| Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 4. Economie |
| 4.1 Algemeen |
Mede door de Industriële Revolutie werd Groot-Brittannië de eerste grote industriële natie. Het kwam tot grote bloei o.a. op het gebied van de handel, transport, industriële productie en van het bank- en verzekeringswezen. Omstreeks 1900 begon de concurrentie van de Verenigde Staten en van bepaalde landen op het Europese vasteland; na de Eerste Wereldoorlog bleken de Britse staalfabrieken, de mijnbouw, de scheepsbouw en de textielindustrie verouderd en verloor Groot-Brittannië geleidelijk aan zijn dominante positie. Door het (geleidelijke) verlies van de meeste koloniën na 1945 werd de economische basis smaller. Het herstel na de oorlogsjaren verliep met een economische groei van 2 à 3% per jaar (1945–1971) langzamer dan in de meeste andere West-Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. In de jaren tachtig werd een ingrijpende herstructurering ingezet. Veel van de staatsbedrijven die na de Tweede Wereldoorlog genationaliseerd waren, werden door de conservatieve-regering van M. Thatcher geprivatiseerd: onder meer de sectoren petroleum, gas, lucht- en ruimtevaart, autoindustrie, scheepvaart, wapens, openbaar vervoer, telecommunicatie, spaarbanken en staal. Financieel-economisch was het beleid succesvol: een relatief snelle en stijgende groei van het bnp, een dalend tekort van de overheidsfinanciën en daarmee samenhangend een dalende inflatie (1980: 18%, over de periode 1985–1994 5,4%, in 2001 nog slechts 0,7%). De relatief lage lonen maakten het land aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Daartegenover stonden de aanvankelijk snel oplopende werkloosheid (4% in 1979, 14% begin 1986, teruggelopen tot 5% in 2001), de grotere inkomenskloof (in 2001 leefde ca. 17% van de Britten onder de armoedegrens), een sinds 1982 steeds negatiever wordende handelsbalans en een sinds 1981 dalend overschot op de betalingsbalans (1981: US$ 17 501 miljoen, 1987: US$ 1178 miljoen). Belangrijke aardolievondsten en -exporten (sinds 1980) hebben een nog sterkere daling van de saldi voorkomen.
Ca. 19% van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie, die 25% van het bnp levert; ruim 80% is actief in de dienstensector (73% van het bnp) en slechts 1% is werkzaam in de landbouw (2% van het bnp).
| 4.2 Agrarische sector, bosbouw en visserij |
De landbouw heeft 80% van het landoppervlak in gebruik en voorziet – dankzij de opmerkelijke intensivering van de bedrijfsvoering – in ongeveer 70% van de Britse voedselproductie tegen 1/3 vóór de Tweede Wereldoorlog. De agrarische cultuurgrond omvat ca. 186 000 km2, waarvan ca. 64% valt in de categorie improved land, d.w.z. bouwlanden, tuingronden, boomgaarden en tijdelijke alsmede verbeterde blijvende graslanden. De rest wordt rough grazing genoemd, d.w.z. niet-verbeterde schrale natuurlijke weilanden op berghellingen, heidevelden e.d. Laatstbedoelde beslaan in Engeland en Wales ca. 1/6 van de cultuurgrond, in Noord-Ierland ca. 1/4 en in Schotland niet minder dan 3/4. Ongeveer 37% van het zgn. improved land wordt in beslag genomen door akkerland (vooral granen, haver en gerst). In 1994 waren er ongeveer 235 000 landbouwbedrijven van 1 ha en groter, met een gemiddelde oppervlakte van 65 ha. Van de boeren werkt ca. 75% fulltime in de landbouw. De bedrijven in Noord-Ierland zijn over het algemeen kleiner, waartegenover staat dat het bijna alle eigen bedrijven zijn. Aan de intensivering van de Britse land- en tuinbouw hebben in sterke mate mechanisatie en onderzoek bijgedragen. Hierdoor steeg bijvoorbeeld tussen 1961 en 1981 de productie van haver en aardappels met 63% resp. 45%. Het regeringsbeleid is er steeds op gericht geweest samenvoegingen te bevorderen. De landbouw droeg in 1995 voor 2% bij aan het bruto nationaal product, terwijl 1% van de beroepsbevolking er zijn werk vond.
