Zoekweergave Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Introductie

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (officieel: United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland; afkorting: UK), koninkrijk in West-Europa, op de Britse Eilanden, 244 110 vierkante kilometer (1998 reëel), met 60 776 238 inwoners (2007 schatting); 252 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Londen (London). Munteenheid is het Pound Sterling (£), verdeeld in 100 pence. Nationale feestdag is 21 april, de verjaardag van koningin Elizabeth II. De internetlandcode (TLD) is uk.

Het Verenigd Koninkrijk omvat de vroegere koninkrijken Engeland en Schotland en het voormalige prinsdom Wales, alsmede Noord-Ierland en een aantal eilanden(groepen), waarvan de grootste zijn: de Orkney Islands en de Shetland Islands in het noorden, de Hebriden in het westen, Anglesey en Man in de Ierse Zee, Wight en de Kanaaleilanden in Het Kanaal. Deze laatste (de eilanden Jersey en Guernsey) en het eiland Man behoren staatsrechtelijk niet tot het Verenigd Koninkrijk; ze vallen direct onder de Kroon (Crown dependency).

De 14 Britse overzeese gebieden (waaronder Anguilla, Bermuda, de Britse Virgin Islands, de Cayman Islands, de Falklandeilanden, Gibraltar, de Pitcairneilanden, Sint-Helena en de Turks and Caicos Islands) worden niet beschouwd als deel uitmakend van het Verenigd Koninkrijk, maar vallen wel onder Britse soevereiniteit. Voorheen sprak men van kroonkolonies (tot 1981) of Britse afhankelijke gebieden (tot 2002).

Groot-Brittannië trad in 1973 toe tot de Europese Unie, maar stelt zich doorgaans terughoudend op als nationale bevoegdheden overgedragen moeten worden. Zo ging het land in 1999 niet over tot invoering van de euro. Onder de vanaf 1997 regerende Labour Party ontwikkelde de economie zich voorspoedig en kregen de landsdelen Schotland en Wales meer autonomie. In Noord-Ierland, dat al ruim dertig jaar wordt geteisterd door sektarisch geweld en terroristische aanslagen, werd met het Goede Vrijdagakkoord van 1998 een belangrijke stap naar de vrede gezet.

1. Landschap, klimaat en natuur
1.1 Landschap

Het hoofdeiland Groot-Brittannië, 229 884 km2, is van het Europese vasteland gescheiden door de Noordzee en Het Kanaal. Geen punt ligt verder dan 120 km van de zee verwijderd. De kusten zijn sterk geleed, in het bijzonder de westkust van Schotland. Het ontstaan der zeer talrijke, meestal vertakte en van vooruitspringende rotsen, eilanden en klippen vergezelde kleinere bochten aan Schotlands westkust (aldaar het type van de Noorse fjorden vertonende) staat in verband met het feit dat de meeste niets anders zijn dan het onderste deel van de dalen van de berglandschappen waarin de zee binnengedrongen is bij de positieve niveauverandering. Hun verdere modellering is ontstaan door de zeer sterke branding en de getijden. De oostkust is, overeenkomstig het vlakke karakter van het achterland, eentonig gevormd. Vlakke kusten, soms met duinen en waddenvorming, hebben de overhand, maar ook hier wordt de kustlijn onderbroken door verdronken rivierlaagten.

Naar de morfologie is Groot-Brittannië te onderscheiden in een noordwesthelft, bestaande uit een uit oudere gesteenten samengesteld bergland, en een zuidoosthelft, welke min of meer het karakter van een vlakte draagt en waarin jongere gesteenten overheersen. Het grootste deel van Schotland wordt ingenomen door Caledonische gebergten en kan in drie grote natuurlijke landschappen worden verdeeld, nl. de noordelijke hooglanden (Ben Wyvis 1043 m, Scourna Lapick 1151 m, Ben Dearg 1081 m), het centrale hoogland of de Grampians (Ben Nevis 1343 m, Macdhui 1309 m, gekenmerkt door diep ingesneden dalen, en overwegend met venen en heiden bedekt) en de door de brede en vruchtbare slenk van de Schotse laaglanden van de noordelijke hooglanden gescheiden zuidelijke hooglanden. Zowel de noordelijke als de zuidelijke hooglanden vormen een versneden plateau, met enkele hogere alleenstaande toppen, met dit verschil, dat de zuidelijke hooglanden (Broad Law 835 m, Merrick 843 m, Hart Fell 804 m) lager zijn. In Engeland en Wales zijn de Caledonische gebergten vertegenwoordigd door het massief van Cumberland (Sea Fell 984 m). Voorts behoren tot de Caledonische vormingen de berglanden van Noord- en Midden-Wales (Snowdon 1094 m).

Tot de Variscische plooiingsgebergten in Groot-Brittannië behoort in de eerste plaats het Penninisch Gebergte. Van het zuiden (Weaverstick 351 m) strekt het zich over ca. 250 km naar het noorden uit en bereikt de grootste hoogte in de Cross Fell (893 m). Het zuidelijk deel, het Peakgebergte, is vooral een mijn- en weidegebied, het noordelijk deel is grotendeels met heide en veen bedekt. Nog verder noordwaarts zet het Penninisch Gebergte zich voort in de Cheviot Hills (867 m) op de grens tussen Engeland en Schotland. Verder behoren tot deze Variscische gebergten het bergland van Zuid-Wales en het bergland van Cornwall. De Mendip Hills in de graafschappen Somerset en Avon staan met deze Variscische gebergten in nauw verband.

Ook het zuidoostelijke, vlakke deel van Groot-Brittannië valt in een aantal kleinere gebieden uiteen, in de eerste plaats de vlakte van de Midlands (vlakte van Lancashire, Cheshire, Leicester, Vale of York), die in een V-vorm het zuidelijk deel van de Penninische Gebergten omsluit. Oostelijk hiervan ligt een cuestalandschap, bestaande uit een afwisseling van in feite uit harde gesteenten bestaande cuestaranden en brede, vlakke, meest met klei gevulde dalen (vales), die de uitgeruimde, zachte gesteentelagen representeren. In Engeland komen enkele van deze series van cuestalandschappen voor: 1. de heuvelreeks Cleveland Hills – Lincoln Edge – Cotswold Hills (346 m); 2. de laagtenzone van de Vale of Pickering, Lincoln Vale, de Fenlands, Vale of Aylesbury, Vale of the White Horse; 3. de krijtcuesta van de Yorkshire Moors (454 m), Lincoln Wolds, Chiltern Hills (275 m), East Anglian Heights, Rambourne en Marborough Downs (295 m), die zich in het noorden van Wiltshire tot een breed plateau (vlakte van Salisbury) verbreedt. Het uiterste zuiden en zuidoosten van Engeland vormen cuestalandschappen. De North Downs, die in het westen met de vlakte van Salisbury in verbinding staan, en de South Downs vormen de uit kalk bestaande cuesta-steilranden, terwijl daartussen een lager gebied (the Weald) gelegen is, dat uit twee vales en een zandige, centrale kern (Ashdown Forest) bestaat.

Het Noord-Ierse landschap is door langdurige denudatie van de Caledonische massieven betrekkelijk vlak, met meer reliëf in de oostelijke tertiaire granietintrusies (Mournegebergte, 850 m) en in het oosten van het tertiaire basaltgebied van Antrim, dat ten noorden van Lough Neagh een vrij vlakke, lage ligging heeft (zie hiervoor verder bij Ierland).

1.2 Rivieren en meren

Engeland heeft een groot aantal kleine rivieren; de grootste, de Theems (Thames), is slechts 336 km lang (waarvan 280 km bevaarbaar). Er zijn 55 bevaarbare rivieren, waarvan de voornaamste zijn: de Theems, Ouse, Trent, Humber, Tees, Wear en Tyne in het oosten, de Avon in het zuiden, de Severn, Dee en Mersey in het westen. De meeste worden gekenmerkt door een diep bed, waterrijkdom, weinig verval, een rustige loop, aanzienlijke bevaarbaarheid en mondingen waarin de uitschuring door de getijden verzandingen belet; zelfs hebben deze getijden de monding van vele rivieren in diep indringende zeeboezems veranderd. De kanalen bezitten merendeels een geringe capaciteit. De meren, vooral in het veel bezochte Lake District, zijn niet groot, maar wel fraai (Windermere, 15 km2; Ullswater, 9 km2). De vloed is aan de westkust het hoogst; in de Solway Firth en aan de Severnmond is hij zeer onstuimig en bereikt een snelheid van 16 km per uur en een hoogte van 13–14 m. Aan de Theemsmonding is hij gewoonlijk nauwelijks 5 m hoog.

In Schotland ontspringen bijna alle rivieren op het gebergte, hebben een veel snellere loop dan in Engeland en zijn minder voor de scheepvaart geschikt. De voornaamste zijn in het oosten de Tweed, Forth, Tay, Dee, Don, Spey en Findhorn en in het westen de Clyde. De talrijke meren (lochs) in Schotland zijn deels zoetwatermeren (in glaciale trogdalen, aan de benedenzijde door eindmorenen afgesloten), deels diep het land binnendringende zeearmen, bijna alle gekenmerkt door buitengewone rijkdom aan vis. De grootste zijn: Loch Lomond (71 km2), Loch Ness (56 km2) en Loch Awe (38 km2).

Wales heeft slechts één meer van betekenis, het Balameer. De belangrijkste rivieren zijn: Wye, Usk, Taff, Neath en Tawe.

Lough Neagh in Noord-Ierland, 383 km2, is het grootste meer van de Britse Eilanden, ontstaan door isostatische daling van het centrale deel van het Antrimplateau; het wordt ontwaterd door de Bann en is van belang voor de sportvisserij.

1.3 Geologie

De geologie van Groot-Brittannië is zeer gevarieerd. De oudste gesteenten worden gevonden in Noordwest-Schotland, waar het zgn. Lewisien uit hoog metamorfe gneisen bestaat, die in het Precambrium gevormd werden tijdens twee orogenesen, gedateerd op 2600 en 1500 miljoen jaar. Ook op de Hebriden en op het eiland Anglesey vindt men precambrische gesteenten, maar de laatstgenoemde zijn minder hoog metamorf. Nadat het Precambrium door erosie was blootgelegd, vormde zich een grote geosynclinale in Schotland, Noord-Engeland en Wales, die gevuld werd met jong-precambrische, Cambrische en ordovicische sedimenten en vulkanische gesteenten. In Schotland horen de formaties Moinien, Dalradien en Torridonien hiertoe. Tijdens de Caledonische plooiingsperiode in het Siluur werd de geosynclinale sterk geplooid, waarbij in Schotland grote liggende plooien en overschuivingen gevormd werden, waaronder de bekende Moine-overschuiving. Tevens vond een intensieve regionale metamorfose plaats en intrudeerden grote granietlichamen. In Noord-Engeland en Noord-Wales was de plooiing minder intensief en werden de gesteenten niet gemetamorfoseerd. Het Caledonisch gebergte wordt discordant bedekt door de Old Red Sandstone van Devonische ouderdom. Verder zuidwaarts, vnl. in Zuidwest-Engeland, had zich intussen een nieuwe geosynclinale gevormd, waarin hoofdzakelijk Devonische en Carbonische sedimenten werden afgezet. Deze gesteenten werden tijdens de Variscische orogenese geplooid. Aan het einde van deze periode intrudeerden in Cornwall grote granietlichamen, o.a. de Dartmoor-graniet. Het Variscisch gebergte wordt op zijn beurt discordant bedekt door de New Red Sandstone van Permo-triadische ouderdom. Daarna volgt een vrijwel volledig Mesozoïcum en Tertiair dat over het algemeen vrij vlak ligt, slechts plaatselijk geplooid is en geheel Zuidoost-Engeland bedekt. Hiertoe behoren o.a. de Krijtrotsen van Dover.

1.4 Klimaat

Het klimaat is het meest maritieme van West-Europa, uiteraard een gevolg van de ligging, midden in de Noord-Atlantische Golfstroomdrift, maar vooral van het sterk overheersen van zuidwestelijke winden, die vochtige zeelucht aanvoeren. Het sterk maritieme karakter blijkt o.a. uit de geringe jaarlijkse gang van de temperatuur, die in Zuidoost-Engeland 13°C bedraagt. De winters zijn in het algemeen zacht en de zomers koel. Slechts wanneer 's winters door oostelijke winden continentale lucht wordt aangevoerd, kunnen zeer lage temperaturen voorkomen.

De luchtvochtigheid is gewoonlijk groot. Mist is vrij frequent, meer dan vijftig dagen per jaar in het industriegebied van Midden-Engeland. Ook de gemiddelde bedekkingsgraad van de hemel is betrekkelijk groot, zoals blijkt uit het percentage zonneschijn: 30 tot 40% langs de zuid- en oostkust; langs de westkusten minder, een minimum van minder dan 20% in het Schotse hoogland. Het aantal dagen waarop neerslag wordt waargenomen, bedraagt op de meeste plaatsen meer dan 200 per jaar, in Schotland zelfs meer dan 250. De neerslag hangt in hoofdzaak samen met over of ten noorden van de Britse Eilanden passerende depressies. Deze veroorzaken ook de krachtige winden in het westen en het noorden: ca. 30 dagen per jaar met een windkracht 8 of hoger. Door stuw zijn de neerslaghoeveelheden het grootst langs de westkusten en speciaal daar waar deze bergachtig zijn. Zo valt er per jaar meer dan 1500 mm in Noordwest-Schotland tegen minder dan 600 mm langs grote delen van de oostkust van Schotland en Engeland. Langs de westkust is de winter het neerslagrijkste jaargetijde, in het midden en langs de oostkusten is de jaarlijkse gang van de neerslag weinig uitgesproken. Overigens varieert de neerslag sterk van jaar tot jaar, zodat de gemiddelde cijfers slechts een zeer gebrekkig beeld geven van de neerslagverdeling. Gemiddeld valt langs de oostkust van Schotland sneeuw op 30 tot 35 dagen per jaar, langs de westkust veelal op minder dan 20 dagen. In Zuidoost-Engeland bedraagt het gemiddelde aantal sneeuwdagen meer dan 15, langs de westkust van Wales ca. 7.

1.5 Plantengroei

De plantengroei verraadt vele invloeden. Door de ijstijden van het Pleistoceen was alle plantengroei, behalve wat lage toendrabegroeiing, in het grootste deel van wat nu als de Britse Eilanden bekend staat, vernietigd. Het terugtrekken van het ijs maakte opnieuw begroeiing van het land mogelijk. De afscheiding van de Britse Eilanden van het Europese vasteland vond echter plaats vóórdat deze herbegroeiing voltooid was, waardoor verschillen met de vegetatie van het continent bleven bestaan.

