| Zoekweergave | Europese Unie | Terug |
| Introductie |
Europese Unie (afkorting: EU), internationale organisatie die de overkoepelende structuur biedt voor verschillende samenwerkingsvormen van 27 Europese staten (economische, buitenlands-politieke en justitiesamenwerking). De economische samenwerking speelt zich voornamelijk af in het kader van de Europese Gemeenschappen (EG). De EU ontstond formeel op 1 november 1993 met de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht. Anders dan de EG heeft de EU geen rechtspersoonlijkheid. Dat betekent dat alleen de EG verdragen en contracten mogen afsluiten.
| 1. Lidstaten en kandidaat-lidstaten |
| 1.1 Uitbreiding |
Sinds 1 januari 2007 kent de Europese Unie 27 lidstaten. De uitbreiding van de Unie, die in 1958 als Europese Economische Gemeenschap (EEG) met zes lidstaten begon (zie ook Europese integratie), verliep in etappes.
Een aantal lidstaten heeft overzeese gebiedsdelen, die als zodanig vallen onder de Europese Unie en waarop de Europese verdragen volledig van toepassing zijn. Dit zijn: de Franse overzeese departementen Guadeloupe, Martinique, Frans Guyana en Réunion, de Portugese eilanden Azoren en Madeira en de Canarische Eilanden behorend tot Spanje. Ook Gibraltar behoort als gebiedsdeel van Groot-Brittannië bij de EU.
Bij het Verdrag van Nice, totstandgekomen op 11 december 2000 en ondertekend op 26 februari 2001, werden afspraken vastgelegd over aanpassing van de interne structuur van de Unie met het oog op de toetreding van twaalf kandidaat-landen. Op 16 april 2003 ondertekenden de 15 lidstaten en tien van deze twaalf landen kandidaat-lidstaten in Athene de verdragen die de toetreding officieel bezegelden. Na referenda in alle kandidaat-lidstaten en ratificatie van het uitbreidingsverdrag konden de tien kandidaat-lidstaten op 1 mei 2004 tot de EU toetreden. Op 1 januari 2007 volgde de toetreding van Roemenië en Bulgarije.
| 1.2 Kopenhagen-criteria |
Als voorwaarden voor het lidmaatschap gelden de zgn. 'criteria van Kopenhagen'. Volgens deze criteria moet een toekomstig lid: een stabiele democratie hebben die de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en de bescherming van de minderheden waarborgt; over een functionerende markteconomie beschikken; en de gemeenschappelijke regels, normen en beleidsmaatregelen aanvaarden die het corpus van EU-wetgeving vormen.
| 1.3 Kandidaat-lidstaten |
Met Turkije begonnen de toetredingsonderhandelingen begin oktober 2005, maar deze werden op 11 december 2006 grotendeels opgeschort naar aanleiding van de weigering door Turkije om zijn vliegvelden en havens open te stellen voor vliegtuigen en schepen uit EU-lidstaat Cyprus. Met Kroatië begonnen de toetredingsonderhandelingen begin november 2005. Macedonië werd in december 2005 erkend als kandidaat-lidstaat.
| 1.4 Potentiële kandidaat-lidstaten |
Potentiële kandidaat-lidstaten zijn Servië, Montenegro, Bosnië-Hercegovina en Albanië. Het overleg over toetreding van Servië werd door de EU in mei 2006 verbroken vanwege de weigerachtigheid van het land de van oorlogsmisdaden verdachte Ratko Mladic uit te leveren.
| 2. Drie pijlers |
De EU kent een zogenaamde driepijlerstructuur. De eerste pijler is het EG-verdrag, dat bij het Verdrag van Maastricht zodanig is uitgebreid dat het niet uitsluitend economische aangelegenheden betreft. De tweede pijler betreft het buitenlands en veiligheidsbeleid, waarbij het, anders dan bij de Europese politieke samenwerking, gaat om de ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid. De laatste pijler wordt gevormd door de justitiesamenwerking. Waar het EG-verdrag een voorbeeld is van supranationaliteit, hebben de laatste twee pijlers meer het karakter van intergouvernementele samenwerking. Op deze terreinen heeft de Unie geen eigen bevoegdheden.
De pijlerstructuur is door het na het Verdrag van Maastricht in 1997 nog totstandgekomen Verdrag van Amsterdam en het in februari 2001 ondertekende Verdrag van Nice niet gewijzigd. Wel bracht het Verdrag van Amsterdam in de buitenlands-politieke samenwerking en de justitiesamenwerking een aantal supranationale elementen aan, zoals het beginsel van onthouding van stemmen en aanzetten tot meerderheidsbesluitvorming. Voorstellen voor een verdergaande hervorming van de manier waarop de Europese Unie wordt bestuurd, werden in 2003 voorbereid door een Europese Conventie die een concept presenteerde voor een Europese grondwet. De ratificatie hiervan door de lidstaten stagneerde door de afwijzing van de grondwet door de Franse en de Nederlandse kiezers bij referenda in 2005.
| 3. Instellingen |
De belangrijkste instellingen van de EU zijn: de Europese Commissie, die als het dagelijks bestuur van de EU is te beschouwen, de Raad van Ministers van de Europese Unie, bestaande uit de betrokken ministers van de regeringen van de lidstaten en indien nodig de staats- en regeringshoofden van de lidstaten, het Europees Parlement, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de Europese Investeringsbank, de Europese Rekenkamer en het Europees Economisch en Sociaal Comité.