In kleine familiegroepen trekken zij door hun jachtgebied. Men kan drie subgroepen onderscheiden: de Archipel-Indianen van Zuid-Chili en Vuurland, de jagers van de pampa's van Argentinië en Uruguay, en de nomaden van El Gran Chaco. De Chaco-volken beoefenden op bescheiden schaal de landbouw, maar leefden tevens van jacht en visvangst. Door de relatieve onaantrekkelijkheid van hun gebied zijn zij lange tijd voor westerse invloeden gespaard gebleven. Verspreid in het tropisch regenwoud woonden kleine enclaves nomadische jagers en verzamelaars (Guyakí, Nambicuara, Sirionó e.a.). Sommige volken hier, zoals de Ciboney en Muru, zijn uitgestorven als gevolg van de blanke kolonisatie.

2. Geschiedenis van de kolonisatie tot heden
2.1 Noord-Amerika

Het aantal Indianen in Noord-Amerika van vóór de komst van de Europeanen wordt geschat op ca. 2 miljoen. In de 16de eeuw begonnen Spanje, Engeland en Frankrijk met de kolonisatie van Noord-Amerika, eerst door middel van kleine handelsnederzettingen (pelshandel) en boerenbedrijfjes, later op grotere schaal. In een iets later stadium waren ook Nederland (aan de oostkust), Zweden (rond de Delaware Baai) en Rusland (in Alaska) hierbij betrokken. In de beginperiode werd vaak Indiaans land gekocht, maar toen de Europeanen eenmaal een machtsoverwicht hadden bereikt, werd steeds meer grond zonder meer ingenomen, ondanks Indiaanse protesten. De spanningen werden nog vergroot door de verkoop van vuurwapens en alcohol aan de Indianen door de Hollanders en de rivaliteit tussen de Hollanders en de Engelsen in Connecticut. Gouverneur Kieft trad hardhandig op en liet honderden van hen vermoorden en scalperen.

Vele Indianenvolken werden door meegebrachte besmettelijke ziektes (m.n. pokken) meteen aan het begin van de kolonisatie gedecimeerd. Zij die overleefden, vluchtten het binnenland in. Pas na de invoer van het paard ontstond de later als typisch Indiaans beschouwde cultuur van dePrairie-Indianen.

De kolonisatie ging vrijwel steeds gepaard met missionering, waarbij de uitoefening van de Indiaanse godsdienst en gebruiken vaak werd verboden. Opstanden tegen de brute overheersing hadden slechts gering en tijdelijk succes (o.a. de King Philip's War in 1675–1676). De stroom immigranten vanuit Europa werd steeds groter en de kolonisten trokken steeds verder westwaarts, waarbij de Indiaanse volken werden uitgemoord of verdreven.

In de eerste helft van de 19de eeuw organiseerde de Amerikaanse regering grootscheepse gedwongen landverhuizingen (removals) van de oostelijke volken naar Oklahoma (Indian Territory), om land te verwerven voor kolonisten en goudzoekers. Aan de westkust hadden Engelse en Amerikaanse pelshandelaars posten gebouwd en via de Oregon Trail en de Santa Fé Trail werden de gekoloniseerde gebieden met elkaar verbonden. Grote handelsfirma's, zoals de Hudson Bay Company, brachten de Indianen in een afhankelijke relatie door hen van westerse goederen en voedsel te voorzien. Een reeks oorlogen, vooral op de grasvlakten, leidde tot de opzettelijke vernietiging van de belangrijkste Indiaanse voedselbron, de bizon. Dit feit, gevoegd bij de betere wapens van de blanke kolonisten, bezegelde het lot van de Indianen, die werden gedwongen zich in reservaten te vestigen. Tevens moesten zij uiterst nadelige verdragen ondertekenen waarbij zij afstand deden van hun grondrechten. Het westerse onderwijs veroorzaakte een verdere aantasting van de Indiaanse cultuur. Aan het eind van de jaren tachtig van de 19de eeuw laaide het verzet onder de Indianen, die steeds meer grond aan de kolonisten verloren zagen gaan, weer op in de vorm van de Ghost Dance, uiteindelijk leidend tot het bloedbad bij Wounded Knee in 1890. Ook de steeds meer aanhang verwervende peyote-cult borg verzetselementen in zich en groeide uit tot de Native American Church. Rond 1930 kwam er een ommezwaai in het overheidsbeleid tegenover de Indianen, waarbij het Bureau of Indian Affairs (BIA) een belangrijke rol speelde. Plannen tot vergroting van de reservaten, stimulering van de economische ontwikkeling, versterking van het Indiaanse politieke kader en verbetering van de onderwijsvoorzieningen werden in het kader van de New Deal echter slechts gedeeltelijk gerealiseerd.