De veehouderij (vooral in het westen) neemt een dominerende plaats in binnen de agrarische productie. De slachtveefokkerij is het belangrijkst; de schapenteelt is zowel om het vlees als om de wol van belang. Veeziektes brachten de sector in problemen door de exportverboden: de ontdekking van de gevaren van BSE (1996) en de epidemie van mond- en klauwzeer (2001).
De oppervlakte tuinbouwgrond is sinds de Tweede Wereldoorlog verminderd, maar door de sterke intensivering is de productie op peil gebleven. In Kent en de West Midlands bevindt zich de meeste tuinbouw.
Bosbouw. Van het landoppervlak van Groot-Brittannië was in 1995 10% met bos bedekt, d.w.z. bos dat onderhouden wordt en productief is. Daarvan is ca. 50% te vinden in Engeland, 40% in Schotland en de rest in Wales. Bijna 45% van dit bos wordt van overheidswege beheerd door de Forestry Commission. Het bosareaal wordt jaarlijks uitgebreid, waarvan een kwart in opdracht van de overheid en driekwart in opdracht van particulieren. De meeste aanplant vindt plaats in berggebieden, in het bijzonder in Schotland. De Britse houtbehoefte wordt slechts voor een gering deel door de binnenlandse productie gedekt.
Visserij. De Britse visserij die sinds de jaren zeventig sterk aan belangrijkheid heeft ingeboet, voorziet voor ongeveer tweederde in de nationale behoefte aan vis en visproducten. De Britse visserijvloot telde in 2000 ca. 8000 schepen. De vangst bedroeg 748 300 ton, met een totale waarde van £ 550 miljoen. De belangrijkste Engelse vissershavens zijn: Kingston upon Hull, Great Grimsby, Aberdeen, Fraserburgh (Grampian Region), Peterhead, Lowestoft en Great Yarmouth.
| 4.3 Mijnbouw |
Steenkool, aardolie en aardgas zijn de belangrijkste delfstoffen. De voornaamste mijngebieden zijn die van Yorkshire-Derbyshire-Nottinghamshire, Durham-Northumberland (Noordoost-Engeland), Zuid-Wales en Schotland. De steenkoolmijnbouw ondergaat ook hier ingrijpende structurele veranderingen. In de afgelopen jaren is een groot aantal minder rendabele mijnen gesloten en daalde de jaarlijkse productie van bijna 200 miljoen ton begin jaren zestig, tot ca. 34 miljoen ton in 2000.
De belangrijkste binnenlandse afnemers van steenkool zijn de elektrische centrales. Van groot belang zijn de aardolievelden op het Britse continentale plat in de Noordzee; de productie, waarmee in 1971 werd begonnen, bedroeg in 1999 130 miljoen ton. Groot-Brittannië is zelfvoorzienend sinds 1980. In 1986 werd i.v.m. de dalende aardolieprijs de productie verminderd, waardoor 22 000 mensen hun baan verloren. De Britse aardoliereserves worden op 1,5 miljard ton geschat. De aardoliewinning en -verwerking is, evenals die van gas, zeer kapitaalintensief. Dit verklaart grotendeels de discrepantie tussen het aandeel van de mijnbouw in de werkgelegenheid (1%) en dat in het bnp (10%). Sedert 1962 levert de Noordzee ook aardgas. Het gas wordt geëxploiteerd door drie dochtermaatschappijen van het staatsbedrijf British Gas. De gasreserves zijn waarschijnlijk toereikend voor binnenlands verbruik tot het jaar 2015 (geschatte reserves: 1600 miljard m3). In 1986 bood de gasproductie werk aan 89 000 personen.
