Zoekweergave gotiek

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

gotiek
Introductie

gotiek, benaming voor een stijl in de Europese middeleeuwse kunst van ca. 1150 tot ca. 1420 (in Italië) en tot ca. 1500 (in Noord-Europa). De term gotiek werd oorspronkelijk gebruikt door 15de-eeuwse humanisten om een bepaald type middeleeuws schrift tegenover het ‘romeinse’ schrift aan te duiden. In de 16de eeuw vertolkte Vasari de afkeurende mening met betrekking tot de kunstwerken, maar vooral de architectuur, van de 15de eeuw en de daaraan voorafgaande drie eeuwen benoorden de Alpen: ‘mostruosa e barbara... la maniera trovata dai Gothi’. Maar al in de loop van de 17de eeuw valt er een kentering in de waardering te bespeuren. Guarino Guarini analyseerde de verschillen tussen romaanse en gotische architectuur: de gotische kathedraalbouwers probeerden hun kerken een ogenschijnlijk zwakke structuur te geven, zodat het een wonder zou lijken dat zij overeind bleven; zij construeerden bogen die lijken te zweven en volledig geperforeerde torens, enorm hoge ramen en overkappingen zonder de ondersteuning van muren. Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw, ten tijde van de Verlichting, is er zowel in Italië als in Frankrijk en Duitsland sprake van een hernieuwde belangstelling voor de technische verworvenheden van de gotische architectuur.

1. Architectuur

Formeel gezien wordt de gotiek vooral gekenmerkt door de systematische toepassing van spitsboog en ribgewelf. Geen van beide behoort op zichzelf uitsluitend tot de gotiek. De spitsboog komt al in de zuiver romaanse architectuur voor (Bourgondië) en ook de gewelfrib was bekend in verschillende regionale romaanse stijlscholen (o.a. Lombardije, Normandië, Engeland).

Tot de eigenschappen van de volledig ontwikkelde gotiek behoort een streven naar buitengewone rijzigheid en ijlheid, naar het oplossen van het bouwwerk in louter ‘actieve’ elementen als pijlers, bundels van colonnetten, bogen en gewelfribben, terwijl de wanden zoveel mogelijk worden opgelost in vensters. Door rijke profilering wordt aan het bouwwerk het massale karakter ontnomen. De gotiek heeft geen neiging de ruimte en de uitwendige verschijning overzichtelijk en in grote partijen in te delen: door herhalen van steeds weer gelijksoortige geledingen wordt de indruk gevestigd van onbepaalde veelheid en samengesteldheid. De gotiek suggereert de onmeetbare verte en de onpeilbare hoogte. Ten dienste van dit streven ontwikkelt zij een verbluffend verfijnd technisch systeem van verdeling en concentratie van krachten.

Tot de elementen, die kenmerkend zijn voor de gotiek behoren de steunberen, die, dwars op de wanden geplaatst, de buitenwaartse druk van gewelven en bogen opnemen, de luchtbogen, die over de zijbeuken worden geslagen om de buitenwaartse druk van de gewelven der hoge middenbeuken te neutraliseren, de stenen vensterharnassen, die de vensteropeningen vullen met stijlen, uitlopend in het ornamentale spel van de traceringen, de opengewerkte balustraden langs de goten aan de voet van de daken, de fialen of pinakels, die geplaatst worden op en tegen de steunberen en in de balustraden, de frontalen of wimbergen, die als rijzige frontons de vensters bekronen, de hogels en kruisbloemen, die de hellende kanten en toppen van fialen en frontalen met vegetatieve decoratie verrijken, de triforia, passages in de wanden van de middenbeuken der basilica's tussen de toppen van de scheibogen en de onderdorpels der vensters, die met luchtige arcaden de vlakken breken. Een buitengewone voorliefde toont de gotiek voor torens.

De volledigste verwerkelijking vond de gotiek in het kerkgebouw met zijn annexen als kloostergangen en kapittelzalen. Voornamelijk decoratief uit zij zich aan burchten en vorstelijke residenties, aan stedelijke gebouwen als hallen, stadhuizen en woonhuizen.