Na de Tweede Wereldoorlog trachtte de Amerikaanse regering door middel van de Indian Claims Commission Act de Indiaanse rechten op land af te kopen. Vooral de energiecrisis in de eerste helft van de jaren zeventig leidde tot toenemende belangstelling voor aardolie- en kolenvoorraden in de reservaten. In Canada verloren duizenden Creehun land door het James Bay hydro-elektrische energieproject. In het westen van Canada en in Alaska moesten Indiaanse belangen wijken voor de aanleg van pijpleidingen voor aardolie. De bodemgesteldheid van de reservaten is vaak weinig geschikt voor landbouw en veehouderij, tenzij men beschikt over voldoende financiële middelen om in machines en kunstmest te investeren. Veel land wordt daarom aan blanke boeren en ranchers verpacht. De meeste Indianen leven onder het bestaansminimum. Seizoenarbeid en sociale uitkeringen zijn vaak de enige bronnen van inkomsten. Ook de jacht, visvangst en het verzamelen van plantaardig voedsel spelen nog een, zij het geringe, rol. Handwerkers verkopen hun producten (o.a. vlechtwerk en maskers) aan toeristen.

Het aantal Indianen dat tegenwoordig in Noord-Amerika woont groeit sinds de jaren zestig weer en bedraagt momenteel ca. 3 miljoen; het merendeel van hen woont ten westen van de Mississippi. In Canada wonen de meeste Indianen in zgn. reserves in de zuidelijke provincies. In de noordelijke 'territories' zijn zij sterk geïsoleerd. De bevolkingstoename onder de Noord-Amerikaanse Indianen ligt driemaal zo hoog als onder de totale bevolking. In de loop van de jaren tachtig had de helft van de Indianen zich in de steden gevestigd. Vaak zijn zij daar echter ook het slachtoffer van discriminatie. Het alcoholisme onder hen is hoog. Eigen 'Indian centers' verlenen deze migranten kosteloze maatschappelijke hulp. De organisatie van de Indianen tegen onderdrukking en uitbuiting is de afgelopen decennia sterk gegroeid, waarbij onderlinge tegenstellingen vervaagden en 'red power' en panindianisme gangbare begrippen werden. Panindianistische organisaties zijn o.a. het National Congress of American Indians, de radicale American Indian Movement (AIM), die een aantal spectaculaire acties op haar naam heeft staan, zoals de bezetting van Alcatraz (1969–1971), Wounded Knee (1973) en het Bureau of Indian Affairs in Washington (1972); voorts de Council of Energy Resource Tribes (CERT), een vereniging tegen uitbuiting van energiebronnen op Indiaans gebied. Sedert het begin van de jaren 1980 hebben een aantal Indianenstammen (vaak zeer winstgevende) casino’s op hun reservaten gevestigd. Tegenwoordig ontbreekt bij de centrale regering, waaronder alle Indianen vallen, een nieuwe assimilatiedwang in de vorm van de opheffing van de reservaten ( 'termination policy'), zoals die in de jaren vijftig en zestig bestond.