Aan delfstoffen worden verder gewonnen: ijzererts (vnl. in het oosten van Engeland), zand, grind, kalksteen, zout, leisteen en porseleinaarde.
| 4.4 Energievoorziening |
Het merendeel van de geproduceerde energie wordt verkregen door warmtecentrales (steenkool, aardolie en -gas). Van groeiend belang is de kernenergie. Als eerste kerncentrale ter wereld leverde Calder Hall al in 1956 elektriciteit. In 2000 waren 35 kernreactoren in werking, die samen 22% van de Britse elektriciteitsproductie leverden. De nucleaire opwerkingsfabriek in Sellafield (vroeger Windscale) werd hevig bekritiseerd, omdat door talrijke storingen het milieu (m.n. het water in de Ierse Zee) in hoge mate aan straling zou hebben blootgestaan.
| 4.5 Industrie |
Ondanks het feit dat Groot-Brittannië in tal van industriële sectoren zijn leidende positie verloren heeft, is het land nog steeds een belangrijke producent van wollen goederen (de oudste Britse stapelindustrie), computers en andere kantoormachines, telecommunicatieapparatuur, glas, ijzer en staal. The British Steel Corp. werd begin jaren tachtig gesaneerd en in 1988 geprivatiseerd. Door sluiting van oude fabrieken, invoering van nieuwe technologieën en reductie van arbeidsplaatsen kon de productiviteit behoorlijk verhoogd worden. In 1999 fuseerde het bedrijf met het Nederlandse Hoogovens. In de scheepsbouw kon de productie van off-shore-middelen slechts gedeeltelijk de neergang tegenhouden. De meest expansieve sectoren zijn de elektronica-, chemische- en auto-industrie. Ook de luchtvaart- en ruimtevaartindustrie is belangrijk. De productie reikt van satellieten met burger- en militaire doelen tot hovercrafts. The British Aerospace Corp. is een van de grootste vliegtuigproducenten ter wereld. De chemische industrie staat in Europees perspectief op de derde plaats.
In Groot-Brittannië zijn sinds 1966 de industriële werkgelegenheid en de productie (als percentage van het bnp) aanzienlijk gedaald. Groei-industrieën hebben zich vooral in het gebied ten westen van Londen, als ook, maar geringer in omvang, in enkele Schotse steden gevestigd. Zie ook Noord-Ierland, Schotland, Wales.
| 4.6 Handel |
Groot-Brittannië is, ondanks de terugval sinds de jaren vijftig, nog steeds een van de belangrijkste handelsnaties. Gemeten naar de som van import en export komt het op de vierde plaats, na de VS, Japan en Duitsland. Het land exporteert luchtvaartproducten, motorvoertuigen, elektrische apparaten, chemische producten, minerale brandstoffen en machines. Vooral de uitvoer van ruwe grondstoffen (m.n. ruwe aardolie) maakte een sterke groei door in de jaren tachtig. Ook de uitvoer van diensten nam toe. Na de val van de dollarkoers is Groot-Brittannië wereldwijd de grootste netto-exporteur in het internationale dienstenverkeer. Tegenover een relatieve afname van de economische betrekkingen met de landen van het Gemenebest sinds de jaren zestig staat een toename van de handel met de EU-landen.
Oorzaken voor het tekort op de handelsbalans (ruim US$ 27 miljard in 2000) zijn de daling van de prijs van ruwe aardolie, een toename van de import en een grotere binnenlandse vraag.
| 4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking |
De in 1974 aangetreden Labour-regering blies de uit 1967 daterende premieregeling voor regionale werkgelegenheid nieuw leven in. In de regeringsperiode van Margaret Thatcher (1979–1990) werd een op de vraag gerichte economische politiek met sterke neoclassicistische elementen gevoerd. Deze politiek leidde tot een aanzienlijke reductie van overheidsactiviteiten (o.a. op het sociale terrein), tot (her-)privatisering van staatsbedrijven en traditioneel openbare instellingen en tot een afbouw van subsidieverstrekkingen.
