gotiek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
gotiek
2. Beeldhouwkunst

Na de rijke decoratieve fantasie van de romaanse sculptuur brengt de gotiek aanvankelijk versobering, doordat de lineaire behandeling van de vlakken en blokken plaats maakt voor een meer plastische opvatting, die met zich meebrengt dat men het oppervlak van het beeld allereerst beschouwt als begrenzing van de vorm; het westelijk portaal van de kathedraal te Chartres toont de overgangsstijl uit ca. 1145. De beelden zijn nog elementen van de architectuur: figuraal bewerkte zuilen. De belangstelling van de kunstenaar wordt ruimer en gaat meer op bijzonderheden in, zodat de figuren een grotere verscheidenheid krijgen door een eerste poging tot individuele expressie. Volume, lijn en vlak van het beeldhouwwerk krijgen een zelfstandige waarde binnen het architectonisch geheel en hun licht- en schaduwwerking wordt in verband hiermee nadrukkelijker. Met de overgang van de architectuur-versierende plastiek naar vrijstaande beelden, hangt de omstandigheid samen dat de voorkeur voor het gebruik van diermotieven plaats maakte voor toepassing van de menselijke gestalte als hoofdmotief. De gotische beeldhouwer behandelt de menselijke figuur niet meer met de volstrekte onverschilligheid voor organische bouw en proporties welke in de romaanse plastiek opvalt. Zonder naturalistisch te zijn wordt de houding natuurlijk en de plooienval van de gewaden voegt zich logisch en niet meer uitsluitend decoratief om de gestalten. De primair geestelijk gerichte levensbeschouwing had tot gevolg dat het lichaam als ondergeschikt behandeld werd aan de zielsexpressie, die zich concentreert in de gelaatsuitdrukking. In sterk contrast tot de edele harmonie van de heiligen- en engelenfiguren staan de duivels en dierenkoppen, die als waterspuwer of versiering van luchtbogen aan het exterieur van de kathedralen voorkomen.

Tegen het eind van de 13de eeuw ontwikkelt de beeldhouwkunst – in overeenstemming met de architectuur – zich tot grotere verfijning en in de 14de eeuw zet deze richting zich voort. Het algemene kenmerk van ingetogen ernst verdwijnt en maakt plaats voor het steeds nadrukkelijker accentueren van een hoofs raffinement.

Omstreeks het midden van de 14de eeuw keerde de belangstelling van de beeldhouwers zich naar de natuur en streefden zij naar sterkere individualisering en markantere karakteristiek. Een krachtig realisme gaat de boventoon voeren. In het algemeen kan men zeggen dat de kunstenaars overgaan van een synthetische kijk op de natuur naar een analytische visie. Waar de gave eenheid van het enkele beeldhouwwerk achteruitgaat, kan men een grote verruiming van de beeldende mogelijkheden opmerken.

Frankrijk had tot het midden van de 14de eeuw het voorbeeld gegeven in de kunst. Dit werd in hoge mate bevorderd door de omstandigheid dat tot in Hongarije en Kroatië Franse architecten, beeldhouwers en schilders werkten. De verschillende componenten van de ‘omwenteling’ uit de 2de helft van de 14de eeuw, nationalisme, individualisme, realisme, enz. werken het ontstaan van nationale en regionale scholen in de hand, waarbinnen zich weer het oeuvre van individuele kunstenaars aftekent. Naast de verschillende Duitse scholen, zoals de Neder-Rijnse en de Beierse, is Bourgondië; een van de belangrijkste centra geweest, vooral door het werk van Claus Sluter.

In de 15de eeuw beleeft de gotiek haar laatste bloei in de zgn. style flamboyant. Algemeen is het verschijnsel dat de plastische versiering de architectuur overwoekert en een voorkeur heeft voor een drukke bewogenheid en een weids gebaar. Terwijl de oudere middeleeuwse beeldhouwkunst vnl. in steen uitgevoerd is, geven de laat-gotische kunstenaars, vooral in Duitsland en de Nederlanden, de voorkeur aan hout, dat bijna altijd zorgvuldig gepolychromeerd en gedeeltelijk verguld werd. Dit materiaal biedt veel grotere mogelijkheden tot een losse vormgeving dan steen.