| Zoekweergave | Empfindsamkeit | Terug |
Empfindsamkeit, het Duitse woord voor (over)gevoeligheid. Het woord Empfindsam gaat terug op Lessing, die het zijn vriend Johann Joachim Bode in 1768 voorstelde als vertaling van het Engelse sentimental in Laurence Sternes roman A sentimental journey. De term Empfindsamkeit wordt in de literatuur- en muziekgeschiedenis gebruikt ter aanduiding van een van de aspecten van het rococo, nl. het steeds meer ontvankelijk worden van de mens voor het kleine, op zich zelf onbelangrijke, maar lieflijke in natuur en leven, waarvan hij tracht te getuigen in een kunst die zich op de rand van sentimentaliteit en gevoelskoketterie beweegt. De Empfindsamkeit – tussen ca. 1740 en 1780 – vormt een reactie op het strenge rationalisme van de Verlichting en is niet denkbaar zonder de invloed van het piëtisme.
In de letterkunde uit de Empfindsamkeit zich in de eerste plaats in de romans van Samuel Richardson (o.a. Pamela, 1740) en Sterne (A sentimental journey, 1768) en in de gedichten van Macpherson (Ossian, 1760); vervolgens in de werken van Jean-Jacques Rousseau (Nouvelle Héloïse, 1761), in de comédie larmoyante en in de werken van Klopstock (Messias, 1748–1773) en Gellert. Zie ook sentimentalisme.
In de muziek heeft de term met name betrekking op Noord-Duitse componisten als W. F. Bach, C.Ph.Em. Bach, J.F. Agricola en Quantz, in wier werk de subjectieve gevoelsexpressie sterk op de voorgrond treedt. De esthetiek van de Empfindsamkeit zag in de muziek een quasi-natuurlijke en direct tot het hart sprekende taal van het gevoel. Volgens C. Ph. Em. Bach diende de uitvoerende musicus zich geheel met de gevoelsuitdrukking van de muziek te identificeren: ‘Ein Spieler kann nicht anders rühren, ausser er ist selbst gerührt’. De stijl van de Empfindsamkeit is een expressieve variant van de galante stijl in de muziek.