Zoekweergave Georgië

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Georgië
Introductie

Georgië (Georgisch: Sakartvelo, officieel: Sakartvelos Respublica), republiek in de Kaukasus, 69 700 vierkante kilometer (1998 reëel), met 4 646 003 inwoners (2007 schatting); 67 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Tbilisi of Tiflis. Munteenheid is de lari, verdeeld in 100 tetri. Nationale feestdag is 26 mei, de dag waarop Georgië in 1918 onafhankelijk werd van Sovjet-Rusland. De internetlandcode (TLD) is ge.

De voormalige sovjetrepubliek Georgië is onafhankelijk sinds 1991 en sinds 1994 lid van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). Abchazië en Zuid-Ossetië staan onder controle van separatisten die sterke banden hebben met Rusland. Georgië is sterk verarmd en in hoge mate corrupt.

1. Landschap en klimaat

Georgië strekt zich naar het noorden toe uit tot de hoofdketen van de Grote Kaukasus; Zuid-Georgië bestaat uit de lavaplateaus van de Kleine Kaukasus met oude vulkaankegels. Het klimaat is subtropisch. De gemiddelde januaritemperatuur van de door de hoofdketen beschermde Colchisvlakte is +5 °C, de neerslag bedraagt er tussen de 1500 en de 1700 mm per jaar; de plateaus en hellingen van de Kleine Kaukasus zijn droger en hebben een steppeklimaat.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding

De bevolking bestaat voor ruim 70% uit Georgiërs en voor het overige deel uit Armeniërs, Azerbeidzjanen (of Azeri), Russen, Adzjaren (overwegend moslims), Osseten en Abchaziërs. Etnische problemen (separatisme) zijn er met de laatste twee bevolkingsgroepen in het noorden respectievelijk noordwesten van het land. De gemiddelde bevolkingsgroei is sinds enkele jaren negatief, vooral door een groot vertrekoverschot. De hoofdstad Tbilisi is met ruim een miljoen inwoners veruit de grootste stad.

2.2 Taal

Officiële taal is het Georgisch (zie Georgische talen). Verder heeft vrijwel elk volk zijn eigen taal.

2.3 Religie

De Georgiërs werden al in de 4de eeuw vanuit Armenië gekerstend. De meeste Georgiërs behoren tot de Georgisch-Orthodoxe Kerk, de Armeniërs tot de (eveneens christelijke) Armeense Kerk. Adzjaren en Azerbeidzjanen hangen in meerderheid de (soennitische) islam aan. De Abchaziërs zijn deels (soennitische) moslims, deels christenen.

3. Bestuur
3.1 Staatsinrichting

In afwachting van een nieuwe grondwet, die vertraagd wordt door onenigheid over de autonomiekwestie inzake Abchazië, Adzjarië en Zuid-Ossetië, is nog de oude grondwet van de sovjetrepubliek Georgië van kracht, die niettemin op belangrijke punten is aangepast. Na de val van president Gamsachoerdia in 1992 werd het Parlement ontbonden en een Opperste Raad (in de plaats van de Opperste Sovjet) met wetgevende en uitvoerende macht in het leven geroepen, waarvan de leden rechtstreeks door het volk worden gekozen. De voorzitter hiervan is de president en het staatshoofd van het land. Hij wordt in aparte verkiezingen eveneens direct gekozen. De president benoemt de minister-president.

3.2 Bestuurlijke indeling

Georgië is bestuurlijk ingedeeld in 9 regio’s (mkharebi), 9 stedelijke gebieden (k'alak'ebi) en 2 autonome gebieden (avtomnoy respubliki).

3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties

Georgië is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, en het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS; pas vanaf 1 maart 1994).

3.4 Politieke partijen

Sedert de invoering van het meerpartijenstelsel in 1990 werden er meer dan honderd politieke partijen opgericht. De belangrijkste waren: de Burgerunie van Georgië van president Edoeard Sjevardnadze, de Georgische Sociaal-democratische Partij, de Georgische Unie voor Herstel en de Nationaal-democratische Partij. De Communistische Partij, tot 1990 de enige partij, werd in 1991 verboden, een socialistische partij werd in 1994 toegelaten. In 2004 kwam door de overwinning van Michail Saakasjvili en zijn oppositionele Nationale Beweging een eind aan de regeerperiode van de Burgerunie van Georgië en van zijn leider Sjevardnadze.

In de verkiezingen voor het parlement op 28 maart 2004 behaalde de Nationale Beweging–Democraten (NMD) 135 van de 235 zetels, de Rechtse Oppositie 15.

