Zoekweergave Franck, César Auguste

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Franck, César Auguste

Franck, César Auguste (Luik 10 dec. 1822 – Parijs 8 nov. 1890), Belgisch componist van Belgisch-Duitse afkomst, tot Fransman genaturaliseerd in 1873, behaalde als 12-jarige, door zijn vader daartoe aangezet, een eerste prijs voor piano aan het conservatorium te Luik, waarna hij een tournee maakte die eindigde te Brussel aan het hof van Leopold I. Van 1835 tot 1842 verbleef Franck te Parijs, waar hij concerten gaf, maar tevens van 1837 af zijn studies voortzette aan het conservatorium, o.a. bij Zimmermann (piano), Benoist (orgel) en Leborne (compositie). Terug in Luik werd hij door zijn vader tot optreden als virtuoos gedwongen. Het onthaal was niet bijzonder gunstig en ook de inmiddels gecomponeerde Trio's opus 1 vonden geen bijval. Franck onttrok zich aan de tirannie van zijn vader en vestigde zich in 1844 voorgoed in Parijs, waar hij als privéleraar en kerkorganist een teruggetrokken leven leidde. Van 1858 af was hij organist van het Cavaillé-Coll-orgel in de Ste-Clotilde, waar velen, o.a. Liszt, zijn improvisatiekunst bewonderden. In 1872 werd hij aangesteld als orgelleraar aan het conservatorium. Het tekort aan waardering van de officiële muziekwereld werd ruimschoots vergoed door de geestdrift van een kleine kring leerlingen, o.a. Chausson, Duparc, Bordes, Lekeu, Tournemire en vooral V. d’Indy, zijn eerste biograaf, die ‘le père Franck’ met een enigszins legendarisch aureool omgaf. In de laatste jaren van zijn leven vond Francks werk erkenning in ruimere kring.

Vóór 1873 schreef Franck, op enkele orgelwerken na, geen muziek van grote betekenis. Eerst in de laatste tien jaren van zijn leven componeerde hij zijn meesterwerken. Uitgaande van Bachs dichte polyfonie, Beethovens geconcentreerde vorm en Wagners chromatische harmonie, schiep hij een opmerkelijk persoonlijke taal, Germaans in haar mengeling van religieuze ernst en pathetische bewogenheid, Latijns in haar sensuele charme en sierlijk evenwicht. Het klankbeeld staat grotendeels in het teken van het orgel: Franck registreert het orkest en bindt de pianoklank. Anderzijds is zijn orgelklank soms orkestraal. Hij verdiepte de vorm door het toepassen van het cyclisch principe: vaak groeit heel het thematisch materiaal van een grote compositie uit een paar melodische of ritmische cellen. Het zal Francks onvervreemdbare verdienste blijven in het 19de-eeuwse Frankrijk, dat in de ban van de opera stond, de instrumentale muziek haar eigen plaats opnieuw te hebben doen innemen.

WERK: Orkest: Symf. gedichten: Les Eolides (1876); Le chasseur maudit (1882); Les Djinns (1884; m. piano); Psyché (1888; m. koor); Symfonie in d (1888); Var. symphoniques v. piano en ork. (1889). – Kamermuziek: vier pianotrio's (1841–1842); Pianokwintet (1879); Vioolson. (1886); Strijkkwartet (1889). – Pianomuziek: Prélude, choral et fugue (1884); Prélude, aria et final (1887). – Orgelmuziek: o.m. Six pièces (1862); Trois pièces (1878); Trois chorales (1890). – Opera's: Hulda (1885); Ghisèle (1890). – Oratorium e.d.: Ruth (1846; herbewerkt 1871); Rédemption (1872); Les béatitudes (1879); Rebecca (1881).