Van Schotlands oorspronkelijke plantengroei is zeer weinig overgebleven. Ongeveer 7000 tot 5000 jaar geleden bedekten met iep, es en linde vermengde eikenwouden de laaglandgebieden in Zuid- en Midden-Schotland. Wouden met berken en dennen bedekten de rest van het land. Kleine dennenbossen bestaan nog in de Hooglanden, maar de klimaatverslechtering heeft de heuvels in boomloze heidegronden veranderd en de laaglanden werden door de mens tot akkers gemaakt. Tegenwoordig echter vindt in de Hooglanden herbebossing op grote schaal plaats.

In Noord-Ierland groeien zegge en veenmos op het laagveen, met heide en brem op de drogere plekken. De recente aanplant van coniferen in staatsbossen verandert echter het uiterlijk van vele heuvels. Stukken loofbos vindt men nog in het laagland, vooral op landgoederen. Veel van het bergachtige Wales en Noordwest- en Zuidwest-Engeland is met hei bedekt, met daartussen beboste heuvels (veelal beplant met coniferen) en valleien, ontgonnen voor de landbouw. Het laagland van Zuid-Engeland is thans hoofdzakelijk voor de landbouw in gebruik en de beboste aanblik van sommige graafschappen is grotendeels schijn, daar deze veroorzaakt wordt door rijen bomen die als afscheiding gebruikt worden en door kreupelhout. De eik en de olm zijn de overheersende boomsoorten op de vruchtbare kleigrond van het laagland; beuk en lariks behoren tot de weinige bomen die op de kalksteengronden groeien.

1.6 Dierenwereld

De dierenwereld is een verarmde Noordwest-Europese, waar in het noorden enkele arctische vormen bij komen, terwijl enkele Zuid-Europese soorten de kust van de Atlantische Oceaan volgen. In Schotland leven o.m. de sneeuwhaas, het Schotse sneeuwhoen en de morinelplevier; edelhert en ree zijn daar algemeen en talrijk; ook leeft daar nog de wilde kat. In Engeland zijn edelhert en ree meer lokaal verspreid; het, oorspronkelijk ingevoerde, damhert heeft een vrij algemene verspreiding. Vos, das en otter zijn in Groot-Brittannië algemeen, de laatste echter niet talrijk. Op enkele plaatsen wordt nog de boommarter aangetroffen. Op de Farne Islands is een zoölogisch reservaat, o.m. voor de grijze zeehond en een groot aantal zeevogelsoorten. Er zijn vele, meestal kleine, vogelreservaten; een van de bekendste is het Orfordness-Havergate-reservaat aan de zuidoostkust. Onder de vogels komen enkele van de continentale afwijkende geografische vormen voor (Engelse witte kwikstaart, goudvink); ook een aantal insecten en slakken vertoont afwijkende vormen. De enig giftige slang is de adder. In vele rivieren en beken zijn zalmen en forellen nog gewoon. De zee is vooral aan de rotsachtige kusten rijk aan soorten. De natuurbescherming maakt een snelle ontwikkeling door. Er zijn 10 nationale parken (2 miljoen ha), 100 staatsnatuurreservaten, voorts wild-, waterwild- en bosreservaten en een vrij groot aantal particuliere reservaten.

2. Bevolking

De bewoners van het Verenigd Koninkrijk stammen af van een reeks bevolkingsgroepen die zich in de loop van duizenden jaren op de Britse Eilanden hebben gevestigd. De laatste invasie was die van de Normandiërs (1066). Vóór hen zijn verschillende pre-Keltische en Keltischtalige bevolkingsgroepen naar Groot-Brittannië en Ierland gekomen, gevolgd door de Romeinen (55 v.C. – 410 n.C.), de Angelsaksen (met Friezen) en de Vikingen (zowel Denen als Noren). Het is niet mogelijk het aandeel van deze groepen in de hedendaagse bevolking te bepalen. De verspreiding van de Keltische talen en het Engels biedt daarvoor zeker geen houvast. Het aantal immigranten uit het Britse Gemenebest dat na de Tweede Wereldoorlog in het Verenigd Koninkrijk kwam wonen, én hun nakomelingen, werd in 2001 op 4% van de totale bevolking geschat. Ca. 90% van hen woont in de stedelijke gebieden van Londen, Manchester en Glasgow. Sinds 1962/1968 werd immigratie aan steeds strengere regels gebonden.

2.1 Demografie

Het geboortecijfer bedraagt 10,70 geboorten per 1000 inwoners (2007 schatting), het sterftecijfer 10,10 sterfgevallen per 1000 inwoners (2007 schatting). In de periode 1995–2000 nam de bevolking jaarlijks gemiddeld met 0,3% toe. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte is 78,7 (2007 schatting) jaar. Van de bevolking was in 2000 19% jonger dan 15 jaar, 15,7% ouder dan 65 jaar. Vergrijzing zal in de komende decennia leiden tot afname van de bevolkingsgroei.

2.2 Spreiding

Het leeuwendeel van de Britse bevolking is woonachtig in Engeland (82%), 9% in Schotland, 3% in Noord-Ierland en 5% in Wales. De Britse bevolking is voor 89% woonachtig in steden en voorsteden. Om stedelijke congestie tegen te gaan, is een aantal new towns gebouwd resp. gepland. Meer dan een derde van de bevolking is geconcentreerd in acht Metropolitan areas, waarvan Greater London met 7,2 miljoen inwoners (2002) de grootste is.

2.3 Taal

In alle delen van het land wordt hoofdzakelijk Engels (zie Engelse taal), de officiële taal, gesproken. In Wales wordt het Welsh door bijna 19% van de bevolking gesproken. Het Scottish Gaelic wordt nog slechts door 1,8% van de bevolking gesproken, vnl. op de Hebriden, en ook in Noord-Ierland is het Gaelic vrijwel verdwenen. Het Manx op het eiland Man en het Kornisch in Cornwall zijn vrijwel uitgestorven talen.

2.4 Religie

Van de bevolking behoort ca. 72% tot een staatskerk of een vrije kerk, ca. 8% is rooms-katholiek en ruim 2,5% is islamitisch. Voorts zijn er 400 000 sikhs, 350 000 hindoes, 300 000 joden en 25 000 boeddhisten.

Staatskerken zijn de Church of England (zie Anglicaanse Kerk) en de presbyteriaanse Church of Scotland (zie Schotse Kerk). In Wales is de Anglicaanse Kerk sinds 1920 geen geprivilegieerde staatskerk meer. Er bestaat volledige vrijheid van godsdienst. De Koning(in) moet lidmaat zijn van de Church of England en moet bij de troonsbestijging beloven de kerk te beschermen. Wanneer hij (zij) in Schotland vertoeft, is hij (zij) lid van de Schotse Kerk. Met de Church of England verbonden is de zgn. Anglican Communion.

De Vrije Kerken (Free Churches) zijn ontstaan vnl. uit verzet tegen staatsinmenging in kerkelijke zaken. De belangrijkste ervan zijn de Methodistische Kerk, de United Reformed Church en de Baptistenkerken. Naast de Schotse presbyteriaanse staatskerk zijn er diverse presbyteriaanse kerken (vooral in Schotland en Noord-Ierland). Andere protestantse denominaties zijn o.m.: de unitarische en vrije christelijke kerken, de Churches of Christ (in de Verenigde Staten bekend als Disciples of Christ), de Free Church of England (of Reformed Episcopal Church), gevormd in 1844 als een direct gevolg van de Oxford Beweging, de Society of Friends (Quakers) en de Salvation Army (Leger des Heils).

Rooms-Katholieke Kerk. De kerkelijke hiërarchie werd in Engeland en Wales hersteld in 1850, in Schotland in 1878; de meeste hier gevestigde rooms-katholieken zijn uit Ierland afkomstig. Er zijn in Engeland en Wales vijf aartsbisdommen en vijftien bisdommen; Schotland telt twee aartsbisdommen en zes bisdommen; Noord-Ierland maakt deel uit van de kerkprovincie Armagh en heeft op zijn grondgebied de zetels van een aartsbisdom (Armagh) en vier bisdommen.

In Noord-Ierland is 35% van de bevolking rooms-katholiek, 29% presbyteriaans en 24% lid van de staatskerk, de Church of Ireland. Londonderry is overwegend katholiek, Belfast protestants.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting

Het Verenigd Koninkrijk is een constitutionele monarchie, welker staatsbestel echter niet in een grondwet verankerd is. Een belangrijk onderdeel van het Britse staatsrecht is de common law, rechtsregels die historisch gezien in eerste instantie teruggaan op gewoonterecht. Een voorbeeld is de erkenning van het parlement als wetgevend orgaan. Iets dergelijks geldt voor de speciale voorrechten van de beide huizen van het parlement (privileges). De zgn. grondrechten zijn volgens het Engelse systeem een uitvloeisel van de common law; het Habeas Corpus, een rechterlijk bevel om een bepaald persoon voor de rechter te doen verschijnen, is een voorbeeld daarvan. Ook de speciale bevoegdheden van de Kroon (the royal prerogative) vinden hun erkenning in de common law. In deze samenhang is wetgeving ook van belang. De lange rij van documenten in deze categorie begint met de Magna Charta (1215); dan volgen de Petition of Rights (1628), de Bill of Rights (1689), de Act of Settlement (1701), de Act of Union of Scotland, waarbij Schotland en Engeland (Wales inbegrepen) tot een constitutionele eenheid werden gemaakt, de Reform Act (1832), die het proces van rationalisering en democratisering van het kiesstelsel inluidde, en de Parliament Act (1911), welke de wetgeving-remmende bevoegdheid van het Hogerhuis inperkte (maximaal tot twee jaar, later gereduceerd tot één jaar). Bij de Parliamentary Commissioner Act 1967 werd het instituut van de Ombudsman ingevoerd, zij het met beperkte draagwijdte. Zie ook parlement.

Eind jaren tachtig werd het ontbreken van een geschreven grondwet steeds meer als een gemis en een bedreiging van bepaalde burgerrechten ervaren. De hervormingsbeweging Charter 88 pleit sinds 1988 behalve voor een geschreven grondwet tevens voor een hervorming van het Britse kiesstelsel en voor een grotere vrijheid van informatie.

Uit het bovenstaande blijkt dat de gewone wetgever en de gewone rechter de ontwikkeling van het constitutionele recht in Groot-Brittannië bepalen. De rechter kan de wet niet toetsen op haar grondwettigheid, daar alle wetten gelijke gelding hebben. Wel bestaat tot op de huidige dag het vermoeden – van belang bij de uitleg van wetten – dat de wetgever de bedoeling niet heeft de common law te veranderen.

Uit de twee tot dusverre besproken bronnen (common law en wetten) kan men echter het huidige Engelse staatsrecht slechts ten dele leren kennen. Het is de derde rechtsbron, de conventions, die het eigenlijke karakter van het huidige staatsrecht van Groot-Brittannië bepaalt.

De Kroon is erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke lijn. De bevoegdheden van de Kroon worden weliswaar formeel door de drager van de koninklijke waardigheid uitgeoefend, maar dit geschiedtin feite door het Kabinet, dat tegenover de volksvertegenwoordiging, het Lagerhuis, verantwoordelijk is. De koning oefent ceremoniële en representatieve functies uit; daarnaast heeft hij van tijd tot tijd een aanwijsbare invloed op staatszaken. Hij staat in nauw contact met de premier (Prime Minister, officieel First Lord of the Treasury geheten); hij heeft nl. het recht om over meer belangrijke vraagstukken geraadpleegd te worden en kan adviseren en waarschuwen. Bovendien benoemt hij de premier na algemene verkiezingen en in andere gevallen waarin aan een nieuwe benoeming behoefte bestaat. Krachtens een ‘convention’ wordt altijd de leider van de partij die de meerderheid van de zetels in het Lagerhuis bezit, tot premier benoemd.

Het kabinet is het centrale, uitvoerende gezagsorgaan van de staat. Het begrip ‘regering’ is ruimer: het omvat alle ministers, ook die welke geen zitting hebben in het kabinet, en ook meer ondergeschikte regeringsfunctionarissen. De premier wijst de leden van het kabinet en verdere personen aan die regeringsfuncties gedurende de ambtsperiode van zijn kabinet zullen bekleden. De kabinetsleden moeten zitting hebben in het Lagerhuis of het Hogerhuis (voor de posten: premier, minister van Buitenlandse Zaken en minister van Financiën is het Lagerhuis vereist). De premier heeft het recht een lid van zijn regering tot aftreden te dwingen. Verantwoordelijkheid voor de daden van de regering tegenover het parlement is collectief. Het Lagerhuis kan, door zijn afkeuring tegenover de regering uit te spreken, deze dwingen tot aftreden óf, na ontbinding van het huis, nieuwe verkiezingen te houden.

De Privy Council (de particuliere raad van de koning, bestaande uit ca. 330 leden) heeft – behalve voor zover het de Judicial Committee betreft – nog slechts ceremoniële betekenis. Leden van het kabinet worden nog steeds tot leden van dit lichaam benoemd. Het kabinet heeft zich – historisch gezien – uit een groepering binnen de Privy Council ontwikkeld. Tot 1931 dienden kolonies en Gemenebestlanden wetsvoorstellen bij de Privy Council ter goedkeuring aan te bieden. Canada was in 1939 het eerste land dat van het recht op wetgeving zonder inmenging van de Privy Council gebruik maakte. Nadien gingen ook de meeste (ex-)kolonies tot deze vorm van ‘autonome’ rechtgeving over. De Judicial Committee zit verder als hoogste instantie zaken voor die aanhangig waren voor het Prijzenhof, en voor het Medisch Tuchtcollege.

Het Hogerhuis (House of Lords) stemde in 1999 in met een ingrijpende hervorming, die een einde moest maken aan de traditionele overmacht van de Conservatieve leden. Tot dan hadden leden van de erfelijke adel (peers) automatisch recht op een zetel. De meesten van hen moesten nu hun zetel afstaan; in 2002 resteerden 92 zetels voor de erfelijke adel, tegenover ruim 700 in 1999. Tegelijk werd het aantal zetels voor de life peers uitgebreid: deze personen die door de regering op grond van hun maatschappelijke verdiensten voor het leven in de adelstand zijn verheven, vormen nu verreweg de grootste groep in het Hogerhuis. In 2001 werden de eerste vijftien people’s peers benoemd: personen die zich hiertoe hadden aangemeld en die geselecteerd waren door een door de premier benoemde commissie. Voorts hebben er zitting 24 bisschoppen en 2 aartsbisschoppen van de Anglicaanse Kerk, de leden van het hoogste gerecht van Groot-Brittannië, dat formeel een commissie van het Hogerhuis is en bekend staat onder de naam Appelate Committee of the House of Lords, en twee andere hoge rechterlijke functionarissen aan wie niet-erfelijke adeldom wordt verleend. Deze rechterlijke leden van het Huis plegen niet deel te nemen aan politieke debatten van het Huis. In totaal telt het Hogerhuis 618 leden (2007). De bevoegdheden van het Hogerhuis beperken zich in wezen tot vier taken: initiëren van wetsvoorstellen; nazien van die wetsontwerpen die aan het Hogerhuis worden voorgelegd; het recht wetsontwerpen tot een jaar te blokkeren; discussie over belangrijke politieke problemen, waarmee het Lagerhuis zich, uit tijdgebrek, niet kan bezighouden.

