Zoekweergave elektronische muziek

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

elektronische muziek
Introductie

elektronische muziek, verzamelnaam voor velerlei soorten muziek, die als gemeenschappelijke, maar niet steeds voltallig aanwezige kenmerken hebben: a. basisklanken opgewekt of mede opgewekt met behulp van de elektronica; b. variaties en transformaties tot stand gekomen of mede tot stand gekomen met behulp van de elektronica; c. tijdelijke of definitieve vastlegging van tussenstadia of resultaten van klanksynthese in een geheugen, bijv. de bandrecorder; d. hoorbaar gemaakt door middel van of mede door middel van de luidspreker.

1. Ontstaan

In de oorspronkelijke betekenis werd omstreeks 1950 slechts díe muziek als elektronische muziek betiteld die volledig was gesynthetiseerd met behulp van apparaten en met uitsluiting van de uitvoerende musicus door de luidspreker hoorbaar werd gemaakt. De bandrecorder was hierbij niet alleen een onmisbare opnemer en weergever, maar tevens de montagetafel waarop bandfragmenten konden worden geknipt en aan elkaar geplakt. De nauwkeurigheid in toonduur zoals die door bandmontage mogelijk wordt, de nauwkeurigheid in toonhoogte zoals die door klankgeneratoren geleverd wordt en de nauwkeurigheid in toonsterkte zoals die kan worden ingesteld met behulp van regelbare weerstanden, maakten klankcomposities mogelijk die in theorie en instrumentale benadering waren gebaseerd op seriële systemen (Schönberg, Webern, Messiaen, Goeyvaerts, Pousseur, Boulez; zie seriële muziek).

De interesse van de componisten die zich met elektronische muziek bezighielden, was introvert. De generatoren, filters en modulatoren werden als afzonderlijke eenheden geplaatst in de besloten ateliersfeer. Belangrijke studio's voor elektronische muziek ontstonden in Keulen en Parijs en vervolgens in Milaan, Warschau, Tokio, New York, Gent, Luik en Utrecht. De resultaten werden ten gehore gebracht in radio-uitzendingen en speciale zaalconcerten met diverse luidsprekersystemen in de ruimte.

2. Musique concrète

Geheel andere achtergronden hebben een rol gespeeld bij het ontstaan van de musique concrète of concrete muziek in Frankrijk. Bij de radio-omroep in Parijs werd al in de jaren veertig grote aandacht besteed aan de klanken in het hoorspel of de radiodocumentaire, naast de spraak of het commentaar. Niet alleen muzikale, maar ook literaire drijfveren hebben Pierre Schaeffer geleid tot een kunstvorm die als uniek medium de radio of de grammofoonplaat behoeft en onder de naam radiofonie algemene bekendheid heeft gekregen. Schaeffer baseerde zich theoretisch op de linguïstische theorieën van Ferdinand de Saussure. De vroege musique concrète, zoals die voor het eerst in 1948 werd gecomponeerd, onderscheidt zich van de eerste elektronische muziek uit Keulen in 1951 niet alleen in muziektheoretisch opzicht, maar ook productietechnisch. De basisklanken in de musique concrète worden opgenomen met de microfoon. De klanktransformatie en montage die daarna volgt, is vergelijkbaar met de productietechniek van de elektronische muziek.

Het geluid dat de musique concrète tot uitgangspunt dient, omvat alle soorten ‘mechanisch’ voortgebrachte klanken, zoals opnamen van instrumenten (Pierre Schaeffer, Étude pour piano, 1948), van de menselijke stem (Schaeffer en Pierre Henry, Symphonie pour un homme seul, 1950; Henry, Vocalise, 1951), van geluiden uit de technische wereld (Schaeffer, Étude aux chemins de fer, 1948), alsook opnamen van alle denkbare klanken uit de natuur (Milhaud, La rivière endormie, 1954).

3. Ontwikkelingen

In de jaren zestig begon de strenge scheiding tussen musique concrète en elektronische muziek, die overigens in de Amerikaanse tape music niet heeft bestaan, in Europa te verdwijnen.

Een nieuwe ontwikkeling combineerde de ervaringen uit de elektronische studio's met instrumentale of vocale muziek, waarbij uitvoerend musici weer op het podium verschenen, uitgerust met contactmicrofoons op hun muziekinstrumenten, die waren verbonden met elektronische klanktransformatieapparatuur. Deze elektro-instrumentale muziek wordt in Nederland o.a. gerealiseerd in de Studio voor Elektro-Instrumentale Muziek STEIM in Amsterdam.

