Zoekweergave gamelan

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

gamelan

gamelan (v. Javaans gamel = hanteren), algemene benaming voor een Javaans of Balinees orkest, op kleinere schaal ook voorkomend in door de Javaanse cultuur beïnvloede gebieden in Indonesië en Suriname. Kenmerkend voor de meeste vormen van gamelanmuziek is dat de verschillende orkestpartijen als een mozaïek in elkaar passen, waarvoor een hoge mate van volmaaktheid in het samenspel nodig is.

De instrumenten van een Javaanse gamelan kan men het best indelen naar de specifieke orkestrale functies die zij vervullen. Zo onderscheidt men: a. instrumenten die de kernmelodie (balungan), een soort cantus firmus (zie cantus), tegelijkertijd unisono laten horen. Die instrumenten zijn de sarons, één-octaafsmetallofonen met zes of zeven bronzen of ijzeren toetsen, die op een trogvormige, vaak rijk versierde houten klankbak liggen; er zijn drie typen saron, die onderling een octaaf in toonhoogte verschillen. Het hoogst klinkt de saron panerus of peking, die elke noot van de kernmelodie syncopeert (zie syncope [muziek]) of verdubbelt. Dan volgen de saron barung en de saron demung. Ten slotte de slentem, een één-octaafsmetallofoon met toetsen, die door middel van koorden zwevend zijn opgehangen boven sympathisch afgestemde klankbuizen; b. de strijkluit (rebab), de bamboefluit (suling), de solostem (sindèn) of het unisono zingende koor (gérongan), die in zacht geslagen (alus) composities betrekkelijk zelfstandige tegenmelodieën ten gehore brengen; c. de gonginstrumenten waardoor de kernmelodie op regelmatige wijze in frasen van verschillende lengte wordt onderverdeeld. Men gebruikt hiervoor: 1. grote, hangende gongs, de gong ageng en de iets kleinere gong suwukan; 2. de kenong, afzonderlijk in een houten frame op koorden liggende, hooggerande gongs, die gestemd zijn volgens de vijf (zie pentatoniek) of zeven tonen van de toonladder; 3. de ketuk, een kleinere liggende platte gong, die, in tegenstelling tot de hoge, heldere klank van de kenong, een kort en dof geluid geeft, omdat het instrument wordt afgedempt terwijl het geslagen wordt; 4. de kempul, kleine hangende gongs, ook afgestemd op de toonladder; d. de (omspelende panerusan-)instrumenten. Hiertoe behoren de gendèr barung en de hoger gestemde gendèr panerus (metallofonen, zoals de boven beschreven slentem, echter met meer octaven), de gambang kayu, een meeroctaafsxylofoon, de bonangs, meeroctavige metallofonen met twee rijen klankketels, die liggen op in een houten frame gespannen koorden, en ten slotte de celempung, een citer met dertien dubbelsnaren, gespannen over een klankkast op kleine gekromde pootjes. De instrumenten in deze groep hebben een dubbele functie: bij snel tempo ondersteunen zij de kernmelodie door de hoofdtonen (gespeeld op de kenongs) van tevoren aan te geven. Bij langzaam tempo laten de beide bonangs (resp. panerus en barung) ook eenvoudige omspelingen horen. Op de zeer zeldzame, laag gestemde bonang panembung wordt een vereenvoudigde versie van de kernmelodie gespeeld; e. de trommen (kendang), waarvan, hoewel zij ook ritmische figuraties laten horen, de agogische functie het belangrijkst is; dwz. zij onderhouden het tempo, of geven aan dat er versneld of vertraagd moet worden. De orkestleider geeft namelijk zijn aanwijzingen aan de spelers door nuances in zijn spel op de trommen.

De hierboven gegeven samenstelling is een schema en geldt vooral voor Midden-Java; er zijn echter vele variaties mogelijk. Men kent op Java bijv. ook kleinere gamelanvormen, zoals de gamelan klenéngan tengahan of gamelan wayangan, het zachtklinkende orkest voor de begeleiding van de wajang kulit. In de Javaanse binnenlanden vindt men nog andere ensembles, zoals de gamelan bumbung en de gamelan gumbeng, die vnl. uit bamboe-instrumenten bestaan, evenals de gamelan jemblung en de gamelan calung. Voor het Sundanese berggebied zijn de kleine gamelan degung en rèntèng karakteristiek.

Men vindt op Bali, al naargelang de streek en het dorp, zeer veel verschillende orkestvormen, vaak ook verschillend in stemming. De oude Balinese tempelorkesten, de gong gédé, tellen meer dan veertig spelers. Tegenwoordig is vooral de hiervan afgeleide gong kebyar, met ca. twintig spelers, zeer populair. In dezelfde categorie komen de traditionele hofgamelan semar pegulingan en de gamelan pelègongan. Kleinere ensembles zijn de gamelan gambuh, waarin de melodie ten gehore wordt gebracht op een viertal bamboefluiten en een rebab; de geheel uit xylofonen bestaande gamelan pejogèdan; de gamelan arja en ten slotte de viertonige angklung, waarin men tegenwoordig echter zelden angklungs (schudbamboes) aantreft. Archaïsche en met grote eerbied behandelde ensembles zijn op Bali de zeventonige gamelan selundèng, caruk, gambang en luang en op Java de gamelan sekati en de drietonige gamelan munggang en tweetonige kodok ngorèk. Elk van de hiervoor genoemde ensembles heeft zijn eigen karakteristieke instrumentarium en vervult bepaalde functies in de samenleving. Zo kan gamelanmuziek uitgevoerd worden als pure concertmuziek (klenéngan), of dienen als begeleiding van hof- en tempeldansen, gedanst toneel en poppenspel. Bepaalde ensembles vervullen een essentiële rol bij religieuze feesten en ceremonies ter gelegenheid van bijv. geboorte, huwelijk en begrafenis (crematie).

Moderne ontwikkelingen vormen de staatsscholen voor gamelan en dans (bijv. op Java in Bandung, Yogya en Solo en op Bali in Den Pasar) en de opbloei van amateurgroepen (bijv. speciaal van vrouwen of studenten) naast de activiteiten van de beroepsmuzikanten, die in dienst zijn bij de traditionele vorstenhoven, de radio en de overheid.

Op Bali heeft bijna elke dorpsgemeenschap een eigen collectief beheerd instrumentarium en bereiken de spelers een verbluffend hoog peil in hun samenspel, ondanks het feit dat zij meestal ‘amateurs’ zijn, omdat zij in hun levensonderhoud voorzien door te werken op de rijstakkers.