Aan de buitenzijde van de kerken verschijnt een steeds overdadiger versiering met beeldhouwwerk, vooral bij de portalen, en met bouwornamenten. Het beeldhouwwerk wordt meer en meer onafhankelijk van de architecturale vormen en hoewel de inhoud sterk aan programma's en tradities gebonden blijft, wordt wat betreft de vorm steeds meer het model uit de natuur nagevolgd. Bij de versiering van het interieur (ook in de burgerlijke bouwkunst) legt men zich vooral toe op het maken van gekleurde ramen (zie glasschilderkunst). De wandschilderkunst krijgt minder kansen, terwijl ook de figurale sculptuur aan de kapitelen gaat verdwijnen.

1.1 Regionale ontwikkelingen

Het spreekt vanzelf dat de ontwikkeling in de verschillende streken, ook binnen Frankrijk zelf, telkens anders is verlopen (bijv. in Bourgondië en Normandië), terwijl er echter ook bijzondere bouwvormen zijn die dwars door alle regionale grenzen heen navolging hebben gevonden, zoals de kerkbouw van de cisterciënzers.

Als het begin van de gotische bouwkunst beschouwt men thans algemeen de onder leiding van abt Suger tussen 1132 en 1144 tot stand gekomen abdijkerk van St-Denis (bij Parijs). Hoewel men de vorm van de sculpturen aan het westportaal van de St-Denis (voor zover dit aan de reconstructies kan worden beoordeeld) romaans kan noemen, moet men de inhoud en de symboliek van het geheel ook toeschrijven aan de ideeën van Suger: de het portaal betredende gelovigen worden symbolisch van het Oude naar het Nieuwe Testament geleid. Dit idee, evenals dat van de van een (heiligen)beeld voorziene zuilen aan weerszijden van het portaal, heeft de compositie en de inhoud van vele gotische portalen voor het vervolg bepaald.

Omstreeks 1140 ontstaan ook de oudste delen van de kathedraal van Sens, welke ongeveer terzelfder tijd in aanbouw waren. Gedurende de tweede helft van de 12de eeuw verrijzen in verder ontwikkelde stijl de kathedralen van Parijs, Laon en Noyon. Zij vertonen nog verschillende archaïsche bijzonderheden, die op den duur verdwijnen, zoals galerijen boven de zijbeuken en een rijke groepering met torens zowel aan de voorzijde als bij de einden van de dwarsschepen. In aanleg zijn ook nog te Chartres, Reims en Rouen dergelijke torens aan de einden van de dwarspanden aanwezig. De klassieke fase van de gotiek begint met de kathedraal van Chartres (ca. 1200), spoedig gevolgd door die van Reims (kort na 1210) en bereikt haar hoogtepunt in de kathedraal van Amiens (begonnen 1220).

Het ideaal van de Noord-Franse gotiek was de kerk van het basilicale type. Op den duur ontstaan evenwel verschillende andere typen. Tot de niet-basilicale behoren de hallenkerken met twee, drie of meer beuken van gelijke hoogte en de pseudobasiliek, een tussenvorm, waarbij de middenbeuk wel hoger is dan de zijbeuken, maar geen eigen vensters heeft. Vooral in Spanje, Zuid-Frankrijk en Italië komen kerken voor, die ondanks aanzienlijke afmetingen toch maar één enkele beuk hebben met gewelven van enorme spanning, of, wat vooral in Italië voorkomt, met een simpele houten overdekking. Sommige streken brengen een markante baksteengotiek voort (zie baksteenarchitectuur). Lang niet alle eigenschappen, die kenmerkend zijn voor de Noord-Franse klassieke gotiek, gelden in andere gewesten.