Het Lagerhuis (House of Commons), de eigenlijke volksvertegenwoordiging, wordt gekozen volgens een districtenkiesstelsel. Kiesgerechtigd zijn alle Britse onderdanen vanaf 18 jaar. Met uitzondering van enkele groepen (o.a. rooms-katholieke geestelijken, hun collega's van de Church of England, militairen, politiebeambten en de ambtenaren van de verschillende ministeries, de zgn. ‘civil servants’) bestaat voor elke Brit vanaf 21 jaar de mogelijkheid gekozen te worden tot lid van het Lagerhuis. In elk district wordt één Lagerhuislid gekozen. Kiesdistricten worden zo begrensd dat ze elk ca. 50 000 personen omvatten. Bij de verkiezingen in 2005 waren er 646 districten, verdeeld over Engeland (529), Schotland (59), Wales (40) en Noord-Ierland (18). Het systeem begunstigt het tweepartijenstelsel en brengt met zich dat betrekkelijk geringe schommelingen in de sympathie van de kiezers grote veranderingen kunnen registreren. De leider van de officiële oppositie ontvangt een door de staat betaald salaris voor het bekleden van deze functie. Hij is de belangrijkste tegenspeler van de eerste-minister en leidt het schaduwkabinet. De maximale zittingsduur van het Lagerhuis is vijf jaar; de regering kan echter eerder tot ontbinding besluiten en zo algemene verkiezingen forceren op een ogenblik dat haar gunstig lijkt. Verlenging van deze periode is slechts mogelijk bij een wet, voor welke de beperking van de bevoegdheden van het Hogerhuis bij wijze van uitzondering niet geldt. Het Lagerhuis benoemt zijn voorzitter, de speaker, die, zolang hij in functie is, een van zijn eigen partij onafhankelijke, onpartijdige positie inneemt. De regeringspartij en de officiële oppositiepartij kennen whips, personen die het onderling overleg tussen die partijen behartigen en zorg dragen voor de fractiediscipline.

Regionaal bestuur. De onderdelen van het Verenigd Koninkrijk –- met uitzondering van Engeland – kregen in 1999 eigen volksvertegenwoordigingen. Daarvoor al hadden zij – ook politiek en staatsrechtelijk – een eigen identiteit. In Noord-Ierland, dat sedert 1920 een zekere vorm van autonomie kent (o.m. een eigen parlement), werden de mogelijkheden tot uitoefening daarvan echter door de burgeroorlog beperkt tussen 1972 en 1982. In die periode stelde Londen via een minister voor Noord-Ierland direct bestuur in. Op grond van de in 1982 aangenomen Northern Ireland Act werd in oktober 1982 een nieuw parlement gekozen (‘Northern Ireland Assembly’), dat geen werkelijke machtsbevoegdheden had maar vnl. raadgevende taken uitoefende. Daar het parlement niet in zijn opdracht slaagde – nl. voorstellen te doen betreffende de overdracht van meer bevoegdheden, die op brede steun binnen de gemeenschap konden rekenen – werd het in juni 1986 ontbonden. Tot juli 1998 had Noord-Ierland alleen stem via de 17 afgevaardigden in het Westminster-parlement in Londen. Na de verkiezingen van 25 juni 1998, voortgekomen uit het Goede Vrijdag Akkoord, werd de Assembly weer geïnstalleerd. Het kent beperkte bevoegdheden.

Schotland en Wales hebben sinds 1999 beperkt zelfbestuur, waarbij het Schotse parlement te Edinburgh meer bevoegdheden heeft dan de Assemblée in Cardiff. Beide hebben zeggenschap over landbouw, economie, onderwijs en volkshuisvesting; het Schotse parlement heeft daarnaast bevoegdheden op het gebied van gezondheidszorg en milieu, en heeft de vrijheid om binnen een bepaalde marge af te wijken van het landelijke inkomstenbelastingspercentage.

3.2 Bestuurlijke indeling

Engeland kent drie bestuurniveaus. Het hoogste niveau wordt gevormd door de graafschapen (counties), waarvan drie varianten bestaan: de 39 historic counties, zonder bestuurlijke functie maar met een identificerende, cultuur-historische rol; de 47 geographic counties, die vnl. voor statistische doeleinden dienen omdat ze net als de historic counties het gehele land dekken, en waartoe ook zes metropolitan counties behoren; en 34 administrative counties met verantwoordelijkheden op het gebied van verkeer en infrastructuur, ruimtelijke ordening, onderwijs en afvalverwerking. Het middelste bestuursniveau wordt gevormd door districten, waaronder enkele de status van borough of city bezitten: eenheden met taken op onder meer de gebieden gezondheidszorg, afvalverzameling en recreatie. De councillers (gekozen voor vier jaar) kiezen eens per jaar uit hun midden een voorzitter, die in de ca. 190 districten met ‘borough’-status de titel Mayor mag voeren. Er zijn negentien steden waar de voorzitter van de council zich Lord Mayor mag noemen. De 46 unitary authorities hebben verantwoordelijkheden op zowel het hoogste als het middelste niveau. Het laagste niveau bestaat uit de parishes en towns, die gehoord worden inzake regionale planning en die de bevoegdheid hebben een opslag te leggen op de onroerendgoedbelasting.

Londen (Greater London) neemt een uitzonderingspositie in. Samen met andere grote-stadsbesturen werd de Greater London Council om financiële redenen in april 1986 opgeheven en door andere organen met minder verantwoordelijkheid vervangen. In 2000 werd dit besluit deels teruggedraaid met de instelling van de Greater London Authority (GLA), die bevoegdheden kreeg op de terreinen transport, ruimtelijke ordening, politie en nooddiensten. De GLA kent een rechtstreeks gekozen burgemeester en een raad van 25 afgevaardigden.

Schotland kent feitelijk één bestuurslaag: de 32 council areas, die in 1975 werden ingesteld ter vervanging van de 34 historische graafschappen. Ze hebben verantwoordelijkheden op de gebieden milieu, ruimtelijke ordening, onderwijs, volkshuisvesting en verkeer en infrastructuur. Er bestaan verder diverse gemeenschappen (communities) die vooral een consulterende rol hebben. Het lokale bestuur in Wales is op twee niveaus georganiseerd: twaalf counties en tien county boroughs, verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en milieu; en community councils, vergelijkbaar met de Engelse parishes. Noord-Ierland heeft alleen District Councils (26), die alle lokale en regionale taken uitvoeren.

3.3 Aansluiting bij internationale organisaties

Het Verenigd Koninkrijk behoort tot de oprichters van de Verenigde Naties en heeft een permanente zetel in de Veiligheidsraad. Voorts is het lid van een aantal suborganisaties van de Verenigde Naties. Sinds 1973 is het opgenomen in de Europese Unie (voorheen EEG). Tevens is het lid van het Gemenebest, de Raad van Europa, de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en het Colombo-Plan.

3.4 Politieke organisatie
3.4.1 Partijwezen

De belangrijkste politieke partijen zijn de Conservative Party en de (socialistische) Labour Party. Het districtenstelsel is nadelig voor kleinere partijen, zoals de Liberal Democrats en de Green Party, en bemoeilijkt de opkomst van nieuwe partijen.

De leider van de Conservative Party (opgericht in 1870 als voortzetting van de Tory-factie) wordt gekozen uit de conservatieve fractie van het Lagerhuis. Formeel is de zgn. Central Council het hoogste orgaan van de partij: het wordt gevormd door de partijleider, de afgevaardigden in Lager- en Hogerhuis, potentiële kandidaten uit de diverse kieskringen, leden van het uitvoerend comité en uit vier vertegenwoordigers van elke kieskring. Feitelijk geldt het uitvoerend comité, bestaande uit 135 leden, als het hoogste orgaan.

De leider van de Labour Party (opgericht in 1900) wordt gekozen door de drie organen binnen de partij, wier stemmen gelijk wegen: vakbonden, de Labour-fractie van het Lagerhuis en door de plaatselijke partijcomités. Het hoogste orgaan is de Party Conference, die jaarlijks een congres belegt waaraan ca. 1200 gedelegeerden deelnemen. De dagelijkse leiding is in handen van het National Executive Committee (NEC), dat uit 28 leden bestaat, van wie 26 op de jaarlijkse partijdagen worden gekozen. Ex-officio-leden zijn de partijvoorzitter en diens plaatsvervanger.

The Liberal Democrats is een fusie tussen de Social Democratic Party (SDP) en de Liberal Party. The Social Democratic Party werd in 1981 opgericht door vier voormalige Labour-ministers van de rechtervleugel en programmatisch opgezet naar het model van de toenmalige Duitse SPD van Helmut Schmidt. Partijleider David Owen kon echter niet verhinderen dat zijn partij in 1988 een lijstverbinding met de Liberal Party onder de nieuwe naam Social and Liberal Democrats aanging. Onder zijn leiding zetten sedert 1988 de tegenstanders van de fusie de partij onder haar oude naam voort. In 1990 werd de SDP echter opgeheven. The Liberal Party bestaat nog steeds officieel als een zelfstandige partij. Opgericht in 1839 als voortzetting van de Whigs-factie, nam zij tot 1922 deel aan coalitieregeringen. Haar politieke lijn wordt jaarlijks bepaald op de Assembly. Het hoogste orgaan is het Executive Committee. De leider wordt gekozen door de parlementsleden van de Liberal Party.

Tot de overige partijen behoren de nationalisten uit Schotland (Scottish Nationalist Party) en Wales (Plaid Cymru), een vijftal Noord-Ierse partijen en de Green Party.

Hoezeer de kleine partijen slachtoffer zijn van het districtenkiesstelsel blijkt bijvoorbeeld uit de verkiezingsuitslag van 1983, toen de Alliantie tussen sociaal-democraten en liberalen 25,4% van de stemmen behaalde en Labour 27,6%. Deze uitslag leverde Labour echter 209 zetels in het Lagerhuis op, tegen 23 voor de Alliantie. Als voordeel van het stelsel wordt vaak de slagvaardige regering genoemd, die doorgaans over een absolute meerderheid beschikt in het Lagerhuis.

Na de verkiezingen van 5 mei 2005 waren de zetels in het Lagerhuis als volgt verdeeld: Labour Party 356 (was 413 in 2001), Conservative Party 197 (was 166 in 2001), Liberal Democrats 62 (was 52 in 2001), Democratic Unionist Party (DUP) 9 (was 5 in 2001), Scottish National Party (SNP) 6 (was 4 in 2001), Sinn Féin 5 (was 4 in 2001), Plaid Cymru (nationalisten uit Wales) 3 (was 4 in 2001), Social Democratic and Labour Party (SDLP) 3 (was 3 in 2001), Ulster Unionist Party (UUP) 1 (was 6 in 2001), andere 3.

3.4.2 Werknemers- en werkgeversorganisaties

Overkoepelend vakbondsorgaan is het TUC (Trades Union Congress, opgericht in 1868), waarbij in 2002 zeventig bonden waren aangesloten met tezamen ca. 7 miljoen leden (in 1979 nog 12 miljoen). De bonden zijn per beroepsgroep of per bedrijfstak georganiseerd. Zij geven o.m. rechtskundige bijstand aan leden en soms aanvullende uitkeringen. Veel bonden zijn verbonden met de Labour Party. De onderhandelingen tussen de georganiseerde werkgevers en werknemers geschieden op basis van vrijwilligheid. Wanneer de besprekingen dreigen vast te lopen, biedt de overheid bemiddeling aan.

Traditioneel is Groot-Brittannië een land met talrijke en vaak langdurige stakingen. Maar de angst voor het verlies van arbeidsplaatsen heeft vanaf het midden van de jaren tachtig geleid tot een duidelijke daling van de stakingsbereidheid.

De werkgevers zijn voor het merendeel per bedrijfstak georganiseerd. Overkoepelend lichaam is de Confederation of British Industry (CBI), waarbij meer dan 250 000 verenigingen zijn aangesloten.

3.5 Afhankelijke gebieden

Naast de nabijgelegen Kanaaleilanden en het eiland Man zijn er dertien overseas territories, die staatsrechtelijk gezien niet tot het Verenigd Koninkrijk behoren, maar rechtstreeks onder de Kroon vallen. Het zijn: Anguilla, Bermuda, het British Antarctic Territory, het British Indian Ocean Territory, de Britse Maagdeneilanden, de Caymaneilanden, de Falklandeilanden, Gibraltar, Montserrat, Pitcairn, St. Helena, South Georgia en de South Sandwicheilanden, en de Turks- en Caicoseilanden.

4. Economie
4.1 Algemeen

Mede door de Industriële Revolutie werd Groot-Brittannië de eerste grote industriële natie. Het kwam tot grote bloei o.a. op het gebied van de handel, transport, industriële productie en van het bank- en verzekeringswezen. Omstreeks 1900 begon de concurrentie van de Verenigde Staten en van bepaalde landen op het Europese vasteland; na de Eerste Wereldoorlog bleken de Britse staalfabrieken, de mijnbouw, de scheepsbouw en de textielindustrie verouderd en verloor Groot-Brittannië geleidelijk aan zijn dominante positie. Door het (geleidelijke) verlies van de meeste koloniën na 1945 werd de economische basis smaller. Het herstel na de oorlogsjaren verliep met een economische groei van 2 à 3% per jaar (1945–1971) langzamer dan in de meeste andere West-Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. In de jaren tachtig werd een ingrijpende herstructurering ingezet. Veel van de staatsbedrijven die na de Tweede Wereldoorlog genationaliseerd waren, werden door de conservatieve-regering van M. Thatcher geprivatiseerd: onder meer de sectoren petroleum, gas, lucht- en ruimtevaart, autoindustrie, scheepvaart, wapens, openbaar vervoer, telecommunicatie, spaarbanken en staal. Financieel-economisch was het beleid succesvol: een relatief snelle en stijgende groei van het bnp, een dalend tekort van de overheidsfinanciën en daarmee samenhangend een dalende inflatie (1980: 18%, over de periode 1985–1994 5,4%, in 2001 nog slechts 0,7%). De relatief lage lonen maakten het land aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Daartegenover stonden de aanvankelijk snel oplopende werkloosheid (4% in 1979, 14% begin 1986, teruggelopen tot 5% in 2001), de grotere inkomenskloof (in 2001 leefde ca. 17% van de Britten onder de armoedegrens), een sinds 1982 steeds negatiever wordende handelsbalans en een sinds 1981 dalend overschot op de betalingsbalans (1981: US$ 17 501 miljoen, 1987: US$ 1178 miljoen). Belangrijke aardolievondsten en -exporten (sinds 1980) hebben een nog sterkere daling van de saldi voorkomen.

