Zoekweergave gregoriaanse muziek

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

gregoriaanse muziek

gregoriaanse muziek, of gregoriaans, de officiële muziek van de Romeinse liturgie. In ruimere zin, maar feitelijk ten onrechte, werden er ook de gezangen van andere katholieke liturgieën – bijv. de Milanese – en plaatselijke devoties onder verstaan. De stijl van de gregoriaanse muziek wordt gekenmerkt door: eenstemmigheid (zonder begeleiding), het als regel gebonden zijn aan diatoniek en aan de modaliteit van de kerktoonsoorten en door een vrij ritme.

De muziek dankt wel de naam, maar vermoedelijk niet haar ontstaan aan paus Gregorius de Grote (gest. 604), wiens verdiensten meer op liturgisch terrein liggen. In zijn thans nog bekende vorm is het gregoriaans, naar men meer en meer aanneemt, bovendien van jongere datum en eerder een Karolingische samenvatting van een oudere Italische zangstijl (het zgn. oud-Romeins), waarin ook joodse, Syrische en Byzantijnse invloeden hebben doorgewerkt.

Het gregoriaans omvat alle mis- en officiegezangen van het kerkelijke jaar, al naar gelang hun liturgische functie variërend van uiterst eenvoudig (officie-antifonen door de week) tot uiterst virtuoos (responsories); bovendien rekent men ertoe de zgn. gebonden melodieën van de liturgische recitatieven (epistel-, evangelie-, oratie-, prefatietonen, enz.), alsmede de formules van de psalmodie. De antifonen zijn oorspronkelijk bedoeld als omlijsting van een psalm en werden door een koor gezongen; de responsoria, die in mis en officie volgen (of volgden) op een schriftlezing, worden door een ‘solist’ (= voorzanger) en koor uitgevoerd. Antifonen en responsoria ontlenen hun teksten vrijwel steeds op een associatieve manier aan de Heilige Schrift (de Bijbel), met name aan het psalter (de 150 psalmen). Antifonen en responsoria vormen het proprium der feesten: in principe heeft iedere dag zijn eigen melodieën. Daartegenover staat het onveranderlijke ordinarium (in de mis: Kyrie-Gloria-Credo-Sanctus-Agnus Dei), waarvan de muziek in het algemeen later ontstaan is.

Niet-bijbels van tekst en qua muzikaal karakter dikwijls romantischer is ten slotte de groep van de metrische hymnen (officie) en sequenties (mis), die tegen het eind van de middeleeuwen het klassieke gregoriaans bijna overwoekerde, maar door het Concilie van Trente (1545–1563) drastisch werd besnoeid. Na een periode van verval hebben speciaal de benedictijnen van de abdij Solesmes sinds het eind van de 19de eeuw geijverd voor een herstel van het gregoriaans. Sedert de invoering van de volkstaal in de liturgie in de jaren zestig van de 20ste eeuw neemt het gregoriaans een aanzienlijk minder belangrijke plaats in de liturgieviering in.