4. Economie

De burgeroorlog van 1991–1992 heeft Georgië, vroeger een van de meest welvarende sovjetrepublieken, zwaar getroffen. De opstand in Abchazië ontwrichtte de economie: ruim 250 000 Georgiërs moesten hun huizen verlaten en de toeristenindustrie en de teelt van thee, tabak en citrusvruchten stortten in. Sinds het aantreden van president Sjevardnadze in 1992 is de toestand geleidelijk verbeterd, maar de economie gaat nog steeds gebukt onder de onzekerheid over de toekomstige status van Abchazië. Het economisch herstel wordt eveneens gehinderd door wijd verbreide corruptie, zwakke overheidsfinanciën en onenigheid over de economische hervormingen. Georgië slaagde erin de gevolgen van de economische crisis in Rusland in 1998 te bezweren. De lari werd gestabiliseerd en de inflatie bleef lager dan 10%. Een belangrijke economische ontwikkeling was de openstelling van de oliepijpleiding van Bakoe (Azerbeidzjan) naar de Georgische havenstad Supsa. De dagelijkse productie hiervan is ca. 120 000 vaten. Een internationaal consortium heeft in dit project ca. 600 miljoen dollar geïnvesteerd. De pijpleiding heeft ca. 25 000 nieuwe banen opgeleverd. Georgië kampte in 2000 met zware economische problemen, zoals de grote buitenlandse schuld, de massale armoede en de achterstallige betaling van lonen en pensioenen. Ook corruptie was een obstakel voor economisch herstel. Niettemin ontwikkelde de economie zich gunstig met een inflatiedaling van 11 naar 2,5% en een economische groei van ca. 3%.

In Colchis en op de berghellingen langs de Zwarte Zee worden o.m. citrusvruchten, moerbeibomen, thee, tabak en druiven (wijn) geteeld. De akkerbouw, die verder o.m. granen, maïs, voedergewassen en etherische oliën produceert, is intensief en sterk gemechaniseerd. De veehouderij maakt gebruik van zomer- en winterweiden en omvat runder- (vooral in het westen), schapen- en geiten- (oosten) en varkensteelt; ook pluimveeteelt.

De mijnbouw levert in de eerste plaats mangaan (bij Tsjiatoera), dat grotendeels als erts wordt uitgevoerd, deels ook (te Zestafoni) verwerkt. Steenkool wordt gewonnen bij Tkvartsjeli en Tkiboeli. Te Roestavi is een groot metallurgisch complex. De industrie produceert vrachtauto's, tractoren, machines, chemicaliën, bouwmaterialen en levensmiddelen. Voor de energievoorziening wordt op grote schaal gebruik gemaakt van waterkracht; daarnaast zijn er vele steenkool- en aardgascentrales. De belangrijkste havens zijn Batoemi, Poti en Soechoemi. Tbilisi heeft een luchthaven. Toeristisch is vooral de Zwarte-Zeekust in trek en voorts kuuroorden als Tsjaltoebo, Borzjomi, Abastoemani, Pasanaoeri en Bakoeriani, verscheidene wintersportplaatsen en centra van oude cultuur, zoals de vroegere hoofdstad Mtskjeta bij Tbilisi.

5. Geschiedenis
5.1 Oudheid en Middeleeuwen

Westelijk Georgië was reeds bekend in de 7de eeuw v.C. als koninkrijk Colchis, terwijl in de 4de eeuw oostelijk Georgië als zelfstandige staat heeft bestaan, namelijk het koninkrijk Iberia (Kartli), waar de oude culturele hoofdstad Mtskjeta en de latere hoofdstad Tbilisi gelegen zijn. In 65 v.C. werd het hele gebied door Pompejus veroverd; beide koninkrijken werden vazalstaten van de Romeinen. Na een aantal opstanden schijnen de Georgische vorsten zich in de Romeinse heerschappij te hebben geschikt. In 337 werd het christendom de officiële godsdienst van het land. In westelijk Georgië was het christendom reeds eerder gepredikt door missionarissen uit de Griekse kolonies langs de Zwarte Zee. Voor geheel Georgië betekende deze religieuze keuze een duidelijke breuk met het zoroastrische Perzië (zie Zarathoestra). De ligging van het land maakte Georgië tot een bufferstaat tussen de Romeinse, later Byzantijnse, en de Perzische machthebbers. Koning Vakhtang Gorgaslan (466–522) sloot een verbond met keizer Zeno van Byzantium en aanvaardde ook het Henotikon (484). Zeno erkende het hoofd van de christelijke Georgiërs als autocefaal patriarch (katholikos; zie autocefale kerken). In de 6de eeuw volgden de Georgische christenen de Byzantijnse Kerk (zie oosterse kerken), toen deze in verzoening met Rome het Concilie van Chalcedon weer aanvaardde. Vanaf deze tijd is er een duidelijke scheiding tussen Georgië en Armenië, dat het Concilie van Chalcedon bleef verwerpen. Vanaf het midden van de 7de tot de 9de eeuw was Georgië, evenals Armenië, een Arabische vazalstaat. In 813 kwam de macht in handen van de Bagratieden-dynastie, die ook in Armenië aan de macht gekomen was. In 888 werd in het oostelijk deel van Georgië (Iberia) het koningschap hersteld, dat duizend jaar lang in handen van de Bagratiedenfamilie bleef. In 978 werden Oost- en West-Georgië tot een eenheid verenigd onder Bagrat III van Iberia en in 1008 ontstond het ene koninkrijk Georgië; alleen de stad Tiflis (Tbilisi) bleef nog een eeuw onder de macht van de islamieten.