Ca. 19% van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie, die 25% van het bnp levert; ruim 80% is actief in de dienstensector (73% van het bnp) en slechts 1% is werkzaam in de landbouw (2% van het bnp).

4.2 Agrarische sector, bosbouw en visserij

De landbouw heeft 80% van het landoppervlak in gebruik en voorziet – dankzij de opmerkelijke intensivering van de bedrijfsvoering – in ongeveer 70% van de Britse voedselproductie tegen 1/3 vóór de Tweede Wereldoorlog. De agrarische cultuurgrond omvat ca. 186 000 km2, waarvan ca. 64% valt in de categorie improved land, d.w.z. bouwlanden, tuingronden, boomgaarden en tijdelijke alsmede verbeterde blijvende graslanden. De rest wordt rough grazing genoemd, d.w.z. niet-verbeterde schrale natuurlijke weilanden op berghellingen, heidevelden e.d. Laatstbedoelde beslaan in Engeland en Wales ca. 1/6 van de cultuurgrond, in Noord-Ierland ca. 1/4 en in Schotland niet minder dan 3/4. Ongeveer 37% van het zgn. improved land wordt in beslag genomen door akkerland (vooral granen, haver en gerst). In 1994 waren er ongeveer 235 000 landbouwbedrijven van 1 ha en groter, met een gemiddelde oppervlakte van 65 ha. Van de boeren werkt ca. 75% fulltime in de landbouw. De bedrijven in Noord-Ierland zijn over het algemeen kleiner, waartegenover staat dat het bijna alle eigen bedrijven zijn. Aan de intensivering van de Britse land- en tuinbouw hebben in sterke mate mechanisatie en onderzoek bijgedragen. Hierdoor steeg bijvoorbeeld tussen 1961 en 1981 de productie van haver en aardappels met 63% resp. 45%. Het regeringsbeleid is er steeds op gericht geweest samenvoegingen te bevorderen. De landbouw droeg in 1995 voor 2% bij aan het bruto nationaal product, terwijl 1% van de beroepsbevolking er zijn werk vond.

De veehouderij (vooral in het westen) neemt een dominerende plaats in binnen de agrarische productie. De slachtveefokkerij is het belangrijkst; de schapenteelt is zowel om het vlees als om de wol van belang. Veeziektes brachten de sector in problemen door de exportverboden: de ontdekking van de gevaren van BSE (1996) en de epidemie van mond- en klauwzeer (2001).

De oppervlakte tuinbouwgrond is sinds de Tweede Wereldoorlog verminderd, maar door de sterke intensivering is de productie op peil gebleven. In Kent en de West Midlands bevindt zich de meeste tuinbouw.

Bosbouw. Van het landoppervlak van Groot-Brittannië was in 1995 10% met bos bedekt, d.w.z. bos dat onderhouden wordt en productief is. Daarvan is ca. 50% te vinden in Engeland, 40% in Schotland en de rest in Wales. Bijna 45% van dit bos wordt van overheidswege beheerd door de Forestry Commission. Het bosareaal wordt jaarlijks uitgebreid, waarvan een kwart in opdracht van de overheid en driekwart in opdracht van particulieren. De meeste aanplant vindt plaats in berggebieden, in het bijzonder in Schotland. De Britse houtbehoefte wordt slechts voor een gering deel door de binnenlandse productie gedekt.

Visserij. De Britse visserij die sinds de jaren zeventig sterk aan belangrijkheid heeft ingeboet, voorziet voor ongeveer tweederde in de nationale behoefte aan vis en visproducten. De Britse visserijvloot telde in 2000 ca. 8000 schepen. De vangst bedroeg 748 300 ton, met een totale waarde van £ 550 miljoen. De belangrijkste Engelse vissershavens zijn: Kingston upon Hull, Great Grimsby, Aberdeen, Fraserburgh (Grampian Region), Peterhead, Lowestoft en Great Yarmouth.

4.3 Mijnbouw

Steenkool, aardolie en aardgas zijn de belangrijkste delfstoffen. De voornaamste mijngebieden zijn die van Yorkshire-Derbyshire-Nottinghamshire, Durham-Northumberland (Noordoost-Engeland), Zuid-Wales en Schotland. De steenkoolmijnbouw ondergaat ook hier ingrijpende structurele veranderingen. In de afgelopen jaren is een groot aantal minder rendabele mijnen gesloten en daalde de jaarlijkse productie van bijna 200 miljoen ton begin jaren zestig, tot ca. 34 miljoen ton in 2000.

De belangrijkste binnenlandse afnemers van steenkool zijn de elektrische centrales. Van groot belang zijn de aardolievelden op het Britse continentale plat in de Noordzee; de productie, waarmee in 1971 werd begonnen, bedroeg in 1999 130 miljoen ton. Groot-Brittannië is zelfvoorzienend sinds 1980. In 1986 werd i.v.m. de dalende aardolieprijs de productie verminderd, waardoor 22 000 mensen hun baan verloren. De Britse aardoliereserves worden op 1,5 miljard ton geschat. De aardoliewinning en -verwerking is, evenals die van gas, zeer kapitaalintensief. Dit verklaart grotendeels de discrepantie tussen het aandeel van de mijnbouw in de werkgelegenheid (1%) en dat in het bnp (10%). Sedert 1962 levert de Noordzee ook aardgas. Het gas wordt geëxploiteerd door drie dochtermaatschappijen van het staatsbedrijf British Gas. De gasreserves zijn waarschijnlijk toereikend voor binnenlands verbruik tot het jaar 2015 (geschatte reserves: 1600 miljard m3). In 1986 bood de gasproductie werk aan 89 000 personen.

Aan delfstoffen worden verder gewonnen: ijzererts (vnl. in het oosten van Engeland), zand, grind, kalksteen, zout, leisteen en porseleinaarde.

4.4 Energievoorziening

Het merendeel van de geproduceerde energie wordt verkregen door warmtecentrales (steenkool, aardolie en -gas). Van groeiend belang is de kernenergie. Als eerste kerncentrale ter wereld leverde Calder Hall al in 1956 elektriciteit. In 2000 waren 35 kernreactoren in werking, die samen 22% van de Britse elektriciteitsproductie leverden. De nucleaire opwerkingsfabriek in Sellafield (vroeger Windscale) werd hevig bekritiseerd, omdat door talrijke storingen het milieu (m.n. het water in de Ierse Zee) in hoge mate aan straling zou hebben blootgestaan.

4.5 Industrie

Ondanks het feit dat Groot-Brittannië in tal van industriële sectoren zijn leidende positie verloren heeft, is het land nog steeds een belangrijke producent van wollen goederen (de oudste Britse stapelindustrie), computers en andere kantoormachines, telecommunicatieapparatuur, glas, ijzer en staal. The British Steel Corp. werd begin jaren tachtig gesaneerd en in 1988 geprivatiseerd. Door sluiting van oude fabrieken, invoering van nieuwe technologieën en reductie van arbeidsplaatsen kon de productiviteit behoorlijk verhoogd worden. In 1999 fuseerde het bedrijf met het Nederlandse Hoogovens. In de scheepsbouw kon de productie van off-shore-middelen slechts gedeeltelijk de neergang tegenhouden. De meest expansieve sectoren zijn de elektronica-, chemische- en auto-industrie. Ook de luchtvaart- en ruimtevaartindustrie is belangrijk. De productie reikt van satellieten met burger- en militaire doelen tot hovercrafts. The British Aerospace Corp. is een van de grootste vliegtuigproducenten ter wereld. De chemische industrie staat in Europees perspectief op de derde plaats.

In Groot-Brittannië zijn sinds 1966 de industriële werkgelegenheid en de productie (als percentage van het bnp) aanzienlijk gedaald. Groei-industrieën hebben zich vooral in het gebied ten westen van Londen, als ook, maar geringer in omvang, in enkele Schotse steden gevestigd. Zie ook Noord-Ierland, Schotland, Wales.

4.6 Handel

Groot-Brittannië is, ondanks de terugval sinds de jaren vijftig, nog steeds een van de belangrijkste handelsnaties. Gemeten naar de som van import en export komt het op de vierde plaats, na de VS, Japan en Duitsland. Het land exporteert luchtvaartproducten, motorvoertuigen, elektrische apparaten, chemische producten, minerale brandstoffen en machines. Vooral de uitvoer van ruwe grondstoffen (m.n. ruwe aardolie) maakte een sterke groei door in de jaren tachtig. Ook de uitvoer van diensten nam toe. Na de val van de dollarkoers is Groot-Brittannië wereldwijd de grootste netto-exporteur in het internationale dienstenverkeer. Tegenover een relatieve afname van de economische betrekkingen met de landen van het Gemenebest sinds de jaren zestig staat een toename van de handel met de EU-landen.

Oorzaken voor het tekort op de handelsbalans (ruim US$ 27 miljard in 2000) zijn de daling van de prijs van ruwe aardolie, een toename van de import en een grotere binnenlandse vraag.

4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking

De in 1974 aangetreden Labour-regering blies de uit 1967 daterende premieregeling voor regionale werkgelegenheid nieuw leven in. In de regeringsperiode van Margaret Thatcher (1979–1990) werd een op de vraag gerichte economische politiek met sterke neoclassicistische elementen gevoerd. Deze politiek leidde tot een aanzienlijke reductie van overheidsactiviteiten (o.a. op het sociale terrein), tot (her-)privatisering van staatsbedrijven en traditioneel openbare instellingen en tot een afbouw van subsidieverstrekkingen.

4.8 Bank- en verzekeringswezen

De Bank of England, opgericht in 1694, is geruime tijd de enige Britse bank van betekenis gebleven. Pas in 1833 werd de eerste zgn. joint stock bank opgericht, de London and Westminster Bank, spoedig gevolgd door vele andere. Deze banken hebben zowel een krachtige ontwikkeling te zien gegeven als een sterk streven naar concentratie, zodat in Londen nog slechts vier zelfstandige banken tot deze categorie behoren (de Big Four: Barclays, Lloyds, Midland, National Westminster). Hun karakter komt het meest overeen met dat van de Nederlandse handelsbanken, zij het met één belangrijk verschil: met het emissiebedrijf houden zij zich niet bezig. Naast deze groep van joint stock banks (ook genoemd de ‘London clearing banks’ of ‘deposit banks’) bestaat de categorie van ‘bill brokers’ en ‘discount houses’. Zij treden vnl. op als kopers van handelswissels en schatkistpapier. Een volgende categorie, typisch voor het Britse bankwezen, is die van de merchant bankers of accepting houses, gewoonlijk voortgekomen uit koopmanshuizen die zich gingen toeleggen op acceptkrediet. Een speciale rol speelt de National Giro Bank (in 1968 opgericht, nu Girobank), de facto een clearing bank, die in meer dan 17 500 postkantoren vrijwel alle bankzaken aanbiedt. Andere bijzondere banken zijn de National Savings Banks, voortgekomen uit het spaarbankwezen, die eveneens in postkantoren slechts eenvoudige bankzaken aanbieden, en de Trustee Savings Banks, die zich dankzij de wetgeving van 1984 tot een volwaardige en in het hele land vertegenwoordigde bank heeft ontwikkeld (in 1995 gefuseerd met Lloyds Bank).

Londen is vanouds een internationaal financieel centrum; de stad beschikt over een van de grootste bankconcentraties ter wereld en is het belangrijkste centrum voor de verzekeringswereld. De beurs aldaar, The Stock Exchange, behoort tot de drie belangrijkste kapitaalmarkten ter wereld. De beurs profiteert van het tijdsverschil tussen New York en Tokyo: Londen is geopend als Tokyo sluit en New York nog moet openen.

4.9 Verkeer

Van de totale Britse beroepsbevolking was in 1993 ruim 5% werkzaam in de verkeerssector.

Scheepvaart. De Britse handelsvloot is in mondiaal opzicht betekenis aan het verliezen; in 1977 vervoerde zij 8% van het wereldtonnage, in 1988 nog slechts 1,7%. Groot-Brittannië en Noord-Ierland tellen tezamen ruim 300 grote en kleinere zeehavens. De belangrijkste havens zijn: Londen, Liverpool, Manchester, Southampton, Newcastle-upon-Tyne.

Slechts een zeer klein deel van de kanalen en rivieren (over een lengte van 3200 km bevaarbaar) wordt gebruikt voor commerciële scheepvaart.

Luchtverkeer. Er zijn 21 grote commerciële luchthavens, waarvan Heathrow (Londen) verreweg de grootste is (en ook de grootste van Europa). British Airways (in 1987 geprivatiseerd) is de belangrijkste luchtvaartmaatschappij.

Landverkeer. De hier volgende gegevens betreffende het rail- en wegverkeer hebben uitsluitend betrekking op Groot-Brittannië; zie voor de overeenkomstige cijfers voor de rest van het land Noord-Ierland: verkeer. De Britse spoorwegen werden in 1947 omgevormd tot staatsbedrijf onder de naam British Railways. Tussen 1993 en 1997 werd het bedrijf grotendeels geprivatiseerd: de lijnen werden verkocht aan particuliere ondernemingen; voor het beheer van de infrastructuur werd een apart bedrijf gesticht, RailTrack. Na een aantal ernstige ongelukken werd het spoor in 2002 onder de hoede gesteld van een onderneming zonder winstoogmerk, Network Rail. De lengte van het spoorwegnet bedroeg in 2001 16 878 km. De spoorwegtunnel onder Het Kanaal werd in 1994 in dienst genomen. Het wegennet bestond in 2001 uit 371 000 km, inclusief hoofdwegen (zgn. trunk roads), die geheel ten laste komen van het rijk, waarvan 3000 km autoweg (aangeduid met de letter M, van Motorway), 35 000 km zgn. principal roads, die deels ten laste komen van het graafschap waarin ze liggen, en ca. 304 000 km andere wegen, die vallen onder de financiële verantwoording van de plaatselijke autoriteiten. Pas in 1955 begon men met de aanleg van autowegen.