2.2 Latijns-Amerika

Nadat Columbus in 1492 de Caribische eilanden had bereikt, volgde een periode waarin het verlangen naar goud het voornaamste motief was voor de Spaanse expedities naar Zuid- en Midden-Amerika. Vele Indianen stierven als gevolg van door de Spanjaarden geïntroduceerde besmettelijke ziekten en als gevolg van hun mensonwaardige behandeling als slaven in de goud- en zilvermijnen en op de plantages. Men schat dat ca. zes miljoen Indianen op de West-Indische eilanden op deze wijze het leven lieten. Vele groepen namen de vlucht naar de binnenlanden. Hernán Cortés en Francisco Pizarro overwonnen in betrekkelijk korte tijd de grootste twee Indiaanse rijken, die van de Azteken enInka. Lima werd het bestuurlijk middelpunt van de koloniale overheid. In 1537 moest het Colombiaanse Chibcha-rijk voor de Spaanse overmacht buigen. Toen de goudvoorraden begonnen te slinken, verlegden de Spanjaarden hun interesse naar landbouw en veehouderij. De Indianen werden aan feodale hacienda's en plantages gebonden, zoals de Portugezen de Indianen in Brazilië tot slavenarbeid dwongen. Per koninklijk decreet kregen militairen, ambtenaren en kolonisten gebieden tot hun beheer en exploitatie toegewezen, deencomiendas, als beloning voor hun prestaties ten behoeve van de Kroon. Zij werden gemachtigd belasting op Indiaanse bezittingen te heffen en Indiaanse arbeidskracht voor eigen voordeel in te zetten (repartimiento-mita). Verspreid levende Indianen werden gedwongen zich in grote dorpen (reducciones) te vestigen, zodat de militaire controle, evenals de missionering, efficiënter kon geschieden. De houding van de priesters ten opzichte van de Indianen was uiterst intolerant. Het was echter ook een geestelijke, Bartolomeo de las Casas, die in zijn geschriften de brute behandeling van de Indianen veroordeelde. Zijn pleidooi voor een menswaardiger bestaan leidde tot de gedeeltelijke afschaffing van de slavernij door Karel V in 1542. Slechts in de door jezuïeten bestuurde nederzettingen (o.a. in Paraguay) genoten de Indianen enige bescherming tegen Spaanse en Portugese slavenhandelaars. Na de succesvolle onafhankelijkheidsstrijd tegen de Spaanse en Portugese Kroon probeerden de regeringen van de nieuwgevormde staten oplossingen te vinden voor het 'Indiaanse probleem', wat vrijwel steeds een sterke achterstelling van de oorspronkelijke bewoners tot gevolg had.

Tegenwoordig zijn de meeste Indianen als boer, pachter of dagloner werkzaam in de primitieve landbouw en veehouderij. Een aantal Indianen werkt onder vaak erbarmelijke omstandigheden op plantages, in mijnen en in de zoutwinning. Veel Indianen zijn formeel rooms-katholiek; zij hebben echter oude denkbeelden en gebruiken behouden, waardoor zich een proces van religieus syncretisme heeft voltrokken. Pas in de jaren zestig hebben kerkelijke leiders (o.a. Dom Helder CamaraDom Helder Camara) zich ingespannen om een verbetering te bewerkstelligen van de inferieure positie waarin de Indianen zich doorgaans bevinden. Dit veelal tot ongenoegen van de politieke machthebbers, die het ontluikend politiek bewustzijn van de Indianen (o.a. tot uiting komend in een grotere Indiaanse deelneming aan vakbonden en de stichting van eigen coöperaties en belangenorganisaties) eerder hebben belemmerd dan bevorderd. De energiecrisis in de eerste helft van de jaren zeventig heeft bijgedragen tot een verdere ontsluiting van het tropisch oerwoud; m.n. oliemaatschappijen en mijnbouwondernemingen hebben hun activiteiten in dit gebied uitgebreid, veelal met voorbijzien aan de rechten van de Indianen. Zo werden in Brazilië Indianen door huurlingen verdreven of vermoord, praktijken waartegen de staatsdienst voor de Indianen, FUNAI, vrijwel machteloos stond. De vaak gewelddadige confrontatie met de blanken heeft een desintegratie van de traditionele samenlevingsverbanden tot gevolg gehad. Veel Indianen zijn de slechte leefomstandigheden in de jungle, de bergen en op het platteland ontvlucht en naar de grote steden getrokken. De enorme veranderingen in de natuur (de bouw van wegen en stuwdammen, ontbossing ten behoeve van veeteeltprojecten, grootschalige exploitatie van bodemschatten) vormen een directe bedreiging voor zeer veel Indianen. Hun organisatie in vaak zeer kleine groepen bemoeilijkt hun kans om politiek en cultureel te overleven.