5.2 Culturele ontwikkeling

In de 7de eeuw ontstond een eigen christelijke literatuur: beschrijvingen van martelarenlevens, hymnen en heiligenlevens en vooral eigen teksten op het terrein van de liturgie, waarin omstreeks deze tijd de volkstaal werd ingevoerd. Grote invloed op de culturele ontwikkeling werd uitgeoefend door de kloosters, zowel die in eigen land als daarbuiten (in Palestina, op de Sinaï, nabij Antiochië, in Constantinopel en op de Balkan en vooral de vestiging op de berg Athos, het klooster Iviron). De gouden eeuw, begonnen met de hereniging van geheel Georgië ca. 980, duurde tot het midden van de 13de eeuw. De grote schepper van deze bloei was David III, de Bouwer (1089–1125), die o.a. Tiflis op de islamieten heroverde. Zijn opvolgers Georg III (1154–1184) en diens dochter Tamar (1184–1213) continueerden de ontwikkeling, waarbij de christelijke inspiratie (de koningen noemden zich ‘Dienaren van de Messias’) en het actieve contact met het Byzantijns christelijk cultuurgebied van grote betekenis zijn geweest. De wereldlijke literatuur kwam op en omvatte (onder Perzische invloed) vooral heldendichten, zoals het bekende De man in de panterhuid van Sjota Roestaveli (geb. ca. 1166).

5.3 Turkse, Perzische en Russische overheersing

Door de invallen van de Mongolen, vanaf 1220, kwam aan deze bloeiperiode op wrede wijze een einde. Het land werd een ruïne, overgeleverd aan de machtsstrijd van Turken en Perzen. De laatste koning van geheel Georgië was Alexander I (1412–1443) en na hem werd het gebied verdeeld in kleine vorstendommen, door rivaliteit vaak met elkaar in onmin levend. De val van Constantinopel (1453) bracht Georgië in een nog sterker isolement. Langzaam groeide echter de belangstelling voor deze streken in Rusland, dat zich als waakster over de christelijke orthodoxie uitgenodigd voelde beschermend binnen te treden in de Transkaukasische gebieden. De druk van Perzen en Turken, die grote delen van het land vaak hard en meedogenloos beheersten, deed de inwoners van Georgië op den duur hoopvol uitzien naar hulp van het christelijke Rusland. Ten slotte stelde koning Erekle (Heracles) II (1744–1798) zich in 1783 onder protectoraat van Rusland en op 12 sept. 1801 lijfde tsaar Alexander I Georgië bij zijn eigen rijk in. Het land werd een Russische provincie, bestuurd door Russische ambtenaren, met de Russische taal in bestuur, rechtspraak en onderwijs. Voor de Georgische Kerk betekende de annexatie door Rusland, dat in 1811 het eigen patriarchaat werd opgeheven en de Georgische christenen een deel gingen vormen van de Russisch-Orthodoxe Kerk, waarbij zij zelfs werden gedwongen de Slavische liturgie te accepteren. Georgisch patriottisch verzet tegen Rusland bleef de gehele 19de eeuw voortduren. Sinds de jaren 1890 kreeg de arbeidersbeweging vaste voet in Georgië; zij ontwikkelde zich vooral in sociaal-democratische richting, waarbij de mensjeviki (zie mensjevisme) de toon aangaven.