5. Prehistorie

Hoewel enkele primitieve vuistbijlen uit nog vroegere interglaciale perioden kunnen stammen, geldt toch algemeen het Clactonien uit het Elster/Saale-interglaciaal (Holsteinien of Hoxnien) als het oudste bewijs van menselijke aanwezigheid in Groot-Brittannië. Vroeg- en midden-paleolithische artefacten (vuistbijlen) zijn beperkt tot het zuiden van Engeland, doordat in latere glaciaties alle eventuele noordelijker gelegen bewoningssporen zijn uitgewist. Het laat-paleolithicum is vrijwel beperkt tot het gebied dat in de laatste ijstijd ijsvrij is gebleven. Het is voor de bewoningsgeschiedenis van belang dat in elke ijstijd de zeespiegel aanzienlijk lager lag dan in de warme perioden daartussen. In koude tijden was Groot-Brittannië dus vrij over land toegankelijk. Dit geldt ook nog voor het vroege mesolithicum, toen er van Oost-Engeland via de drooggevallen Noordzee tot ver in het Baltische gebied sprake was van één complex van verwante culturen. De kampplaats te Star Carr in Yorkshire en opgeviste benen werktuigen uit de Noordzee zijn nauw verwant aan de Magelmosecultuur.

Omstreeks 6000 v.C. werd Engeland definitief van het continent gescheiden toen de laatste landbrug in de zuidelijke Noordzee onderstroomde. De eerste landbouwers bereikten Zuidwest-Engeland dus over zee en wel vanuit Bretagne en Zuidwest-Frankrijk. In enkele eeuwen verbreidden boerennederzettingen zich tot in de uiterste hoeken van de eilanden. Het Britse neolithicum verkreeg een eigen gezicht door de ontwikkeling van eigen aardewerkstijlen.

De latere prehistorie wordt gekenmerkt door een afwisseling van zwakkere en sterkere continentale contacten – vroeger ten onrechte als ‘invasies’ geïnterpreteerd – naast lokaal ontwikkelde, eigen tradities. Zo verbreidden de megalieten zich tot op de Schotse eilanden en ontstonden er tal van bizarre insulaire varianten uit het veel wijder verbreide eenvoudige basisplan van deze grafkelders. Sedert 2500 v.C. wordt ook op de Britse eilanden de klokbekercultuur aangetroffen. Ook hier ontstonden tal van regionale groeperingen uit een substraat van ‘pan-Europese typen’. Kenmerkende monumenten uit het neolithicum zijn voorts de henges (Stonehenge, Avebury), steencirkels, vuursteenmijnen en steengroeven voor de productie van bijlen. Zgn. causewayed camps (door meervoudig onderbroken grachtsystemen omgeven terreinen) hadden een moeilijk nader te bepalen sociaal-religieuze functie.

In de bronstijd ontwikkelde zich een rijke bronsindustrie en -handel met als basis de goud- en kopervoorkomens in Ierland en het tin van Cornwall. In Wessex ontstond een kerngebied met een, blijkens de rijke grafvondsten, aristocratisch aandoende, sociale bovenlaag. Het zuidelijk deel van Groot-Brittannië was toen opgenomen in een handelsnetwerk dat tot aan de Middellandse Zee reikte. Het is, na het vroege neolithicum (ca. 3700 v.C.) en de bekertijd (ca. 2300 v.C.), de derde periode waarin directe contacten over zee met het Rijn/Maasdeltagebied zijn aan te tonen. Ook bronsvondsten uit ons land getuigen van deze handelsrelaties: de Nederlands-Belgische Hilversumcultuur in de vroege bronstijd droeg een Brits stempel.

Naast verschillen in vormgeving van de materiële cultuur en in begrafenisrituelen is het markantste Britse prehistorische cultuurkenmerk de ontwikkeling van een geheel eigen huistype: de ronde boerenhoeve, in sterk contrast met de lange rechthoekige huizen op het continent. Zij zijn vooral uit de ijzertijd, maar ook al uit de bronstijd bekend. De ijzertijd wordt gedomineerd door de imposante heuvelversterkingen, de hill-forts, de centra van de vele kleine stammen, waarin de samenleving was opgedeeld. In de late ijzertijd werden de forten met steeds meer wallen omringd en voorzien van gecompliceerde toegangen als antwoord op verbeterde aanvalstechnieken. Ca. 100 v.C. trokken de Keltische Belgae Het Kanaal over en vestigden zich in Zuid-Engeland, om anderhalve eeuw later overrompeld te worden door de Romeinen. In de late ijzertijd kwam in Zuid-Engeland een eigen provincie van de Keltische La Tènecultuur tot ontwikkeling, gekenmerkt door kunstig verbonden spiraal- en cirkelmotieven.

Een bekend verschijnsel zijn de reusachtige dier- en mensfiguren op steile hellingen in de kalkgebieden van Zuid-Engeland. Zij zijn gemaakt door zode en teelaarde te verwijderen, waardoor het helder witte vaste gesteente zichtbaar werd. Enkele, zoals de reus van Abbas en het paard van Uffington stammen uit de late ijzertijd. De meeste zijn echter van later datum.

6. Geschiedenis

Zie voor de geschiedenis van het land in de oudheid Britannia. Zie voor de geschiedenis van de Angelsaksische rijkjes, die op de Romeinse overheersing volgden en in 1066 onderworpen werden, Angelsaksen.

6.1 De Normandische periode

Van 1066 tot 1204 waren Engeland en Normandië met slechts geringe onderbrekingen door een personele unie verbonden. Daardoor raakte Engeland bij continentale verwikkelingen betrokken. Willem de Veroveraar onderdrukte opstanden tegen zijn gezag met de hulp van de militairen die met hem meegekomen waren en zich in Engeland hadden gevestigd. Hij gaf alle verantwoordelijke posities in het rijk en in de kerk aan zijn continentale getrouwen. De boeren, die reeds tevoren onvrij waren geworden, werkten voor de nieuwe meesters. Buiten de oude Danelaw nam de onvrijheid van de boeren over de gehele linie toe. Willem de Veroveraar werd in Engeland in 1087 opgevolgd door zijn zoon Willem II Rufus, die regeerde tot 1100. In 1106 werd Robert III, oudste zoon van Willem de Veroveraar en diens opvolger in Normandië, door zijn jongste broer, Hendrik, koning van Engeland sinds 1100, verslagen in de Slag van Tinchebrai. Hierdoor werden Normandië en Engeland weer onder één kroon verenigd. Sinds 1120 zonder mannelijke opvolgers, trachtte Hendrik I de groten in het rijk door eden aan zijn dochter Mathilde te binden. Bij zijn dood (1135) eiste zijn neef, Stefanus van Blois, echter de troon op. De volgende negentien jaren worden gewoonlijk ‘de anarchie’ genoemd. Mathilde, gemalin van Geoffroy Plantagenet, graaf van Anjou, trachtte haar rechten op de Engelse troon te verwezenlijken. Het resultaat was een burgeroorlog. De daadwerkelijke regering van het land werd zeer bemoeilijkt, maar het staatsgezag ging niet totaal ten onder. De verwoestingen van de burgeroorlog teisterden bepaalde streken zeer, zoals de Fens, waar Geoffrey de Mandeville huishield. In 1148 gaf Mathilde de strijd op, maar in 1153 werd Stefanus gedwongen Mathildes zoon Hendrik Plantagenet, graaf van Anjou en hertog van Normandië, als opvolger te erkennen.

6.2 Engeland onder de Plantagenets (1154–1399)

In 1154 besteeg Hendrik II de troon. Orde herstellen na de ‘anarchie’ van de regering van Stefanus was Hendriks eerste taak. Zijn regeringsperiode was een tijdperk van toenemende koninklijke macht, van Engelse expansie in Ierland, Schotland en Wales, en verwikkelingen op het continent. Hendrik II werd opgevolgd door Richard I Leeuwenhart (regeerde van 1189 tot 1199). Deze bracht in het geheel slechts vier maanden van zijn regering door in Engeland, waar hij anderen aanstelde om in zijn naam te regeren. De strijd tegen de Saracenen hield hem volledig bezig. Zo was hij een van de leiders van de Derde Kruistocht. Door zijn afwezigheid verzwakte het koningschap opnieuw. Richard werd opgevolgd door zijn jongste broer, Jan zonder Land (regeerde van 1199 tot 1216). Onder deze koning ging Normandië definitief voor Engeland verloren. Later werden bijna al zijn overige bezittingen in Frankrijk ook door de Fransen veroverd. De regering van Jan zonder Land werd tot 1214 beheerst door de strijd met Filips II August van Frankrijk en met paus Innocentius III. Na 1214 was hij, gesteund door de paus, in een strijd verwikkeld met zijn onderdanen; een strijd die na Jans bezegeling van de Magna Charta (1215) de vorm van een burgeroorlog aannam.

Toen Jan in 1216 overleed, werd zijn negenjarige zoon Hendrik III (1216–1272) als koning aanvaard. De baronnen bleven in de oppositie. De regent, Hubert de Burgh, slaagde aanvankelijk erin hen in bedwang te houden. Hendrik koesterde plannen de verloren Franse gebieden te heroveren, maar slaagde daarin niet. In 1264 schoof Simon V van Montfort de koning opzij en oefende iets langer dan een jaar in feite de regering uit. In dat ene jaar werd de grondslag gelegd voor de officiële vertegenwoordiging van de Commons in het parlement.

Het Engelse koningschap werd hersteld en tot ongekende betekenis gebracht door Eduard I (regeerde van 1272 tot 1307), die Wales annexeerde (1284) en op het gebied van regering, bestuur en rechtsordening een groot hervormer en vernieuwer was. De bijeenkomst van het Model Parliament in 1295 (zie ook parlement) was een van de belangrijkste gebeurtenissen in de constitutionele geschiedenis van Engeland. Eduard voerde een verbitterde strijd met Schotland en werd opgevolgd door zijn zoon, Eduard II (regeerde van 1307 tot 1327). Veel van wat Eduard I tot stand had gebracht, ging verloren. Gunstelingenheerschappij, strijd tussen koning en baronnen en anarchie beheersten de eerste decennia van de 14de eeuw. De zware nederlaag bij Bannockburn (1314) maakte voorlopig een eind aan de Engelse invloed in Schotland.

De regering van Eduard III (1327–1377) stond bijna geheel in het teken van de Honderdjarige Oorlog. In Schotland werden successen behaald, maar dat land handhaafde ten slotte zijn onafhankelijkheid. In deze periode gingen stedelijke burgerij en lage adel eindelijk ten volle meetellen in het politieke en maatschappelijke leven, hetgeen in een verdere uitbreiding van de macht van het parlement tot uiting kwam. Handel en nijverheid (in het bijzonder de wolhandel en textielnijverheid) begonnen betekenis te krijgen. Het economische leven in Engeland werd echter door de vreselijke verwoestingen die de Zwarte Dood in 1348 aanrichtte, volkomen ontwricht. Ook de oorlog met Frankrijk bracht diepgaande sociaal-economische verschuivingen en veranderingen, waardoor het tot ernstige sociale onrust kwam. Daarbij kwam hevig verzet tegen de politiek van de pausen van Avignon, dat uitmondde in de activiteit van Wyclif, John Ball en de lollards. Eduard III, op het laatst opzij geschoven door zijn zoon Jan van Gent, werd opgevolgd door zijn kleinzoon, Richard II(regeerde van 1377 tot 1399), zoon van Eduard van Woodstock, de Zwarte Prins.

In het begin van Richards regering behield Jan van Gent nog een groot deel van zijn macht. De ongelukkig gevoerde oorlog met Frankrijk en de toenemende belastingdruk leidden ten slotte in 1381 tot de grote Engelse boerenopstand. Vooral door het beleid van de koning werd hij onderdrukt. Na de opstand ontstond een strijd om de macht tussen Richard en zijn ooms, waarin de koning eerst de nederlaag leed. In 1389 nam Richard zelf de regering in handen. In 1397 voerde hij een soort staatsgreep uit, waardoor hij zich grote macht verschafte. Aan het bijna despotisch bewind dat nu begon, werd een eind gemaakt door de samenzwering van een zoon van Jan van Gent, Henry Bolingbroke, die in 1399 zelf koning werd (Hendrik IV).

6.3 De Huizen van Lancaster en York

Bolingbrokes aanspraken op de troon waren zeer zwak gefundeerd, maar het parlement koos hem tot koning en legaliseerde aldus zijn positie. Als eerste koning van het Huis Lancaster regeerde hij van 1399 tot 1413. Hij zette de oorlog met Frankrijk voort. De regering van Hendrik V (1413–1422) werd geheel beheerst door de oorlog met Frankrijk en de bestrijding van de lollards. Hendrik behaalde de grote overwinning van Azincourt (1415), heroverde Normandië en werd ten slotte als opvolger van de Franse koning Karel VIaangewezen (zie Honderdjarige Oorlog). Hendrik V stierf voordat hij de verovering van Frankrijk had kunnen voltooien. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, Hendrik VI(regeerde van 1422 tot 1461), die aanvankelijk onder regentschap stond. Onder deze regering werd de Honderdjarige Oorlog beëindigd en begonnen de Rozenoorlogen, d.w.z. de bloedige strijd tussen de Huizen Lancaster en York, die werd voorafgegaan door de opstand van Cade, waarbij het Huis York reeds betrokken was. Een zekere stabilisering trad op na de Slag bij Tewkesbury (1471), waarin Eduard IV, eerste koning uit het Huis York, de laatste Lancasters versloeg, nadat hij reeds in 1461 de troon had bestegen. Het kwam echter nog eenmaal tot strijd. Bij Eduards dood (1483) deed zijn broer Richard, aangesteld tot voogd over de jonge Eduard V, een greep naar de macht. Weldra maakte hij zichzelf tot koning (Richard III, regeerde van 1483–1485), maar zijn gezag werd van diverse zijden betwist. Ten slotte werd hij ten val gebracht door Hendrik Tudor. De Slag bij Bosworth (22 augustus 1485) maakte een eind aan de Rozenoorlogen. Tudor werd koning (Hendrik VII) en verzoende de tegenstelling tussen Lancaster en York door Elizabeth, de dochter van Eduard IV, te huwen. Met de oude adelsgeslachten, die elkaar hadden uitgeroeid, was ook het feodale stelsel (zie feodaliteit) te gronde gegaan. De gegoede boeren, de gentry, de stedelijke kooplieden en ondernemers, die zich weinig om de dynastieke twisten hadden bekommerd, traden eindelijk als politieke, sociale en economische macht op de voorgrond.