In elk land heeft de gotiek aldus een eigen ontwikkeling gekregen, hoewel men steeds is uitgegaan van de Franse vormen. Voor Frankrijk onderscheidt men de volgende perioden: vroege gotiek, tweede helft 12de eeuw (o.a. St-Denis, Sens, Laon, Parijs); hoge gotiek, ca. 1190 – ca. 1250 (Chartres, Reims, Amiens); rayonnante gotiek, ca. 1250 – ca. 1400; late of flamboyante gotiek, ca. 1400 – ca. 1500. Engeland heeft zich wat betreft de gotiek zeer zelfstandig ten opzichte van Frankrijk ontwikkeld. De indeling in perioden is er als volgt: early English, tot ca. 1275; curvilinear of decorated, ca. 1275 – ca. 1300; perpendicular, tot in de 16de eeuw. Voor de Duitse landen gelden de perioden: Frühgotik, ca. 1250 – ca. 1300; Hochgotik, ca. 1300 – ca. 1400; Spätgotik, ca. 1400 – 16de eeuw. Hier (en in de Nederlanden) had men voorkeur voor de hallenkerk.

In Spanje volgde men in het algemeen de Franse voorbeelden vanaf de 13de eeuw, vaak vermengd met Moorse elementen. In Italië ziet men wel de uiterlijke, vooral ornamentele kenmerken van de gotiek in de bouwkunst, maar in wezen bleven de Italiaanse bouwmeesters toch vasthouden aan de vooral voor het interieur karakteristieke brede, door weinig dunne zuilen ingedeelde ruimte van de vroeg-christelijke basilica.

2. Beeldhouwkunst

Na de rijke decoratieve fantasie van de romaanse sculptuur brengt de gotiek aanvankelijk versobering, doordat de lineaire behandeling van de vlakken en blokken plaats maakt voor een meer plastische opvatting, die met zich meebrengt dat men het oppervlak van het beeld allereerst beschouwt als begrenzing van de vorm; het westelijk portaal van de kathedraal te Chartres toont de overgangsstijl uit ca. 1145. De beelden zijn nog elementen van de architectuur: figuraal bewerkte zuilen. De belangstelling van de kunstenaar wordt ruimer en gaat meer op bijzonderheden in, zodat de figuren een grotere verscheidenheid krijgen door een eerste poging tot individuele expressie. Volume, lijn en vlak van het beeldhouwwerk krijgen een zelfstandige waarde binnen het architectonisch geheel en hun licht- en schaduwwerking wordt in verband hiermee nadrukkelijker. Met de overgang van de architectuur-versierende plastiek naar vrijstaande beelden, hangt de omstandigheid samen dat de voorkeur voor het gebruik van diermotieven plaats maakte voor toepassing van de menselijke gestalte als hoofdmotief. De gotische beeldhouwer behandelt de menselijke figuur niet meer met de volstrekte onverschilligheid voor organische bouw en proporties welke in de romaanse plastiek opvalt. Zonder naturalistisch te zijn wordt de houding natuurlijk en de plooienval van de gewaden voegt zich logisch en niet meer uitsluitend decoratief om de gestalten. De primair geestelijk gerichte levensbeschouwing had tot gevolg dat het lichaam als ondergeschikt behandeld werd aan de zielsexpressie, die zich concentreert in de gelaatsuitdrukking. In sterk contrast tot de edele harmonie van de heiligen- en engelenfiguren staan de duivels en dierenkoppen, die als waterspuwer of versiering van luchtbogen aan het exterieur van de kathedralen voorkomen.

Tegen het eind van de 13de eeuw ontwikkelt de beeldhouwkunst – in overeenstemming met de architectuur – zich tot grotere verfijning en in de 14de eeuw zet deze richting zich voort. Het algemene kenmerk van ingetogen ernst verdwijnt en maakt plaats voor het steeds nadrukkelijker accentueren van een hoofs raffinement.

Omstreeks het midden van de 14de eeuw keerde de belangstelling van de beeldhouwers zich naar de natuur en streefden zij naar sterkere individualisering en markantere karakteristiek. Een krachtig realisme gaat de boventoon voeren. In het algemeen kan men zeggen dat de kunstenaars overgaan van een synthetische kijk op de natuur naar een analytische visie. Waar de gave eenheid van het enkele beeldhouwwerk achteruitgaat, kan men een grote verruiming van de beeldende mogelijkheden opmerken.