5.4 Sovjetrepubliek

De verwarring van het revolutiejaar 1917 leidde op 26 mei 1918 tot het uitroepen van de Georgische onafhankelijkheid, die gehandhaafd bleef tot februari 1921, toen Georgië door de Sovjet-Unie werd aangevallen en ingelijfd. In 1923 ging het land samen met Armenië en Azerbeidzjan deel uitmaken van de toen gestichte Federale Transkaukasische SSR. De SSR Georgië kwam in 1936 tot stand, toen de Sovjet-Unie een nieuwe grondwet kreeg. In de jaren 1917–1921 werd het eigen patriarchaat hersteld (zie autocefale kerken) en in 1943 ontstonden opnieuw goede betrekkingen met de Russische Kerk. Er is tot op heden ook een groot aantal met Rome geünieerde Georgiërs.

Als gevolg van de door Sovjetleider M. Gorbatsjov gevoerde politiek van glasnost en perestrojka werd aan het eind van de jaren tachtig, net als in andere delen van de Sovjet-Unie, de roep om een onafhankelijke republiek steeds luider. In 1988 werd de Nationale Democratische Partij van Georgië opgericht en sindsdien kwam het herhaaldelijk tot demonstraties. Een massaal protest in Tbilisi werd begin 1989 bloedig neergeslagen. Gelijktijdig maakte de autonome Abchazische sovjetrepubliek kenbaar zich van de Georgische republiek los te willen maken om een volwaardige sovjetrepubliek te worden. De islamitische Abchaziërs voelden zich door de christelijke Georgiërs in hun nationalistische bewustzijn gediscrimineerd. Begin 1990 verklaarde de Georgische Opperste Sovjet de verdragen van 1920–1921, waarmee Georgië zich aansloot bij de Sovjet-Unie, onwettig. Aan de parlementsverkiezingen van november 1990 werd behalve door de communistische partij, door een groot aantal partijen deelgenomen, waarvan de partijcombinatie Ronde Tafel-Vrij Georgië de meerderheid kreeg.

5.5 Onafhankelijkheid

Georgië maakte zich in april 1991 los uit de Sovjet-Unie en wenste zich niet aan te sluiten bij het GOS (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). De autocratische regeerstijl van president Zviad Gamsachoerdia riep veel weerstand op en leidde tot een burgeroorlog tussen oppositie en aanhangers van de president. Op 2 jan. 1992 nam de oppositie de macht over. De voormalige sovjetminister van Buitenlandse Zaken en vroegere partijleider van Georgië, Sjevardnadze, werd in maart voorzitter van de inmiddels gevormde Staatsraad, die voorlopig het bestuur overnam. Gamsachoerdia, op 6 jan. gevlucht, zette vanuit de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny zijn acties voort. De acties van de Gamsachoerdia-aanhangers vormden de directe aanleiding voor grootscheeps militair ingrijpen van de Georgische Nationale Garde in de autonome republiek Abchazië in aug. 1992. Onder auspiciën van de Russische minister van Buitenlandse Zaken werd in aug. 1993 een derde staakt-het-vuren bereikt tussen Georgië en Abchazië. Dit werd echter een maand later door de Abchaziërs verbroken, waarna zij de Abchazische hoofdstad Soechoemi op de Georgiërs veroverden. In de eindfase van de strijd trachtte Gamsachoerdia nog tevergeefs samen met zijn aanhangers de Abchaziërs tegen te houden. Vervolgens keerde hij zich weer tegen de Georgische regering (maar pleegde op oudejaarsdag 1993, in het nauw gebracht, zelfmoord). Mede vanwege de interne verdeeldheid en om hulp van Rusland te verkrijgen besloot Georgië in okt. 1993 alsnog tot het GOS toe te treden.

In de autonome republiek Zuid-Ossetië, waar al sinds 1989 werd gevochten, kwam eveneens na Russische bemiddeling, in 1994, een eind aan de strijd tussen Georgiërs en Zuid-Osseten.

Rusland zegde in maart 1995 toe de opbouw van de Georgische strijdkrachten te ondersteunen en de herintegratie van Abchazië en Zuid-Ossetië, die na bemiddeling van Rusland in 1994 de strijd met Georgië hadden gestaakt, te bevorderen. In sept. 1996 kondigde Abchazië echter parlementsverkiezingen aan voor november van dat jaar. Georgië reageerde verontwaardigd, omdat de onderhandelingen over de toekomstige status van Abchazië muurvast zaten. Ook in het conflict om Zuid-Ossetië werden eerdere toenaderingspogingen tenietgedaan door presidentsverkiezingen voor het Zuid-Ossetische parlement in november.

Ondanks deze geschillen liet de politieke en economische situatie in 1996 een zodanige stabilisering zien dat de economie, die in de jaren daarvoor door gewapende strijd en politieke chaos deplorabel was, aanzienlijk verbeterde.