6.4 De Tudors en de Engelse reformatie

Tijdens de regeringsperiode van het Huis Tudor onderging Engeland vele veranderingen van godsdienstige, politieke en economische aard. De Engelse maatschappij telde in 1500 ca. 3 miljoen zielen en droeg tot de Industriële Revolutie een overwegend agrarische signatuur. De steden waren op Londen, Bristol en enkele andere na nog klein van omvang. De groei van Londen is tekenend (1500: 75 000, 1600: 200 000). Opvallend is een toenemende sociale mobiliteit, een trek van mensen en kapitaal van stad naar platteland en omgekeerd, waardoor een sterke assimilatie plaatsvond tussen gentry en koopliedenstand. Onder Hendrik VII (1489–1509) traden deze standen langzamerhand meer op de voorgrond in het lokale en centrale bestuursapparaat. Het bestuur was erop gericht het sociale evenwicht tussen de groepen te herstellen of te handhaven. Onder Hendrik VIII(1509–1547) voltrok zich de ‘eerste’ Engelse reformatie, de breuk met Rome (1534). Een daad van de koning, die onder brede lagen van de anti-Rome gezinde bevolking met instemming begroet werd. Het protestantisme, door de koning zelf afgekeurd en dat aanvankelijk slechts binnen een minderheid van de hogere klasse aanvaard werd, won geleidelijk meer terrein en consolideerde zich onder Eduard VI(1547–1553). De tegenactie van Hendrik VIII (1539, de bloedartikelen) kwam te laat en de katholieke reactie onder Maria de Katholieke (1553–1558) had door het harde optreden een averechts effect: de haat tegen Rome werd erdoor versterkt.

Thomas Cromwell voerde onder Hendrik VIII belangrijke administratieve hervormingen door (grotere centralisatie). Hij was het ook die door tactvol manipuleren met het parlement de maatregelen tot ontbinding van de kloosters ten uitvoer bracht (1536–1539), waardoor veel grond in handen van leken kwam. Deze herverdeling van het land (de grootste sinds 1066) kwam mede de gentry ten goede, die zich toelegde op effectieve landbouw of overging tot de goedkopere en meer lonende schapenteelt. De enclosure-beweging en de prijsstijging drukten zwaar op de arme boeren en de arbeiders van de plattelandsindustrie. Boerenopstanden kwamen regelmatig voor; de grootste, de Norfolk-rebellie van 1549, werd met de hulp van buitenlandse huursoldaten door Northumberland neergeslagen.

De lange regeringsperiode van de zeer begaafde Elizabeth I (1558–1603) vormt de apotheose van het Tudortijdvak. Zij bevestigde na het korte bewind van Maria de Katholieke definitief de Engelse hervorming door stichting van de Anglicaanse Kerk. Onder haar regering bereikte Engeland een ongekende economische en culturele bloei en speelde het in de internationale politiek een hoofdrol.

6.5 De Stuarts en de Burgeroorlog

Bij de dood van Elizabeth (1603) was de Tudordynastie uitgestorven. Zij werd opgevolgd door een overtuigd absolutist, Jacobus I Stuart (1603–1625), die reeds koning van Schotland was. Tijdens zijn bewind groeide de spanning tussen het Hof en de Country door godsdienstige, financiële en politieke conflicten. Het gunstelingenbewind (Buckingham) deed afbreuk aan het respect voor de kroon. Onder Karel I (1625–1649) kwam het tot een openlijk conflict: de Engelse Burgeroorlog, waarin Oliver Cromwell voorlopig aan het langste eind trok.

De scheidslijn tussen de twee partijen in de burgeroorlog is moeilijk te trekken. De oorlog verdeelde eerder de sociale groeperingen dan dat hij ze tegenover elkaar stelde. De economische opkomst van de gentry in de laatste eeuw was niet zonder betekenis. Haar toenemende politieke macht weerspiegelde zich in het grote aantal zetels in het Lagerhuis. De gentry maakte in deze periode, in samenwerking met de juristen (de common lawyers), het Lagerhuis politiek belangrijker dan het Hogerhuis. De ‘crisis’ van de aristocratie, de hoge adel, hield meer een politieke dan economische achteruitgang in: oude machtsposities en bestuursfuncties waren reeds tijdens de Tudors ten dele in handen van de gentry overgegaan. De zege van Cromwell over de koning, die terechtgesteld werd, bracht na een strijd tussen leger en parlement (independenten-presbyterianen) voor Engeland de militaire dictatuur. Engeland kreeg onder Cromwell voor het eerst, maar ook voor het laatst een geschreven grondwet. Slechts één parlement voor Engeland, Schotland en Ierland oefende de wetgevende macht uit (het zgn. Unie-parlement). Na Cromwells dood (1658) regeerde zijn onbekwame zoon Richard nog twee jaar.

6.6 De Restauratie en de Glorious Revolution

Na de verwarring van de Burgeroorlog en de dictatuur van het Interregnum werd de restauratie van het Huis Stuart door de overgrote meerderheid van het volk met vreugde begroet. De afzonderlijke parlementen voor Engeland, Schotland en Ierland en het anglicanisme als staatsgodsdienst werden hersteld. Karel II (1660–1685) en zijn eerste-minister Clarendon namen maatregelen tegen de niet-anglicanen, de dissenters (Clarendon Code). De slechte afloop van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (brand van Londen, Tocht naar Chatham, 1667) was een van de oorzaken dat de bij het Hof gehate Clarendon moest heengaan. Hij werd opgevolgd door een groep ministers, het Cabal-ministerie. De koning sympathiseerde met het katholicisme. Het Tolerantie-edict (1672) moest hij onder druk van het parlement evenwel vervangen door de Test Act (1673), waarbij alle niet-anglicanen van de openbare ambten werden uitgesloten. In 1679 kreeg Engeland zijn bekende Habeas Corpus Act, gericht tegen willekeurige gevangenhouding. Naar aanleiding van de opvolgingskwestie ontstonden in deze periode de zgn. Tories en Whigs. De Tories steunde de door het erfrecht wettige troonopvolger van de broer van Karel II, de katholieke Jacobus. De Whigs (de exclusionisten) waren voor uitsluiting van katholieken. Het Lagerhuis nam de Exclusion-bill aan, het Hogerhuis niet.

De Restauratie was vergeleken met de situatie rond 1640, in politiek opzicht, een stap terug: het harde optreden tegen de dissenters (zie dissidenten), de uitspattingen aan het hof, de geheime diplomatie van de koning (met Lodewijk XIV, Dover, 1670) getuigden allesbehalve van een door ervaring gerijpt bedachtzaam politiek inzicht en optreden. Voor wetenschap en kunst was het Restauratietijdvak van grote betekenis. De in 1662 opgerichte Royal Society vormde een belangrijk uitwisselingscentrum van allerlei wetenschappelijke ideeën. Isaac Newton en Robert Boyle brachten een revolutie in de natuurwetenschappen teweeg. In de architect Christopher Wren (de herbouwer van Londen na 1667) en de componist Henry Purcell bezat Engeland kunstenaars van grote vermaardheid.

Het bewind van de katholieke Jacobus IIduurde slechts kort (1685–1688). Van meet af aan begon hij op ontactvolle wijze de katholieken te bevoordelen. De geboorte van ‘Jacobus III’ luidde een openlijk verzet in zowel van de kant van de Whigs als van de Tories. Men wendde zich tot stadhouder Willem IIIvan Holland, getrouwd met Jacobus’ dochter Maria, om het protestantisme en de vrijheid in Engeland te redden. Willem landde in Engeland op 5 november 1688, Jacobus vluchtte naar Frankrijk. De betekenis van deze paleisrevolutie ligt in de belangrijke wetten die de nationale conventie en later het parlement uitvaardigden: de Bill of Rights (1689, versterking van de positie van het parlement, zonder welks toestemming de koning geen belasting mocht heffen of een staand leger houden), het voor de dissenters gunstige Tolerantie-edict (1689, verzachting van de Clarendon Code), de Triennial Bill (1694) en de Act of Settlement (1701), welke de protestantse troonopvolging waarborgde. Het absolutisme had voor Engeland definitief afgedaan.

Willem werd in 1702 opgevolgd door zijn schoonzuster Anna (1702–1714). Haar regeringsperiode werd in beslag genomen door de Spaanse Successieoorlog (Marlborough) en de strijd tussen de Whigs en de Tories (Bolingbroke). In 1707 werden door de Act of Union Engeland en Schotland verenigd tot één rijk met één parlement. De Schotten, van wie velen de unie betreurden, behielden in godsdienst- en onderwijszaken een grote zelfstandigheid. De unie betekende voor Schotland het begin van een economische en culturele opbloei.

Engelands financiële, koloniale en commerciële expansie in de tweede helft van de 17de eeuw was van grote betekenis. Londen met zijn half miljoen inwoners begon Amsterdam langzamerhand voorbij te streven. De oprichting van de Bank of England (1694) en de Londense Beurs (1698) stimuleerden de ontwikkeling van het Engelse kapitalisme. In Voor-Indië en Noord-Amerika vestigde men in de 17de eeuw de eerste nederzettingen, die aan het eind van de eeuw van vitale betekenis werden. Een van de belangrijkste denkers van deze periode was John Locke. Zijn Two treatises on government (reeds voor 1688 geschreven) verschenen in 1690. Belangrijk voor de politieke bewustwording van het Engelse volk was de opkomst van de moderne pers en journalistiek onder Anna's regering (Steele, Addison, Defoe). Het Engelse koffiehuis droeg tevens in niet geringe mate bij tot de vorming van de publieke opinie.

6.7 Het Huis Hannover

In 1714 besteeg George I als eerste koning van het Huis Hannover de Engelse troon. Hij werd opgevolgd door zijn zoon George II (regeerde van 1727 tot 1760). In deze periode kregen de ministers een zekere mate van onafhankelijkheid en macht ten opzichte van het koningschap. Ook de status van het parlement was sinds de dagen van Willem III in betekenis toegenomen. Het behield echter een zeer aristocratisch karakter, wat aard en omvang van de vertegenwoordiging betrof. Tot ca. 1760 beheersten de Whigs de politiek, daarna de Tories. Van 1721 tot 1742 waren de binnen- en de buitenlandse politiek geheel in handen van Robert Walpole, die vóór alles naar behoud van de vrede en verhoging van de welvaart streefde. Op den duur werd Groot-Brittannië toch in de Europese oorlogen betrokken. Aan de Oostenrijkse Successieoorlog en de Zevenjarige Oorlog nam het vnl. deel om zijn commerciële en koloniale suprematie in de wereld te consolideren. Al spoedig werd William Pitt (de Oudere) de ziel van deze politiek.

De Vrede van Parijs van 1763 deed Canada, Nova Scotia, Cape Breton Island en een aantal West-Indische eilanden aan Groot-Brittannië toevallen. Bovendien kreeg het de suprematie in Indië. De basis werd gelegd voor het Britse wereldrijk. In 1760 werd George III koning.

Tussen 1775 en 1783 vochten de Amerikaanse kolonies, die de Verenigde Staten van Amerika zouden gaan vormen, zich vrij (zie Amerikaanse Vrijheidsoorlog). Veel ingrijpender veranderingen zou echter de Industriële Revolutie teweegbrengen, al begonnen de meest opmerkelijke gevolgen van deze omwenteling pas in het begin van de 19de eeuw aan de dag te treden. Van 1783 beheerste William Pitt de Jongere de Britse politiek. De Franse Revolutie kende aanvankelijk in Groot-Brittannië tal van bewonderaars. Naarmate zij zich meer in radicale richting ontwikkelde, verloor zij echter de sympathie van de Engelsen. Op 1 februari 1793 brak de oorlog tussen Frankrijk en Groot-Brittannië uit. Afgezien van Nelsons overwinningen boekten de Britten in de eerste jaren weinig successen. Ierland was in de laatste jaren van de 18de eeuw in opstand. Na de pacificatie bracht Pitt een parlementaire en (anglicaans-)kerkelijke unie met Groot-Brittannië tot stand (1800; United Kingdom). De koning weigerde echter zijn fiat te geven aan de concessies die Pitt de Ierse katholieken in het vooruitzicht had gesteld. In 1802 sloot Groot-Brittannië met Frankrijk de Vrede van Amiens. Pitt, die in 1801 was afgetreden, bleef echter als ‘adviseur’ van de regering op oorlog aansturen. De vijandelijkheden begonnen in 1803 opnieuw. Bij de definitieve vrede verwierf Groot-Brittannië o.a. de Kaapkolonie, Ceylon (Sri Lanka), Malta en de Ionische eilanden.

6.8 De 19de eeuw

In de 19de eeuw bereikte Groot-Brittannië het toppunt van zijn politieke en economische macht. In de jaren onmiddellijk na 1815 leidden de naweeën van de oorlog en een zekere paniek bij de bewindslieden tot reactie in plaats van tot de zo nodige hervormingen. Hoge prijzen, lage lonen, opstootjes, sociale en politieke onrust (hetgeen o.m. leidde tot het Bloedbad van Peterloo), dit alles vroeg om radicale oplossingen. Pas in 1822 werden liberaal gezinden in het kabinet opgenomen en werd een eerste begin met progressieve maatregelen gemaakt. Reeds de zeer conservatieve Castlereagh had zich ter wille van het Britse belang verre gehouden van de politiek der Heilige Alliantie. Canning zette deze koers ook uit persoonlijke overtuiging voort door overal ter wereld het liberale en nationale verzet tegen de oude machten te steunen (vooral Zuid-Amerika, Spanje en Griekenland). Aan de Ierse en Engelse katholieken werd ten slotte recht gedaan door het afkondigen van de katholieke emancipatie in 1829 (Emancipation Act). Reeds in 1828 was de Test Act afgeschaft. De voortdurende roep om kiesrechthervorming vond in 1832 eindelijk gehoor (Reform Bill). De slavernij werd afgeschaft in 1833 (de slavenhandel reeds in 1807) en er werd een bescheiden begin gemaakt met arbeidswetgeving en armenzorg. Na de laatste mannelijke vorsten uit het Huis Hannover, George IV(1820–1830) en Willem IV(1830–1837), kwam koningin Victoria (1837–1901) aan de regering. De ontrechting en ongebreidelde exploitatie van de arbeidersklasse, die reeds eerder tot arbeidersorganisatie hadden geleid, deden de beweging van het chartisme ontstaan. De liberale actie voor afschaffing van de graanwetten (zie Anti-Corn-Law-League) en invoering van de vrijhandel werd in 1846 en volgende jaren met succes bekroond. Gedurende de tweede helft van de eeuw kwam het politieke en het economische liberalisme tot grote ontplooiing. In de oude Tory-partij was een scheuring ontstaan naar aanleiding van de kwestie van de graanwetten. De vleugel die de oude traditie voortzette en hiermee de Conservatieve Partij werd (zie Conservative Party), kwam onder leiding te staan van Disraeli; de vleugel die toenadering tot de liberalen zocht, onder Peel. Sinds de jaren zestig stonden conservatieven en liberalen echter als enig overgebleven, homogene groeperingen tegenover elkaar. In het midden van de eeuw leidde Palmerston de buitenlandse politiek, en wel op zeer provocerende wijze. De Krimoorlog, de Italiaanse en de Duitse politiek boden gelegenheid tot interventie en uitbreiding van de Engelse macht. De periode van 1868 tot 1894 werd beheerst door de twee grote staatslieden Disraeli (Conservatief) en Gladstone (liberaal). In 1867 had de tweede Reform Bill een nieuwe uitbreiding van het aantal kiesgerechtigden gebracht (voor het eerst ook arbeiders). In 1884 werden nagenoeg alle volwassen mannen kiesgerechtigd. Tijdens zijn tweede ministerie (1874–1880) maakte Disraeli een begin met de imperialistische politiek. In 1876 verschafte hij de koningin de titel keizerin van Indië. In het laatste decennium van de 19de eeuw kwam het tot de definitieve organisatie van politieke arbeiderspartijen, die ten slotte in 1906 in de Labour Party opgingen. Imperialisme en interventie, in de jaren tachtig op de achtergrond geraakt, namen in de jaren negentig weer in betekenis toe. Een tijdlang was Joseph Chamberlain de ziel van de imperialistische politiek van het Britse Rijk.

