Zoekweergave hobo

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

hobo
Introductie

hobo (Ital.: oboe; Fr.: hautbois; Duits: Oboe; Eng.: oboe), muziekinstrument, behorend tot de groep houten blaasinstrumenten, waarbij de luchtkolom in het instrument door middel van een dubbelrietblad in trilling wordt gebracht. De buis heeft een nauwe conische boring en aan het einde een enigszins trechtervormig verwijde klankbeker. Het instrument bestaat uit de delen: dubbelriet, stift (waarop het dubbelriet is geplaatst), bovenstuk, onderstuk en beker, en is gewoonlijk van grenadilhout. De toongaten in de 66,5 cm lange buis kunnen door middel van kleppen gesloten of geopend worden, waardoor de luchtkolom verkort kan worden. Het kleppenmechanisme is ingesteld op de toonsoort D. De toonomvang is b (of bes) tot g3. De tonen van cis2 tot g3 worden verkregen door overblazen (wijzigen van de lippenspanning).

1. Geschiedenis

De geschiedenis van de hobo is globaal in twee perioden te delen, van de middeleeuwen tot de 17de eeuw en daarna. Vóór de 17de eeuw kan de pommer (met conische boring en dubbelriet) als belangrijkste voorloper van de hobo beschouwd worden. Het instrument werd in vele afmetingen gebouwd, van contrabas tot sopraan. De kleinere waren vervaardigd uit één stuk, hadden zeven vingergaten en geen kleppen. De grotere bezaten één tot vier kleppen (voor de pink en de duim van de onderste hand). De belangrijkste verschillen van de pommer met het rond 1680 in Frankrijk ontwikkelde instrument (hobo) liggen in de boring, de meerdeligheid, de verfijnde rietconstructie en de embouchure van de laatstgenoemde. Men neemt aan dat de Franse familie Hotteterre een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van de hobo heeft gehad. Ook verdere ontwikkelingen zijn sterk aan Frankrijk gebonden geweest. Vanaf 1700 werden verschillende technische verbeteringen aangebracht. Uitvindingen bij andere blaasinstrumenten (o.a. het Böhm-systeem bij de fluit) hadden ook invloed op de hobo-applicatuur (Buffet, Parijs 1844). Barret en Triébert ontwierpen midden 19de eeuw een hobo van een geheel nieuw type, met nauwe boring en verbetering van het kleppenmechanisme (het zgn. Parijse Conservatoriummodel). In Duitsland was tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw een hobo met wijdere boring algemeen in gebruik; door deze boring was de toon donkerder getint. Dit type is grotendeels verdrongen door de Franse hobo met nauwe boring, die gelijkmatiger is in alle registers en waarbij de hoge en lage tonen gemakkelijker aanspreken. Ondanks de vele verbeteringen in technische uitvoering blijven vrije aanzetten in het hoge en vooral lage register, en bindingen van grote toonafstanden altijd min of meer gevaarlijk. In Nederland hebben Jaap en Haakon Stotijn veel bijgedragen tot verbetering van de prestaties op het instrument.

2. Etnomusicologie

In de volksmuziek van alle landen van Europa kwamen (primitieve) hobo's en hobo-achtige instrumenten veelvuldig voor. Thans is dit niet meer het geval in Noord-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië), daarentegen wel in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa, de Balkan, Griekenland, Italië en Spanje, zij het onder diverse regionale namen en speeltechnieken: bombarde (Bretagne), gaita en gallega (Spanje), piffera en ciaramella (Abruzzen), tontarde (Vendée), zurna (Macedonië), pibcorn (Groot-Brittannië).

In de buiten-Europese muziek komt het instrument voor in Turkije (zoerna), de Arabische wereld (gaita), India (twee typen: shanai en nagasvaram), het Verre Oosten (China: kuan; Japan: hitsjiriki, charoemela; Achter-Indië) en Indonesië (tarompet, slompret). Kenmerkend bij al deze buiten-Europese hobo's is dat zij nimmer solistisch worden bespeeld, maar altijd in combinatie met andere instrumenten (bijv. zoerna + davoel-trommel in Turkije), voorts dat het riet geheel in de mond wordt gehouden, waarbij de wangen als luchtreservoir dienen.