Gedurende de jaren zestig begon de elektronische muziek haar exclusieve positie te verlaten. Het aantal studio's nam drastisch toe, vooral in Europa en de Verenigde Staten. Doordat nu ook bandcomposities in combinatie met instrumenten werden gemaakt, kreeg de elektronische muziek een duidelijker plaats in het gangbare muziekleven. Aansluitingen met de experimentele film en de beeldende kunst gaven aanleiding voor presentaties in musea en andere culturele centra. Uitgevers drukten en verspreidden partituren van elektronische muziek. Universiteiten en conservatoria richtten op dit gebied onderwijsprogramma's in. In 1976 werd in Parijs het Centre Pompidou geopend, dat het grootste muzikale onderzoek- en experimenteercentrum van geheel Europa (IRCAM) herbergt (directeur: Pierre Boulez).

3.1 Elektronische muziek (Nederland)

In Nederland richtte een aantal componisten privéstudio's in, zoals Ton Bruynèl, Luctor Ponse, Simeon ten Holt, Will Eisma, Victor Wentink, Frans van Doorn, Huub ten Hacken, Jurriaan Andriessen, Tony van Campen en Ton de Leeuw. De Nederlandse omroep geeft incidenteel faciliteiten aan dichters, componisten en radiomedewerkers, die, gebruik makend van de menselijke stem en de elektro-akoestische mogelijkheden, een expressievorm hebben gevonden in de overlappende gebieden van literatuur en muziek, in Nederland bekend onder de naam verbosonica. ‘Live’ elektronische muziek met behulp van instrumenten en/of synthesizers voor zalen met publiek wordt gemaakt in de genoemde studio STEIM en o.a. door Dick Raaijmakers, Victor Wentink, Michel Waisvisz, Gilius van Bergeijk, Will Eisma, Evert van Tright en Luctor Ponse.

Het toonaangevend instituut in Nederland was lange tijd het Instituut voor Sonologie van de Rijksuniversiteit in Utrecht. Aan dit instituut werd onderwijs gegeven in de sonologie, de wetenschap van de muzikale klank. Ter ondersteuning van de onderzoek- en de onderwijstaak zijn mogelijkheden geschapen voor componisten elektronische muziek of computermuziek te realiseren. Nadat het instituut in 1966 door middel van de invoering van spanninggestuurde apparatuur als systeem tot gedeeltelijke automatisering van de klanksynthese in staat bleek, is met de komst van computers in 1971 volledige automatisering mogelijk geworden. Computermuziek wordt gemaakt met behulp van een computer die in staat is sorteringen en berekeningen in korte tijd uit te voeren. Het computerprogramma is gericht op de synthese en de ordening van tonen, die in toonhoogte, -sterkte, -duur en klankkleur omschreven kunnen worden, of op numerieke manipulaties, waarbij het klankresultaat vooral in het laatste geval tevoren niet geheel vaststaat. Nadat de digitale informatie van de computer is omgezet in analoge informatie – die door de luidspreker kan worden verwerkt – wordt de klank hoorbaar. Als de tijdsduur tussen de berekening en de generatie van de luidsprekerklank kort is, dan wordt gesproken van een ‘real-time’ klanksynthesemethode. Op dit gebied heeft het werk van o.a. Koenig, Kaegi en Tempelaars internationale bekendheid gekregen. In 1985 verhuisde het Instituut voor Sonologie naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

3.2 Elektronische muziek (België)

In België worden zowel de radiofonische, filmmuzikale en verbosonische toepassingen van de elektro-akoestische media, als de productie van elektronische of elektro-instrumentale concertmuziek in hoofdzaak verzorgd door twee instituten: het Instituut voor Psychoacustica en Elektronische Muziek (IPEM) te Gent, opgericht in 1962 en sinds 1987 deel uitmakend van de Gentse Rijksuniversiteit (componisten: o.m. Louis de Meester, Lucien Goethals, Karel Goeyvaerts, Peter Beyls), en de studio van het Centre de recherches musicales de Wallonie te Luik, dat in 1970 uit de vroegere Studio de musique électronique de Bruxelles, ontstond (componisten o.m. Henri Pousseur, Philippe Boesmans, Patrick Lenfant). Ook het onderwijs in de elektronische muziek als compositorische resp. musicologische discipline gebeurt vrijwel uitsluitend door deze beide instituten. Ook in België ontstonden privéstudio's die door occasionele onderwijsprogramma's en concerten mede tot de verspreiding van het elektro-akoestische musiceren hebben bijgedragen, o.m. de SEM-studio te Antwerpen (componist Joris De Laet) en de Logos-studio te Gent (componist Godfried W. Raes).