6.9 Eerste helft van de twintigste eeuw

Aldus steeds meer in de strijd van de Europese mogendheden om de hegemonie in de wereld verwikkeld, moest Groot-Brittannië ten slotte wel met de ene of de andere partij tot een akkoord komen. In 1904 koos het de zijde van Frankrijk (Entente Cordiale ). Koningin Victoria was inmiddels opgevolgd door Eduard VII(1901–1910), met wie het Huis Saksen-Coburg op de troon kwam. Nadat de unionisten van 1885 tot 1905 aan het bewind was geweest, kwam de beurt aan de liberalen, die met Campbell-Bannerman en Asquith als premiers tot 1915 regeerden. In het eerste decennium van de 20ste eeuw kwam een uitgebreide sociale en arbeidswetgeving tot stand. Sinds 1910 was de Ierse kwestie weer acuut aan de orde. Midden in de hevige strijd om de toekomstige status van Ierland werd Groot-Brittannië meegesleept in de Eerste Wereldoorlog. In 1915 werd het kabinet in een coalitieregering veranderd, die in 1916 voor een oorlogskabinet plaats maakte (onder Lloyd George). Koning George V (regeerde van 1910 tot 1936) gaf zijn Duitse titels op en veranderde de naam van zijn dynastie van Saksen-Coburg in Windsor. De onafhankelijkheidsstrijd van de Ieren ging gedurende de oorlog voort. In 1918 werd het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht ingevoerd. Na afloop van de oorlog had Groot-Brittannië niet alleen zware verliezen aan mensen en materiaal, maar kwam het bovendien voor talloze zeer ernstige politieke problemen te staan (Ierland, Indië, Palestina, Egypte, verhouding tot de dominions, houding ten opzichte van de Sovjet-Unie, grote moeilijkheden met Frankrijk naar aanleiding van de naoorlogse politiek tegenover Duitsland). Daarbij kwam een grote binnenlandse sociale onrust (arbeiderseisen, stakingen). De eerste Labour-kabinetten traden op (1924 en 1929–1931; MacDonald). De wereldcrisis dreef conservatieven, liberalen en deels de Labour Party tot elkaar in een poging de Britse economie te herstellen (nationale kabinetten-MacDonald, opgevolgd door resp. Stanley Baldwin en Austen Chamberlain). In 1931 werd de gouden standaard losgelaten. In 1932 werden beschermende tarieven ingevoerd, waarmee ook Groot-Brittannië afscheid nam van het systeem van de vrijhandel. Het Gemenebest van Naties werd in deze periode ingrijpend gereorganiseerd. Nauwelijks hadden zich de eerste tekenen van economisch herstel voorgedaan (1933), of de agressieve politiek van het fascistische Italië en het nationaal socialistische Duitsland dreef Groot-Brittannië weer in het nauw.

Als alle westerse mogendheden dacht het door toegeven te kunnen winnen. In 1936 beleefde het daarbij een koningscrisis (zie Eduard VIII). Eduard werd opgevolgd door zijn broer George VI (regeerde van 1936 tot 1952). De stuurloze buitenlandse politiek van na 1935 bereikte haar dieptepunt in de overeenkomsten van München (1938; zie Conferentie van München). Pas op het allerlaatst vond een ommekeer plaats. Oorlogsvoorbereidingen werden getroffen. Polen, Griekenland en Roemenië kregen beloften van hulp in geval van oorlog. Groot-Brittannië was echter nog geheel onvoldoende voorbereid, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In mei 1940 werd een coalitiekabinet onder Winston Churchill gevormd, dat de leiding van de oorlogvoering op zich nam. Ook uit deze oorlog kwam Groot-Brittannië zwaar gehavend te voorschijn.

6.10 1945–1970

De eerste verkiezingen na de oorlog brachten Labour met grote meerderheid aan de regering (1945, onder Attlee). Het verkeerswezen, de Bank of England, de gezondheidsdienst en de mijnen werden genationaliseerd. Groot-Brittannië trok zich terug uit India en Birma, het begin van een tot nu toe voortgezette dekolonisatiepolitiek. Als een van de bezettende mogendheden in Duitsland sloot Groot-Brittannië zich bij het Westerse blok aan, toen de verhouding tot de Sovjet-Unie slecht werd. Het distantieerde zich aanvankelijk van de Europese beweging. In 1951 kwamen de conservatieven weer aan de regering (Churchill, in 1955 opgevolgd door Anthony Eden, die naar aanleiding van de Suezcrisis in 1957 aftrad en werd opgevolgd door Harold Macmillan). Binnenslands bleef de economische toestand sinds 1945 zeer moeilijk. In 1949 devalueerde het pond sterling. Van de vele stakingen waren die in 1951 en 1955 de belangrijkste. In 1952 werd George VI opgevolgd door zijn dochter Elizabeth II.

De regeringsperiode van Macmillan besloeg een kleine zeven jaar (januari 1957 – oktober 1963). Zijn bewind genoot aanvankelijk een vrij grote populariteit, getuige de voor de Conservatieven zeer gunstige verkiezingsuitslag in oktober 1959. Suez bleek vergeten. De economisch-financiële politiek was gericht op ‘expansie zonder inflatie’; zij miste evenwel een vaste beleidslijn. De aanvankelijke expansie stagneerde, de prijzen stegen en onrustbarend was vooral sinds 1962 de stijging van de werkloosheid. In 1961 besloot de regering tot toetreding van Groot-Brittannië tot de EEG; onderhandelingen hierover werden gevoerd in 1962 (onder leiding van Edward Heath), die evenwel in januari 1963 tot een abrupt einde kwamen. Het in 1962 met de Verenigde Staten gesloten akkoord over nucleaire samenwerking maakte in feite een einde aan de Britse onafhankelijkheid op het gebied van de kernbewapening. Sindsdien is het land voor zijn essentiële nucleaire wapensystemen (zie kernwapen) aangewezen op Amerikaanse leveranties. Voor de Franse president De Gaulle was het Akkoord van Nassau aanleiding om Britse toetreding tot de EEG met zijn veto tegen te houden: De Gaulle vreesde een Amerikaans ‘Paard van Troje’. Het dekolonisatieproces zette zich onder Macmillans bewind met rasse schreden voort. Het jaar 1963 zag het heengaan van Macmillan, die in oktober van dat jaar door Douglas-Home werd opgevolgd. Door de verkiezingen van oktober 1964 kwam voor het eerst sinds dertien jaar weer een Labourregering aan de macht onder Harold Wilson. De economische problemen bleven groot. Callaghan (Financiën) trachtte handel en export te bevorderen door tijdelijk extra invoerrechten te heffen. Na veel beraad besloot men in een later stadium tot een veel ingrijpender maatregel: devaluatie (november 1967), de tweede onder Labour na 1945. Callaghan moest plaats maken voor Roy Jenkins. Ook Labour wenste na enige aarzeling Engelands toetreding tot de EEG. Struikelblok was ook nu weer Frankrijks afwijzende houding. Handhaving van de Britse machtspositie ten oosten van Suez werd voor Engeland, gezien de economische situatie, steeds moeilijker (o.a. ontruiming van Aden). De eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Rhodesië door de blanke minderheid aldaar in 1965 veroorzaakte spanningen met de jonge Afrikaanse naties en vergrootte ook de moeilijkheden in eigen land. De regering trachtte enerzijds door wettelijke restricties de immigratie van kleurlingen uit de Commonwealth-gebieden af te remmen om rassentegenstellingen te vermijden, anderzijds nam zij wettelijke maatregelen om de rassendiscriminatie tegen te gaan. Het prestige van Wilson brokkelde op het eind van de jaren zestig af: de slechte economische toestand, de pro-Nigeriaanse houding in het Biafra-conflict (wapenleveranties), het mislukken van de onderhandelingen met de Europese Gemeenschappen en de behandeling van de kwestie Rhodesië wekten zowel in oppositionele als in eigen kring onbehagen.

6.11 De jaren zeventig en tachtig

De verkiezingen van 1970 leverden een overwinning op voor de conservatieven onder Heath. Deze boekte successen: de toetreding tot de Europese Gemeenschappen per 1 januari 1973 en een akkoord met Rhodesië, dat overigens nog geen oplossing van het probleem bracht. Weinig waardering oogstte hij – m.n. van de landen van het Gemenebest – voor het hervatten van de wapenleveranties aan Zuid-Afrika. De regering-Heath had in 1973 te kampen met ernstige sociale onrust. Een slepend loonpolitiek geschil tussen regering en vakbeweging (mijnwerkers) vormde voor Heath een aanleiding om vervroegde verkiezingen uit te schrijven (februari 1974). Labour veroverde slechts een relatieve meerderheid. Wilson stelde zich aan het hoofd van een minderheidsregering en schreef tegen oktober 1974 nieuwe verkiezingen uit, waarin Labour een krappe meerderheid behaalde. Wilson legde de kwestie van het lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen, waartegen Labour in meerderheid jarenlang had geageerd, in juni 1975 voor aan de kiezers. Een ruime meerderheid stemde voor continuering van het lidmaatschap. In april 1976 werd Wilson, die zich om persoonlijke redenen als premier terugtrok, opgevolgd door Callaghan, voordien minister van Buitenlandse Zaken. Deze ondervond dermate veel economische en politieke problemen in de jaren 1977 en 1978 dat de uitslag van de verkiezingen in mei 1979 voor velen nauwelijks als een verrassing kwam: de voorzitster van de Conservatieve Partij, Margaret Thatcher, nam de plaats van Callaghan op Downing Street in, gesteund door 44% van de stemmen. De jaren tachtig zouden het tijdperk van Margaret Thatcher worden. Haar regering bereikte, na langdurige onderhandelingen, in december 1979 overeenstemming met alle strijdende partijen in Rhodesië. Het onder leiding van minister van Buitenlandse Zaken Lord Carrington bereikte akkoord leidde de onafhankelijkheid van Zimbabwe in. De relatie met de overige leden van de EG was in de eerste jaren zeer gespannen: Thatcher eiste een vermindering van de Britse bijdrage, die naar haar idee onrechtvaardig hoog was. In 1982 werden alle problemen overschaduwd door de Argentijnse bezetting van de door beide landen opgeëiste Falklandeilandengroep. De Britse regering stuurde een expeditieleger uit en na een korte strijd werden de eilanden heroverd. De operatie was riskant geweest, had veel mensenlevens gekost en was alleen mogelijk gemaakt door Amerikaanse steun. Desondanks bezorgde het Falkland-effect de Conservatieve Partij in 1983 een daverende verkiezingsoverwinning. In 1984 werd eindelijk de kwestie van de Britse bijdrage aan de EG geregeld: er werd een akkoord gesloten dat voorzag in een teruggave van een bedrag van £ 800 miljoen, en in een andere verdeling van de lasten. Toch zou de Britse verhouding tot de EG nog lang problematisch blijven. In de jaren 1984–1986 eisten vooral binnenlandse politieke kwesties de aandacht op, waaronder de confrontatie tussen de regering en de radicale mijnwerkersbond in 1984. De onder leiding van Scargill staande staking zou meer dan een jaar duren en geweldige schade berokkenen aan de Britse economie. De onderliggende kwestie was echter een politieke: de regering van premier Thatcher wilde voor eens en voor altijd afrekenen met de naar haar opvatting veel te grote invloed van de vakbonden. In die opzet slaagde ze zeker. De nederlaag van de mijnwerkers werkte ook als een effectieve afschrikking tegen de andere bonden, die in de jaren daarna nauwelijks in staat waren een factor van betekenis te vormen. In oktober 1984 werd het partijcongres van de regerende Conservatieve Partij opgeschrikt door een zware bomaanslag: premier Thatcher ontkwam ternauwernood, twee ministers werden zwaar gewond. De aanslag was het werk van het Ierse Republikeinse leger (IRA), dat daarmee de Noord-Ierse kwestie weer in het brandpunt van de Britse politiek plaatste; zie voor een uitvoerige behandeling het artikel Noord-Ierland. In 1986 verloor Thatcher een van haar populairste ministers: de minister van Defensie Michael Heseltine. Aanleiding was een onenigheid tussen beiden met betrekking tot de West-Europese defensiesamenwerking. De verkiezingen van 1987 brachten de Conservatieven hun derde achtereenvolgende grote overwinning. Eind 1989 leed Thatcher in eigen kring een gevoelig gezichtsverlies toen minister van Financiën Nigel Lawson na een ernstig meningsverschil de eer aan zichzelf hield en ontslag nam. Lawson wilde dat Groot-Brittannië zou gaan deelnemen aan het Europees Monetair Stelsel (EMS), maar Thatcher bleef hameren op een onafhankelijke Britse monetaire politiek. Weliswaar bleef Thatcher aan, maar haar Europese politiek werd vanaf toen in feite gedicteerd door de meer Europees gezinde ministers Geoffrey Howe (vice-premier), Douglas Hurd (Buitenlandse Zaken) en John Major (Financiën).

Na de Iraakse bezetting van Koeweit op 2 augustus 1990 greep premier Thatcher de ontstane crisis aan om haar aangetaste prestige weer op te vijzelen. Door het sturen van schepen, vliegtuigen en troepen naar het gebied van de Perzische Golf en door haar strijdlustige opstelling in het diplomatieke circuit nam zij in Europa het voortouw bij het organiseren van het gezamenlijk optreden van de Westerse landen in het conflict (zie Tweede Golfoorlog). Het mocht echter niet baten. Major forceerde de toetreding tot het EMS (oktober 1990) en in november trad Howe uit het kabinet. In een felle verklaring veroordeelde hij het verzet van Thatcher tegen verdergaande Europese integratie. Dit was voor Michael Heseltine, in 1986 na onenigheid met Thatcher afgetreden als minister van Defensie, het sein om het leiderschap van Thatcher ter discussie te stellen. Toen het Thatcher duidelijk werd dat zij niet meer op een meerderheid van de Conservatieve parlementsleden kon rekenen, trad zij af (22 november 1990).

