| elektronische muziek | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Ontwikkelingen |
In de jaren zestig begon de strenge scheiding tussen musique concrète en elektronische muziek, die overigens in de Amerikaanse tape music niet heeft bestaan, in Europa te verdwijnen.
Een nieuwe ontwikkeling combineerde de ervaringen uit de elektronische studio's met instrumentale of vocale muziek, waarbij uitvoerend musici weer op het podium verschenen, uitgerust met contactmicrofoons op hun muziekinstrumenten, die waren verbonden met elektronische klanktransformatieapparatuur. Deze elektro-instrumentale muziek wordt in Nederland o.a. gerealiseerd in de Studio voor Elektro-Instrumentale Muziek STEIM in Amsterdam.
Gedurende de jaren zestig begon de elektronische muziek haar exclusieve positie te verlaten. Het aantal studio's nam drastisch toe, vooral in Europa en de Verenigde Staten. Doordat nu ook bandcomposities in combinatie met instrumenten werden gemaakt, kreeg de elektronische muziek een duidelijker plaats in het gangbare muziekleven. Aansluitingen met de experimentele film en de beeldende kunst gaven aanleiding voor presentaties in musea en andere culturele centra. Uitgevers drukten en verspreidden partituren van elektronische muziek. Universiteiten en conservatoria richtten op dit gebied onderwijsprogramma's in. In 1976 werd in Parijs het Centre Pompidou geopend, dat het grootste muzikale onderzoek- en experimenteercentrum van geheel Europa (IRCAM) herbergt (directeur: Pierre Boulez).
| 3.1 Elektronische muziek (Nederland) |
In Nederland richtte een aantal componisten privéstudio's in, zoals Ton Bruynèl, Luctor Ponse, Simeon ten Holt, Will Eisma, Victor Wentink, Frans van Doorn, Huub ten Hacken, Jurriaan Andriessen, Tony van Campen en Ton de Leeuw. De Nederlandse omroep geeft incidenteel faciliteiten aan dichters, componisten en radiomedewerkers, die, gebruik makend van de menselijke stem en de elektro-akoestische mogelijkheden, een expressievorm hebben gevonden in de overlappende gebieden van literatuur en muziek, in Nederland bekend onder de naam verbosonica. ‘Live’ elektronische muziek met behulp van instrumenten en/of synthesizers voor zalen met publiek wordt gemaakt in de genoemde studio STEIM en o.a. door Dick Raaijmakers, Victor Wentink, Michel Waisvisz, Gilius van Bergeijk, Will Eisma, Evert van Tright en Luctor Ponse.
Het toonaangevend instituut in Nederland was lange tijd het Instituut voor Sonologie van de Rijksuniversiteit in Utrecht. Aan dit instituut werd onderwijs gegeven in de sonologie, de wetenschap van de muzikale klank. Ter ondersteuning van de onderzoek- en de onderwijstaak zijn mogelijkheden geschapen voor componisten elektronische muziek of computermuziek te realiseren. Nadat het instituut in 1966 door middel van de invoering van spanninggestuurde apparatuur als systeem tot gedeeltelijke automatisering van de klanksynthese in staat bleek, is met de komst van computers in 1971 volledige automatisering mogelijk geworden. Computermuziek wordt gemaakt met behulp van een computer die in staat is sorteringen en berekeningen in korte tijd uit te voeren. Het computerprogramma is gericht op de synthese en de ordening van tonen, die in toonhoogte, -sterkte, -duur en klankkleur omschreven kunnen worden, of op numerieke manipulaties, waarbij het klankresultaat vooral in het laatste geval tevoren niet geheel vaststaat. Nadat de digitale informatie van de computer is omgezet in analoge informatie – die door de luidspreker kan worden verwerkt – wordt de klank hoorbaar. Als de tijdsduur tussen de berekening en de generatie van de luidsprekerklank kort is, dan wordt gesproken van een ‘real-time’ klanksynthesemethode. Op dit gebied heeft het werk van o.a. Koenig, Kaegi en Tempelaars internationale bekendheid gekregen. In 1985 verhuisde het Instituut voor Sonologie naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.
| 3.2 Elektronische muziek (België) |
In België worden zowel de radiofonische, filmmuzikale en verbosonische toepassingen van de elektro-akoestische media, als de productie van elektronische of elektro-instrumentale concertmuziek in hoofdzaak verzorgd door twee instituten: het Instituut voor Psychoacustica en Elektronische Muziek (IPEM) te Gent, opgericht in 1962 en sinds 1987 deel uitmakend van de Gentse Rijksuniversiteit (componisten: o.m. Louis de Meester, Lucien Goethals, Karel Goeyvaerts, Peter Beyls), en de studio van het Centre de recherches musicales de Wallonie te Luik, dat in 1970 uit de vroegere Studio de musique électronique de Bruxelles, ontstond (componisten o.m. Henri Pousseur, Philippe Boesmans, Patrick Lenfant). Ook het onderwijs in de elektronische muziek als compositorische resp. musicologische discipline gebeurt vrijwel uitsluitend door deze beide instituten. Ook in België ontstonden privéstudio's die door occasionele onderwijsprogramma's en concerten mede tot de verspreiding van het elektro-akoestische musiceren hebben bijgedragen, o.m. de SEM-studio te Antwerpen (componist Joris De Laet) en de Logos-studio te Gent (componist Godfried W. Raes).