| gotiek | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Overige kunsten |
Uitgaande van de bouwkunst en van de beeldhouwkunst aan de gebouwen heeft men de gotiek als stijlaanduiding uitgebreid tot de schilderkunst, de miniatuurschilderkunst, ivoorreliëfs, interieurdecoraties, tapisserieën (mille-fleurs-tapijten), meubelen, kostuums en edelsmeedwerk. De vormentaal immers vertoont grote overeenkomsten en is afgeleid van die van de bouwkunst. De versieringsvormen die in en aan de gotische architectuur zijn ontstaan, hebben in alle mogelijke andere materialen in alle vormen van kunstbeoefening toepassing gevonden. De glasschilderkunst beïnvloedde de miniatuurschilderkunst. In Frankrijk bereikte de miniatuurschilderkunst een hoogtepunt in de 13de eeuw (psalterium van koning Lodewijk de Heilige, Bibliothèque Nationale, Parijs); in de 15de eeuw waren Parijs en Dijon artistieke centra. De miniatuurschilderkunst ging zover dat zij de indelingen overnam van het glasraam, dezelfde rijke kleurigheid en het aanbrengen van het schitterend licht door het toepassen van bladgoud.
De schilderkunst van de late middeleeuwen weet steeds, behalve het didactische element ook het spiritualisme te behouden dat, evenals in de gotische bouwkunst, standhoudt naast de technische verbeteringen. Aanvankelijk waren de schilders in heel West-Europa trouw aan de meer abstracte uitbeelding en het hiëratisme van de Byzantijnse kunst. Nog lang maakten zij hun persoonlijke opvattingen ondergeschikt aan de algemeen geldende concepten van de overlevering. Giotto bracht wel in zijn muurschilderingen van het begin van de 14de eeuw meer menselijkheid, maar de vergeestelijking blijft in het Westen leven tot het begin van de 16de eeuw.
Evenals aan de andere gotische kunsten leverde Frankrijk ook aan de schilderkunst een belangrijke impuls. Aan het pauselijk hof te Avignon, waar de Siënees Simone Martini in 1339 werkzaam was, ontstond een verbinding tussen de Franse en Italiaanse vormentaal, van waaruit de internationale stijl kon ontstaan. Aandacht voor het detail en voor de natuur, een rijk geschakeerd kleurenpalet en vloeiende lijnen maakten dat ook profane thematiek in de schilderkunst werd opgenomen. In Italië werd Siena in de eerste helft van de 14de eeuw toonaangevend. De paneelschilderkunst kwam er tot ontwikkeling en werd in de 15de eeuw vooral door de panelen van de Nederlanders (zgn. Vlaamse Primitieven) beïnvloed. In de Duitse landen bloeide in de 14de eeuw de schilderkunst met name in Keulen en Praag aan het hof van keizer Karel IV (Boheemse school).
Centra van toegepaste kunst waren Parijs, Limoges, de Zuid-Nederlandse steden, Londen, Keulen en het gebied van de Boven-Rijn, Florence, Siena, Venetië en Genua.