6.12 Jaren negentig
6.12.1 Regering Major

Op 27 november 1990 won John Major de strijd om het leiderschap van de Conservatieve Partij en werd de nieuwe premier. Evenmin als Thatcher wenste hij grotere integratie binnen de EG. In het Verdrag van Maastricht werd op belangrijke punten een uitzondering gemaakt voor Groot-Brittannië: zo zou het land bijvoorbeeld niet deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Onder leiding van Major wonnen de Conservatieven de parlementsverkiezingen van 9 apr. 1992. Labourleider Neil Kinnock trad na de nederlaag terug en werd opgevolgd door John Smith.

Een reeks schandalen binnen de Conservatieve Partij verzwakte haar machtsbasis. In tal van tussentijdse en regionale verkiezingen leden de Conservatieven zware nederlagen. De positie van premier Major bleef zwak, ondanks het feit dat de economie een vrij rooskleurig beeld te zien gaf. Ook binnen zijn eigen partij kreeg Major veel kritiek te verduren vanwege het Europese beleid. Enkele Conservatieve Lagerhuisleden liepen over naar Labour uit onvrede over de harde sociale politiek. Eind november 1996 raakte premier Major zelfs zijn meerderheid in het Lagerhuis kwijt, nadat er weer een Conservatief Lagerhuislid uit de fractie was gestapt. Ondertussen kon de nieuwe, jeugdige Labour-voorman Tony Blair, gesteund door de opiniepeilingen die een ruime voorsprong op de Conservatieven lieten zien, zijn ideeën over verdere modernisering van zijn partij doordrijven.

Tien jaar nadat de gekkekoeienziekte (BSE) voor het eerst in Groot-Brittannië was geconstateerd, leidde de ziekte in 1996 tot internationale opschudding, toen bekend werd dat de ziekte mogelijk kon worden overgedragen op mensen door het eten van besmette rundvleesproducten. Dit kon leiden tot een dodelijke hersenaandoening, een variant van de ziekte van Creutzfeld-Jakob. De halfslachtige en nalatige houding van de Britse regering om tegemoet te komen aan de eis van de EU om een totaal exportverbod uit te vaardigen voor Brits rundvlees en Britse rundvleesproducten zette de verhoudingen binnen de EU op scherp. De situatie escaleerde toen premier Major ertoe overging alle Europese besluitvorming voor enige tijd te blokkeren. Uiteindelijk beloofden de Britten aanvullende maatregelen te nemen. De Europese Unie hield een importverbod van Britse rundvleesproducten in stand. Later bleek dat de overheid tussen 1986 en 1996 had nagelaten verspreiding van BSE effectief te voorkomen.

6.12.2 Regering-Blair

De algemene verkiezingen van mei 1997 leverden een grote overwinning op voor Labour onder leiding van Tony Blair. In Schotland en Wales raakten de Conservatieven al hun zetels kwijt; Major gaf het partijleiderschap op en werd opgevolgd door William Hague. De belangrijkste bestuurlijke vernieuwing die Labour voorstond, waren de plannen voor beperkt zelfbestuur voor Schotland en Wales. De bevolking van beide landsdelen stemde bij referenda in met de plannen, en in 1999 werden de parlementen geïnstalleerd. Een andere hervorming betrof het Hogerhuis, traditioneel een Conservatief bolwerk. In 1999 werd de erfelijke adel het vaste recht op een zetel ontnomen.

Met zijn ambitieuze Strategic Defence Review toonde Blair dat hij Groot-Brittannië een toonaangevende rol in de wereld wilde laten spelen. Ook schaarde hij zich in woord en daad (Britse jachtbommenwerpers) achter de Amerikaanse president Clinton toen deze in december 1997 Irak liet bombarderen als sanctie voor het niet nakomen van beloftes aan de Verenigde Naties.

6.12.3 Noord-Ierse kwestie

De in 1996 begonnen gesprekken tussen alle betrokken partijen, de 'all party talks', raakten in een impasse doordat Sinn Féin pas mee mocht praten als de IRA de wapens zou inleveren, wat deze weigerde. Om de patstelling te doorbreken, stelde premier Blair op 25 juni 1997 'parallelle ontmanteling' voor: tijdens de vredesonderhandelingen zouden de wapens ingeleverd moeten worden. Na lange gesprekken met de Britse regering en de Amerikaanse onderhandelaar George Mitchell was de grootste protestantse partij, de Ulster Unionist Party, bereid op 29 september aan de onderhandelingstafel in Stormont Castle in Belfast te verschijnen. De gesprekken beperkten zich in de volgende maanden tot de tafelschikking en de agenda. In oktober bezocht Blair Noord-Ierand, waar hij achter gesloten deuren met Adams sprak. Het was de eerste ontmoeting van een Britse premier met een republikeinse leider sinds 1921. In december vond in Londen een tweede gesprek tussen beiden plaats.

De Britse minister voor Noord-Ierland, Mo Mowlam, bezocht op 9 januari 1998 de Maze-gevangenis in een poging loyalistische gevangenen die hun steun voor het vredesproces hadden ingetrokken, over te halen zich alsnog hiermee te verenigen. Hun mening gaf de doorslag bij het al dan niet aanwezig zijn van de Progressive Unionist Party en de Ulster Democratic Party bij de vredesbesprekingen tussen alle partijen in Noord-Ierland. Na haar bezoek en de belofte van Mowlam meer te doen op het punt van vertrouwenwekkende maatregelen, schaarden de gevangenen zich achter de onderhandelingen. Op 10 april, Goede Vrijdag 1998, werd overeenstemming bereikt over een algeheel vredesakkoord. In Noord-Ierland werd het verdrag, bij een op 22 mei gehouden referendum, door 71% van de uitgebrachte stemmen aanvaard. Hiermee kwam de weg vrij voor verkiezingen van de 108 zetels tellende Noord-Ierse assemblee, die op 25 juni gehouden werden. De loyalistische Ulster Unionist Party (UUP) en de katholiek-nationalistische Social Democratic and Labour Party (SDLP) kwamen met respectievelijk 28 en 24 zetels als grootste partijen uit de verkiezingen tevoorschijn. De leider van de UUP, David Trimble, werd op 1 juli 1998 tot premier gekozen.

Op 15 augustus 1998 ontplofte een zware autobom in het Noord-Ierse Omagh, waardoor 28 mensen om het leven kwamen. Een republikeinse splintergroep hoopte met deze terreurdaad het vredesakkoord ongedaan te maken. De aanslag had een averechtse uitwerking: protestantse unionisten en katholieke nationalisten veroordeelden de actie scherp en diverse republikeinse splintergroepen sloten een staakt-het-vuren. Aan John Hume (SDLP) en David Trimble (UUP) werd op 16 oktober de Nobelprijs voor de Vrede toegekend. Trimble zag de prijs als prematuur; de problematiek over de ontwapening van paramilitaire groepen bleef een bron van zorg.

6.12.4 Koninklijke familie

De jaren negentig werden gekenmerkt door problemen en schandalen binnen de Britse koninklijke familie. 1992, het jaar van veertigjarig jubileum van koningin Elizabeth, noemde zij een ‘annus horribilis’ doelend op de vele crisissen die zich binnen de familie Windsor hadden afgespeeld en die de voorbeeldfunctie van de koninklijke familie ernstig hadden aangetast. In dat jaar scheidden prins Andrew en Sarah Ferguson, werden er in de pers vragen gesteld over haar historische vrijstelling van het betalen van inkomstenbelasting en verscheen het boek Diana, haar eigen verhaal, geschreven door Andrew Morton en naar men zei met medewerking van prinses Diana, waarin breed werd uitgemeten hoe ongelukkig de bijzonder populaire prinses was binnen het starre Engelse hof. Ook werd duidelijk dat prins Charles zijn verhouding met Camilla Parker Bowles, die al dateerde van voor zijn huwelijk, nooit had beëindigd. In de jaren die volgden was de koninklijke familie regelmatig voorpaginanieuws in de roddelpers. Eind februari 1996 kwam er officieel een einde aan het huwelijk tussen kroonprins Charles en prinses Diana. De dood van prinses Diana in 1997 dompelde het Engelse volk in grote rouw.

7. De 21ste eeuw
7.1 Binnenlandse ontwikkelingen

In februari 2001 werd de uiterst besmettelijke veeziekte mond- en klauwzeer geconstateerd in een abattoir in Essex. Bijna 4 miljoen dieren werden afgemaakt. De schade voor de landbouw bedroeg circa 1,9 miljard pond; de inkomstenderving in de toeristensector bedroeg 2 à 3 miljard pond.

Bij de verkiezingen voor het Lagerhuis in juni 2001 verloor Labour enkele zetels maar behield de partij van premier Tony Blair een grote meerderheid. In mei 2005 won Blair opnieuw, zij het weer met een kleinere meerderheid.

In reactie op de terreuraanslagen in de VS op 11 september 2001 werden antiterrorismewetten ingevoerd die de autoriteiten vergaande bevoegdheden gaven, zoals het gevangen houden van verdachten zonder een aanklacht te formuleren. Die bepaling werd echter door de hoogste rechters afgekeurd, waarop in 2005 een aangepaste wet werd aangenomen die het vasthouden in een gevangenis verving door huisarrest.

In maart 2002 stemde het Lagerhuis voor een verbod op jacht met honden, maar het Hogerhuis koos voor het toestaan van de vossenjacht. Tegenstanders van de vossenjacht wezen op de gruwelijke dood van de door honden opgedreven vossen, voorstanders op het belang van de jacht voor de rurale economie. Het conflict tussen beide kamers van het parlement herhaalde zich in 2003. De regering koos in 2004 uiteindelijk voor inzet van de Parliament Act, een bijzondere wet waarmee het Hogerhuis buitenspel werd gezet en de jacht verboden kon worden.

Op 7 juli 2005 werden zelfmoordaanslagen gepleegd op drie metrotreinen en een dubbeldekkerbus in Londen. In totaal kwamen bij deze aanslagen 56 mensen om het leven, onder wie de vier daders. Ook vielen er zevenhonderd gewonden. De daders bleken Britse moslims te zijn, voornamelijk van Aziatische afkomst.

Het Verenigd Koninkrijk trad niet toe tot de eurozone. De regering noemde als argument dat de verschillen tussen de Britse economie en die van de landen in de eurozone te groot waren voor een succesvolle introductie van de eenheidsmunt. De Britse economie ontwikkelde zich in de eerste jaren van de 21ste eeuw voorspoedig; het bruto binnenlands product (bbp) groeide doorgaans sneller dan het EU-gemiddelde.

7.2 Buitenlandse betrekkingen

Groot-Brittannië ontpopte zich al snel tot de voornaamste bondgenoot van de Verenigde Staten na de terreuraanslagen op New York en Washington, op 11 september 2001, waarbij ook tientallen Britten om het leven kwamen. Britse krijgsmachteenheden namen vanaf het begin in oktober deel aan de aanval op Afghanistan.

Ook inzake Irak was de regering-Blair solidair met de VS. Blair presenteerde in september 2002 een inlichtingenrapport aan het Lagerhuis waaruit zou blijken dat Irak over snel inzetbare chemische vernietigingswapens beschikte, en dat er een reële kans bestond dat die wapens in handen zouden vallen van terroristen. Premier Blair was met de Amerikaanse regering van mening dat Irak zich niet aan VN-resolutie 1441 hield, waarin van Irak geëist werd onvoorwaardelijk mee te werken aan inspecties naar massavernietigingswapens, en dat dat voldoende legitimatie bood om gewapend optreden te rechtvaardigen. Samen met de VS werd op 20 maart 2003 de aanval op Irak en Saddam Hussein ingezet.

Irak werd een blok aan het been van Blair. Er was grote weerstand tegen de inval, ook binnen zijn partij. Massavernietigingswapens werden niet gevonden. Na de inval ontstond in Irak geleidelijk aan een burgeroorlog. Er verschenen foto's waarop te zien was hoe Iraakse krijgsgevangenen mishandeld werden door Britse soldaten. Een wapendeskundige wiens uitspraken over politiek-wenselijke aanpassingen van het inlichtingenrapport door een BBC-journalist sterk aangedikt naar buiten werden gebracht, pleegde in 2003 zelfmoord nadat zijn identiteit bekend was geworden. Blair bood in september 2004 zijn excuses aan voor de foutieve inlichtingenrapporten. Uit een op last van de premier uitgevoerd onderzoek naar het functioneren van de inlichtingendiensten bleek dat de inlichtingendienst MI6 zijn bronnen onvoldoende had gecontroleerd.

7.3 Noord-Ierland

Problemen rond de uitvoering van de in het Goede Vrijdag-akkoord gemaakte afspraak over de ontmanteling van de wapenvoorraad van de IRA leidden in 2000 enige tijd tot herstel van het directe bestuur vanuit Londen. In mei werd de schorsing van de Noord-Ierse regering van de separatistische Sinn Féin en de unionistische UUP weer opgeheven.

Eerste minister David Trimble trad in 2001 enkele maanden terug nadat de IRA wederom weigerde wapens in te leveren. Na 11 september veranderde de terreurbeweging van gedachten en kon Trimble terugkeren. De Britse regering maakte een begin met het ontmantelen van militaire installaties en wachttorens van de politie.

De IRA bleek in 2002 over informanten te beschikken binnen het Britse ministerie voor Noord-Ierse zaken. Voor Trimble was dit een aanwijzing dat coalitiegenoot Sinn Féin niet te vertrouwen was. Nog voor Trimble terug kon treden, schorste de Britse regering het zelfbestuur, om verdere escalatie te voorkomen.

Verkiezingen voor het Noord-Ierse parlement in november 2003 werden gewonnen door de meest radicale partijen aan beide zijden van het politieke spectrum: Sinn Féin aan katholieke zijde, en de Democratic Unionist Party (DUP) van dominee Ian Paisley aan protestantse zijde. De Britse regering zag hierin geen mogelijkheden voor een werkbare situatie en handhaafde het directe bestuur vanuit Londen. In 2004 werd zonder succes alsnog geprobeerd DUP en Sinn Féin tot elkaar te brengen. De IRA zette in 2005 de deur voor nieuwe besprekingen open door alsnog de wapens in te leveren. Maar pas toen de DUP in maart 2007 zijn verzet opgaf tegen samenwerking met Sinn Féin, de politieke tak van de IRA, kwam de weg vrij voor definitieve vredesbesprekingen. Uiteindelijk lukte het Tony Blair en zijn Ierse collega premier Bertie Ahern in mei 2007 om katholieken en protestanten samen te brengen in een coalitieregering onder leiding van Ian Paisley en met Martin McGuinness, voormalig IRA-bestuurslid, als vice-premier. Na een vredesproces van meer dan tien jaar kwamen daarmee voormalige aartsvijanden in Noord-Ierland tot elkaar.