3. Toepassing

De eerste werkelijk solistische toepassing van de hobo vindt men bij J.S. Bach, doch daar de hobotoon toen nog vrij scherp was, werden de soli vaak aan de oboe da caccia en de oboe d'amore (zie hierna) toevertrouwd. Händel componeerde al meer voor hobo; Telemann, Loeillet, Haydn en Mozart schreven vele werken voor dit instrument. Als solo-instrument is de hobo in de romantiek op de achtergrond geraakt, maar in het orkest is hij altijd zeer belangrijk gebleven. De toepassing in het orkest was geheel afhankelijk van het klankkarakter van de overige blaasinstrumenten. Vergelijkt men de toepassing bij Bach (Matthäus-Passion) en Gluck (Iphigenie in Aulis) met Mozart (Figaros Hochzeit) en Beethoven (6de symfonie) en in de 19de eeuw met Wagner, R. Strauss, tot in de 20ste eeuw Strawinsky en de contemporainen, dan valt een zich steeds wijzigende toepassing te bespeuren: van een melodische functie bij een aria tot een kleurschildering in het totale orkestpalet.

4. Andere typen hobo

De oboe d'amore (Ital.; Fr.: hautbois d'amour; Duits: Liebesoboe; Eng.: oboe d'amore) is een ca. 72, 5 cm lange hobo, een terts lager gestemd (in A) en transponerend. De toonomvang is gis–cis2. Hij heeft dikwijls een enigszins peervormige klankbeker en het iets grotere riet is bevestigd op een flauw gebogen stift. De klank is iets donkerder dan die van de hobo en heeft een intiem, liefelijk karakter. Vóór de 18de eeuw was het instrument niet bekend. J.S. Bach gaf de oboe d'amore verschillende soli in zijn werken. Het instrument vertoonde toen nog vele technische tekorten, waardoor het na Bach zelden werd toegepast. Nadat de Belgische bouwers Charles Mahillon (1874) en Lorée (1889) van de moderne hobo-applicatuur voorziene instrumenten bouwden, hebben verscheidene componisten het instrument weer voorgeschreven: R. Strauss (Sinfonia Domestica), Ravel (Bolero), Debussy (Gigues), Diepenbrock (muziek bij Elektra).

De althobo of Engelse hoorn (oude naam: oboe da caccia [Ital.: corno inglese; Fr.: cor anglais; Duits: Englisches Horn]), verhoudt zich tot de hobo als de altviool tot de viool; de stemming is een kwint lager. Het instrument heeft dezelfde applicatuur, is echter transponerend. De toonomvang is: e–a2. De buis is 90 cm lang; de klankbeker is peervormig. Het timbre is zeer geprononceerd en heeft een warme, melancholische ondergrond. De althobo wordt zeer veel toegepast als basstem bij twee hobo's of als melodie-instrument bij soli van lyrisch en pastoraal karakter. Reeds tegen het eind van de 17de eeuw werd de althobo gebouwd ter completering van de hobogroep. De ontwikkeling van hobo en althobo ging vrijwel gelijk op. Purcell schreef in zijn Diocletian (1691) reeds de althobo voor, Bach in de Matthäus-Passion. Behalve de benaming oboe da caccia komt ook de naam Taille in Bachs composities voor. Door technische tekorten komt het instrument tot Berlioz sporadisch voor. Berlioz gaf de stoot tot een hernieuwd gebruik, gevolgd door vrijwel alle grote romantici (Dvořák, Franck, Wagner) en in de 20ste eeuw door R. Strauss, Debussy, Ravel en Strawinsky.

Een principieel aan de hobo gelijk instrument – hoewel met een wijdere en sterker conische boring – is de heckelfoon, die voor het eerst geconstrueerd werd door Wilhelm Heckel Sr. in 1904. De lengte van het instrument bedraagt vanaf de stift tot de beker 138,5 cm. Met zijn sombere, dragende klank verschaft dit instrument een effectieve baspartij in het hobo-timbre.