Frankrijk had tot het midden van de 14de eeuw het voorbeeld gegeven in de kunst. Dit werd in hoge mate bevorderd door de omstandigheid dat tot in Hongarije en Kroatië Franse architecten, beeldhouwers en schilders werkten. De verschillende componenten van de ‘omwenteling’ uit de 2de helft van de 14de eeuw, nationalisme, individualisme, realisme, enz. werken het ontstaan van nationale en regionale scholen in de hand, waarbinnen zich weer het oeuvre van individuele kunstenaars aftekent. Naast de verschillende Duitse scholen, zoals de Neder-Rijnse en de Beierse, is Bourgondië; een van de belangrijkste centra geweest, vooral door het werk van Claus Sluter.

In de 15de eeuw beleeft de gotiek haar laatste bloei in de zgn. style flamboyant. Algemeen is het verschijnsel dat de plastische versiering de architectuur overwoekert en een voorkeur heeft voor een drukke bewogenheid en een weids gebaar. Terwijl de oudere middeleeuwse beeldhouwkunst vnl. in steen uitgevoerd is, geven de laat-gotische kunstenaars, vooral in Duitsland en de Nederlanden, de voorkeur aan hout, dat bijna altijd zorgvuldig gepolychromeerd en gedeeltelijk verguld werd. Dit materiaal biedt veel grotere mogelijkheden tot een losse vormgeving dan steen.

3. Overige kunsten

Uitgaande van de bouwkunst en van de beeldhouwkunst aan de gebouwen heeft men de gotiek als stijlaanduiding uitgebreid tot de schilderkunst, de miniatuurschilderkunst, ivoorreliëfs, interieurdecoraties, tapisserieën (mille-fleurs-tapijten), meubelen, kostuums en edelsmeedwerk. De vormentaal immers vertoont grote overeenkomsten en is afgeleid van die van de bouwkunst. De versieringsvormen die in en aan de gotische architectuur zijn ontstaan, hebben in alle mogelijke andere materialen in alle vormen van kunstbeoefening toepassing gevonden. De glasschilderkunst beïnvloedde de miniatuurschilderkunst. In Frankrijk bereikte de miniatuurschilderkunst een hoogtepunt in de 13de eeuw (psalterium van koning Lodewijk de Heilige, Bibliothèque Nationale, Parijs); in de 15de eeuw waren Parijs en Dijon artistieke centra. De miniatuurschilderkunst ging zover dat zij de indelingen overnam van het glasraam, dezelfde rijke kleurigheid en het aanbrengen van het schitterend licht door het toepassen van bladgoud.

De schilderkunst van de late middeleeuwen weet steeds, behalve het didactische element ook het spiritualisme te behouden dat, evenals in de gotische bouwkunst, standhoudt naast de technische verbeteringen. Aanvankelijk waren de schilders in heel West-Europa trouw aan de meer abstracte uitbeelding en het hiëratisme van de Byzantijnse kunst. Nog lang maakten zij hun persoonlijke opvattingen ondergeschikt aan de algemeen geldende concepten van de overlevering. Giotto bracht wel in zijn muurschilderingen van het begin van de 14de eeuw meer menselijkheid, maar de vergeestelijking blijft in het Westen leven tot het begin van de 16de eeuw.

Evenals aan de andere gotische kunsten leverde Frankrijk ook aan de schilderkunst een belangrijke impuls. Aan het pauselijk hof te Avignon, waar de Siënees Simone Martini in 1339 werkzaam was, ontstond een verbinding tussen de Franse en Italiaanse vormentaal, van waaruit de internationale stijl kon ontstaan. Aandacht voor het detail en voor de natuur, een rijk geschakeerd kleurenpalet en vloeiende lijnen maakten dat ook profane thematiek in de schilderkunst werd opgenomen. In Italië werd Siena in de eerste helft van de 14de eeuw toonaangevend. De paneelschilderkunst kwam er tot ontwikkeling en werd in de 15de eeuw vooral door de panelen van de Nederlanders (zgn. Vlaamse Primitieven) beïnvloed. In de Duitse landen bloeide in de 14de eeuw de schilderkunst met name in Keulen en Praag aan het hof van keizer Karel IV (Boheemse school).

Centra van toegepaste kunst waren Parijs, Limoges, de Zuid-Nederlandse steden, Londen, Keulen en het gebied van de Boven-Rijn, Florence, Siena, Venetië en Genua.