| 4.8 Bank- en verzekeringswezen |
De Bank of England, opgericht in 1694, is geruime tijd de enige Britse bank van betekenis gebleven. Pas in 1833 werd de eerste zgn. joint stock bank opgericht, de London and Westminster Bank, spoedig gevolgd door vele andere. Deze banken hebben zowel een krachtige ontwikkeling te zien gegeven als een sterk streven naar concentratie, zodat in Londen nog slechts vier zelfstandige banken tot deze categorie behoren (de Big Four: Barclays, Lloyds, Midland, National Westminster). Hun karakter komt het meest overeen met dat van de Nederlandse handelsbanken, zij het met één belangrijk verschil: met het emissiebedrijf houden zij zich niet bezig. Naast deze groep van joint stock banks (ook genoemd de ‘London clearing banks’ of ‘deposit banks’) bestaat de categorie van ‘bill brokers’ en ‘discount houses’. Zij treden vnl. op als kopers van handelswissels en schatkistpapier. Een volgende categorie, typisch voor het Britse bankwezen, is die van de merchant bankers of accepting houses, gewoonlijk voortgekomen uit koopmanshuizen die zich gingen toeleggen op acceptkrediet. Een speciale rol speelt de National Giro Bank (in 1968 opgericht, nu Girobank), de facto een clearing bank, die in meer dan 17 500 postkantoren vrijwel alle bankzaken aanbiedt. Andere bijzondere banken zijn de National Savings Banks, voortgekomen uit het spaarbankwezen, die eveneens in postkantoren slechts eenvoudige bankzaken aanbieden, en de Trustee Savings Banks, die zich dankzij de wetgeving van 1984 tot een volwaardige en in het hele land vertegenwoordigde bank heeft ontwikkeld (in 1995 gefuseerd met Lloyds Bank).
Londen is vanouds een internationaal financieel centrum; de stad beschikt over een van de grootste bankconcentraties ter wereld en is het belangrijkste centrum voor de verzekeringswereld. De beurs aldaar, The Stock Exchange, behoort tot de drie belangrijkste kapitaalmarkten ter wereld. De beurs profiteert van het tijdsverschil tussen New York en Tokyo: Londen is geopend als Tokyo sluit en New York nog moet openen.
| 4.9 Verkeer |
Van de totale Britse beroepsbevolking was in 1993 ruim 5% werkzaam in de verkeerssector.
Scheepvaart. De Britse handelsvloot is in mondiaal opzicht betekenis aan het verliezen; in 1977 vervoerde zij 8% van het wereldtonnage, in 1988 nog slechts 1,7%. Groot-Brittannië en Noord-Ierland tellen tezamen ruim 300 grote en kleinere zeehavens. De belangrijkste havens zijn: Londen, Liverpool, Manchester, Southampton, Newcastle-upon-Tyne.
Slechts een zeer klein deel van de kanalen en rivieren (over een lengte van 3200 km bevaarbaar) wordt gebruikt voor commerciële scheepvaart.
Luchtverkeer. Er zijn 21 grote commerciële luchthavens, waarvan Heathrow (Londen) verreweg de grootste is (en ook de grootste van Europa). British Airways (in 1987 geprivatiseerd) is de belangrijkste luchtvaartmaatschappij.
Landverkeer. De hier volgende gegevens betreffende het rail- en wegverkeer hebben uitsluitend betrekking op Groot-Brittannië; zie voor de overeenkomstige cijfers voor de rest van het land Noord-Ierland: verkeer. De Britse spoorwegen werden in 1947 omgevormd tot staatsbedrijf onder de naam British Railways. Tussen 1993 en 1997 werd het bedrijf grotendeels geprivatiseerd: de lijnen werden verkocht aan particuliere ondernemingen; voor het beheer van de infrastructuur werd een apart bedrijf gesticht, RailTrack. Na een aantal ernstige ongelukken werd het spoor in 2002 onder de hoede gesteld van een onderneming zonder winstoogmerk, Network Rail. De lengte van het spoorwegnet bedroeg in 2001 16 878 km. De spoorwegtunnel onder Het Kanaal werd in 1994 in dienst genomen. Het wegennet bestond in 2001 uit 371 000 km, inclusief hoofdwegen (zgn. trunk roads), die geheel ten laste komen van het rijk, waarvan 3000 km autoweg (aangeduid met de letter M, van Motorway), 35 000 km zgn. principal roads, die deels ten laste komen van het graafschap waarin ze liggen, en ca. 304 000 km andere wegen, die vallen onder de financiële verantwoording van de plaatselijke autoriteiten. Pas in 1955 begon men met de aanleg van autowegen.