De onderhandelingen tussen de separatisten in Abchazië en de Georgische regering leidden in 1997 niet tot een oplossing. Wel kwamen de partijen in aug. van dat jaar overeen geen geweld te gebruiken bij de oplossing van hun conflict. In nov. 1997 schafte het parlement de doodstraf af.

Het buitenlands beleid werd in dat jaar gedomineerd door een gespannen relatie met Rusland, o.a. veroorzaakt door onenigheid over de verdeling van de voormalige Zwarte-Zeevloot. Georgië, Azerbeidzjan en Oekraïne besloten in 1997 tot nauwere samenwerking om een tegenwicht te vormen tegen Rusland.

In mei 1998 laaiden de gevechten tussen Georgische guerrilla’s en Abchazische separatisten weer op. Meer dan 35 000 Abchazische Georgiërs, die naar hun woonplaatsen waren teruggekeerd, moesten opnieuw uit Abchazië vluchten. Er werd een staakt-het-vuren overeengekomen, maar de voorgenomen ondertekening van overeenkomsten over de terugkeer van vluchtelingen en het (opnieuw) afzweren van geweld gingen niet door.

President Sjevardnadze overleefde in februari 1998 een moordaanslag, toen zijn auto werd getroffen door een granaat. In oktober mislukte een couppoging. Aanhangers van oud-president Gamsachoerdia waren betrokken bij beide pogingen om Sjevardnadze teverwijderen. Op 27 april 1999 werd Georgië het 41ste lid van de Raad van Europa. Aan het lidmaatschap was een aantal voorwaarden verbonden: verbetering van de rechtspraak, de gevangenissen en de politie, oplossing van het conflict in Abchazië en terugkeer van de bevolkingsgroep der Mesketen die in 1944 door Stalin was gedeporteerd uit Georgië. Georgië moest binnen een jaar de anti-folterconventie, de raamwerkovereenkomst voor de bescherming van minderheden en het handvest inzake minderheidstalen ratificeren. De Burgerunie van Georgië, de partij van president Sjevardnadze won de parlementsverkiezingen van oktober 1999 met bijna 42% van de stemmen. De partij behield daarmee de ruime meerderheid.

6. De 21ste eeuw

Edvard Sjevardnadze werd in april 2000 herkozen als president van Georgië, met ca. 80% van de stemmen. Internationale waarnemers meldden onregelmatigheden bij de verkiezingen.

De verhouding met Rusland was gecompliceerd. Moskou beschuldigde Tbilisi van steun aan Tsjetsjeense rebellen en voerde een visumplicht in voor Georgiërs, met uitzondering van Abchazen en Zuid-Osseten. Rusland traineerde de overeengekomen sluiting van Russische bases in Georgië.

In de opstandige regio Abchazië bood de geheel uit Russen bestaande GOS-vredesmacht volgens Tbilisi veel te weinig bescherming aan terugkerende Georgiërs. Ondanks een samenwerkingsakkoord in maart 2001 werd nam het geweld er verder toe, vooral als gevolg van de toenemende activiteit van Georgische en Tsjetsjeense rebellen in de regio.

De positie van president Sjevardnadze verzwakte na een mislukte politie-inval bij een kritisch tv-station in oktober 2001. De president moest zijn regering ontslaan. De minister van Justitie, de populaire Michail Saakasjvili, had eerder al ontslag genomen omdat hij zich tegengewerkt voelde bij zijn aanpak van de corruptie.

In 2002 kreeg Georgië hulp van de VS bij de bestrijding van het terrorisme in de Pankisi-kloof, waar zich enkele duizenden Tsjetsjeense strijders ophielden. Rusland zag morrend toe; later in het jaar kwamen Sjevardnadze en zijn Russische collega Poetin overeen gezamenlijke grenspatrouilles in te stellen.

De parlementsverkiezingen in november 2003 verliepen chaotisch en frauduleus en leidden tot de Rozenrevolutie, waarbij Sjevardnadze na enkele weken aftrad en het Constitutioneel Hof de verkiezingen ongeldig verklaarde. De presidentsverkiezingen in januari 2004 werden daarop met 96% van de stemmen gewonnen door oppositieleider Saakasjvili; zijn NMD werd bij de parlementsverkiezingen in maart 2004 veruit de grootste partij in het parlement.

De westers georiënteerde Saakasjvili zocht en vond praktische en financiële steun bij de Europese Unie. Het IMF bleek weer bereid Georgië kredieten te verstrekken. Hij slaagde erin de opstandige regio Adzjarië weer onder centraal gezag te krijgen, maar slaagde er niet in zijn greep op Abchazië en Zuid-Ossetië te vergroten.