Zoekweergave Fauré, Gabriel Urbain

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Fauré, Gabriel Urbain

Fauré, Gabriel Urbain (Pamiers 12 mei 1845 – Parijs 4 nov. 1924), Frans componist, kreeg sinds 1861 les van Saint-Saëns. Hij werkte als organist te Rennes en in Parijs en werd in 1877 aldaar kapelmeester aan de Madeleine. In 1896 volgde hij Massenet op als leraar compositie aan het conservatorium te Parijs, waarvan hij van 1905 tot 1920 directeur was. Hij was sedert 1903 muziekmedewerker aan de Figaro. In 1913 vond de première van zijn opera Pénélope plaats, met Pelléas et Mélisande van Debussy de belangrijkste Franse opera van rond de eeuwwisseling. Faurés betekenis als componist is groot. Hoewel geneigd tot classicisme, werd hij niet, zoals Saint-Saëns, een conservatief componist. Dank zij een met modale elementen verrijkte melodiek, een vaak ver doorgevoerde contrapuntiek en een oorspronkelijke harmoniek kwam hij tot een eigen, fijnzinnige en zeer gevarieerde schrijfwijze, waarin vele impressionistische vernieuwingen reeds te vinden zijn. In de liederen volgt de zangstem een eigen melodische lijn naast die van de minutieus uitgewerkte begeleiding. De stemmingslyriek blijft hier steeds discreet en vermijdt elke pathetiek. In de pianomuziek zijn invloeden van Chopin en Robert Schumann, soms ook van Liszt, op oorspronkelijke wijze verwerkt; vooral de latere Nocturnes zijn belangrijk. Van de kerkmuziek is het prachtige Requiem een verstild, elegisch werk vol resignatie. De orkestratie was Faurés zwakke zijde. Tot Faurés leerlingen behoorden F. Schmitt, Ravel en Roger-Ducasse.

WERK: Orkest: Ballade (1881, herz. 1901; piano en ork.); Fantaisie (1918; piano en ork.). – Kamermuziek: 2 vioolsonates (1876, 1917); 2 pianokwartetten (1879, 1886); Elégie (1880; cello en piano; georkestreerd in 1901); 2 pianokwintetten (1906, 1921); 2 cellosonates (1917, 1921); pianotrio (1923); strijkkwartet (1924). – Pianomuziek: o.a.: 4 valses-caprices (1882–1894); 5 impromptus (1881–1913); 13 nocturnes (1875–1921); 13 barcarolles (1880–1921); 9 préludes (1910); romances, pièces brèves.Ballet: Masques et bergamasques (1919). – Toneelmuziek: Caligula (1888); Shylock (1889); Pelléas et Mélisande (1898); Le voile du bonheur (1901, onuitgeg.). – Opera's: Prométhée (1900); Pénélope (1913). – Koorwerk: Cantique de Jean Racine (1866; koor en orgel); Les Djinns (1875; koor en ork.; n. V. Hugo); Requiem (1877–1900); Le ruisseau (1881; vrouwenkoor). – Duetten: o.a.: La tarantelle (ca. 1873); Fleurs d'or (1896). – Liederen: o.a.: de cycli La bonne chanson (1892–1894; n. Verlaine); La chanson d'Ève (1906–1910; n. Van Lerberghe); Mirages (1919; n. de Brimont).